De laatste tijd zie ik opvallend vaak hoe mensen voor anderen klaar staan. Een deur die open gehouden wordt, een kinderwagen die men helpt naar beneden te sjouwen omdat de lift defect is, een tas die bijna wordt vergeten in de tram, maar waarbij de eigenaar nog net op tijd gewaarschuwd wordt, iemand die aandachtig luistert naar het verhaal van een ander.
Het zijn mooie momenten van medemenselijkheid en ondanks mijn soms toch wel cynische kijk op het leven en op mensen in het bijzonder, mezelf beslist niet uitgezonderd, kan ik niet ontkennen dat het me raakt.
Nee, noem me nu niet sentimenteel. Ik weet dat het de donkere dagen zijn voor de kerst en ik weet ook dat de kerken straks weer vol zitten met mensen die er de rest van het jaar hun gezicht niet laten zien. Als atheïst ben ik geneigd om te zeggen: gelukkig maar.
Gekscherend zei ik vanavond nog dat zo’n nachtmis gezien wordt als een goedkope attractie, omdat men geen geld meer over heeft voor een theaterticket.
In werkelijkheid is het natuurlijk zo dat de meesten van ons in deze tijd graag onder de mensen zijn. Niet zozeer bij het doen van kerstinkopen, waarbij men zich vaak wezenloos voor zich uitstarend een weg baant door de massa om bij de kassa te komen, maar in ons eigen huis, bij vrienden of ergens in een goed restaurant of café. Gewoon omdat deze behoefte aan het delen van warmte en genegenheid, deze behoefte aan verbondenheid, een wezenlijke menselijke eigenschap is, die wij in onze harde samenleving soms alleen nog tegen komen bij acties op de tv voor een of ander goed doel.
Het gemis aan verbondenheid leidt tot eenzaamheid. Je komt dit tegen in alle lagen van de bevolking. En al heeft de een meer zichtbare redenen dan de ander om zich eenzaam te voelen en verwaarloosd, ook degenen van wie je het misschien niet zou verwachten kennen deze gevoelens.
Altijd als wij iemand missen die er misschien ook nooit meer zal zijn, maar zelfs ook als wij weten waar deze persoon uithangt en dat het goed met hem of haar gaat, speelt onze behoefte aan verbondenheid op. Wij willen dat die ander hier is, al is het maar voor even.
De moderne communicatiemiddelen nemen dit gevoel niet van ons af, maar versterken het.
Als we het mailtje versturen, het gesprek aan de telefoon beëindigen, stoppen met chatten en weet ik veel welke andere mogelijkheden er nog verder zijn om met elkaar te communiceren, valt er even een stilte in ons hart. Opeens beseffen we dat we die ander even tegen ons aan willen drukken, vast willen houden. Dat we behoefte hebben om, al was het maar voor korte tijd, bij die ander te zijn. En dat is mooi. Dat is prachtig. Want die ander is er natuurlijk altijd. Hij zat al in ons hart en zit daar nog steeds. Soms zijn we dat vergeten, maar het is in deze tijd dat we die ander missen dat we opnieuw weer helder zien wat die ander voor ons betekent of betekend heeft. Vooral de goede momenten komen weer terug in onze herinnering.
Onze eenzaamheid is een symptoom van onze behoefte aan verbondenheid. Een krachtig signaal dat wij mensen anderen nodig hebben om ons mens te kunnen voelen.
Dit is een tijd van koesteren en gekoesterd worden. Een tijd dat de warmte die ons verbindt de koude in ons hart voor een moment verdrijft. Aan iedereen die mij lief is een fijne kerst toegewenst.
zondag 25 december 2011
vrijdag 23 december 2011
Het cadeau.
Woedend keek ze hem aan. Er sprongen vonken uit haar ogen.
Ik wil nu naar huis, riep ze. Haar hoge schreeuwstem klonk snerpend als een wagen die met gierende banden de bocht nam. Haar armen had ze stijf over elkaar geslagen. Ze maakte geen grapjes. Ze meende het.
Het gezicht van de kleine gedrongen man met de grijze leren jas en het kale hoofd liep rood aan. Ook hij was woedend.
Je hebt zelf gevraagd of je mee mocht. En nu wil je opeens naar huis? Wat is dat voor een onzin?
Zijn woorden maakten weinig indruk. Het meisje met de rode strikjes in haar vlechtjes en het fijn gevormde gezichtje, ouder dan tien jaar was ze beslist niet, gooide meer volume in haar stem. Ik wil naar huis, naar huis, naar huis, krijste ze.
De voorbijgangers liepen haastig voorbij met hun volle tassen en leken geen aandacht aan het stel te besteden. Ze waren teveel met zichzelf bezig. Nog anderhalve dag te gaan en er moest nog van alles worden gedaan. Sommigen van hen hadden de voorafgaande dagen nog gewerkt en moesten nu in allerijl op het laatste nippertje hun boodschappen doen. Gelukkig waren de kerstkaarten verstuurd en was de boom opgetuigd. Maar de wc en de badkamer moesten nog schoon worden gemaakt, de rommel in de huiskamer opgeruimd, het huis gestofzuigd en er moest natuurlijk een mooie volle bos bloemen op tafel, want dat stond zo gezellig.
Anderen waren al dagen aan het winkelen en bijna in een soort trance geraakt van vermoeidheid. Knettergek waren ze inmiddels geworden van de drukte. De rijen bij de kassa’s leken maar niet korter te worden, de kerstliedjes tolden door hun hoofd en nergens konden ze dat ene speciale cadeau vinden dat ze zo graag hadden willen kopen. Tot overmaat van ramp bleken de pinautomaten het weer eens niet te doen. En overal massa’s en massa’s mensen. Er was geen door komen aan.
Uit een loodgrijze lucht viel een zachte motregen. Vorig jaar om deze tijd sneeuwde het, wisten ze. Maar dat het nu minder koud was maakte hen er niet vrolijker op.
Dat stomme cadeau wil ik helemaal niet. Ze spuwde de woorden bijna in zijn gezicht.
Hij pakte haar bij de schouders en drukte zijn neus bijna in haar gezicht. Welk stom cadeau, waar heb je het over? Waar maak je je zo druk over?
Die stomme DVD. Die rot film. Ik had je gezegd dat ik die film niet wilde.
Die stomme DVD? Die is helemaal niet voor jou. Als je zo blijft brullen krijg je helemaal niks.
Ik hoef helemaal niks. Ik wil naar huis.
Je weet helemaal niet wat ik voor je gekocht heb. Je weet helemaal niet wat ik in de kelder heb staan.
Nu had hij haar aandacht. In de kelder? Hij had het cadeau in de kelder gezet. Maar waarom in de kelder? Was het dan zo groot dat het niet onder de boom kon?
Wat heb je in de kelder staan? vroeg ze opeens met zachte stem.
Dat zou jij wel willen weten, hè? Hij grijnsde bijna boosaardig. Luister. Je gaat nu met me mee. Je houdt op met schreeuwen. Ik wil het niet meer horen. Straks gaan we wat eten bij Mc Donalds en daarna breng ik je bij je moeder. Ik beloof je dat als zij je op tweede kerstdag bij mij brengt dat je een heel mooi cadeau krijgt. De film is voor je broertje. Die wou hem wèl graag hebben. Maar je mag hem niks zeggen. Beloof je dat?
Ze zweeg. Haar woede was gezakt. Toen de man een hand uit stak pakte ze hem vast. Samen liepen ze vanonder de overkapping de regen in. Toen ze langs me kwamen gaf de man me een vette knipoog.
Fijne feestdagen, riep ik hen beiden lachend na.
Ik wil nu naar huis, riep ze. Haar hoge schreeuwstem klonk snerpend als een wagen die met gierende banden de bocht nam. Haar armen had ze stijf over elkaar geslagen. Ze maakte geen grapjes. Ze meende het.
Het gezicht van de kleine gedrongen man met de grijze leren jas en het kale hoofd liep rood aan. Ook hij was woedend.
Je hebt zelf gevraagd of je mee mocht. En nu wil je opeens naar huis? Wat is dat voor een onzin?
Zijn woorden maakten weinig indruk. Het meisje met de rode strikjes in haar vlechtjes en het fijn gevormde gezichtje, ouder dan tien jaar was ze beslist niet, gooide meer volume in haar stem. Ik wil naar huis, naar huis, naar huis, krijste ze.
De voorbijgangers liepen haastig voorbij met hun volle tassen en leken geen aandacht aan het stel te besteden. Ze waren teveel met zichzelf bezig. Nog anderhalve dag te gaan en er moest nog van alles worden gedaan. Sommigen van hen hadden de voorafgaande dagen nog gewerkt en moesten nu in allerijl op het laatste nippertje hun boodschappen doen. Gelukkig waren de kerstkaarten verstuurd en was de boom opgetuigd. Maar de wc en de badkamer moesten nog schoon worden gemaakt, de rommel in de huiskamer opgeruimd, het huis gestofzuigd en er moest natuurlijk een mooie volle bos bloemen op tafel, want dat stond zo gezellig.
Anderen waren al dagen aan het winkelen en bijna in een soort trance geraakt van vermoeidheid. Knettergek waren ze inmiddels geworden van de drukte. De rijen bij de kassa’s leken maar niet korter te worden, de kerstliedjes tolden door hun hoofd en nergens konden ze dat ene speciale cadeau vinden dat ze zo graag hadden willen kopen. Tot overmaat van ramp bleken de pinautomaten het weer eens niet te doen. En overal massa’s en massa’s mensen. Er was geen door komen aan.
Uit een loodgrijze lucht viel een zachte motregen. Vorig jaar om deze tijd sneeuwde het, wisten ze. Maar dat het nu minder koud was maakte hen er niet vrolijker op.
Dat stomme cadeau wil ik helemaal niet. Ze spuwde de woorden bijna in zijn gezicht.
Hij pakte haar bij de schouders en drukte zijn neus bijna in haar gezicht. Welk stom cadeau, waar heb je het over? Waar maak je je zo druk over?
Die stomme DVD. Die rot film. Ik had je gezegd dat ik die film niet wilde.
Die stomme DVD? Die is helemaal niet voor jou. Als je zo blijft brullen krijg je helemaal niks.
Ik hoef helemaal niks. Ik wil naar huis.
Je weet helemaal niet wat ik voor je gekocht heb. Je weet helemaal niet wat ik in de kelder heb staan.
Nu had hij haar aandacht. In de kelder? Hij had het cadeau in de kelder gezet. Maar waarom in de kelder? Was het dan zo groot dat het niet onder de boom kon?
Wat heb je in de kelder staan? vroeg ze opeens met zachte stem.
Dat zou jij wel willen weten, hè? Hij grijnsde bijna boosaardig. Luister. Je gaat nu met me mee. Je houdt op met schreeuwen. Ik wil het niet meer horen. Straks gaan we wat eten bij Mc Donalds en daarna breng ik je bij je moeder. Ik beloof je dat als zij je op tweede kerstdag bij mij brengt dat je een heel mooi cadeau krijgt. De film is voor je broertje. Die wou hem wèl graag hebben. Maar je mag hem niks zeggen. Beloof je dat?
Ze zweeg. Haar woede was gezakt. Toen de man een hand uit stak pakte ze hem vast. Samen liepen ze vanonder de overkapping de regen in. Toen ze langs me kwamen gaf de man me een vette knipoog.
Fijne feestdagen, riep ik hen beiden lachend na.
woensdag 21 december 2011
Ik wil geen neukbeer maar troetelbeer voor kerstmis.
Wat nu volgt is een stukje dat ik zo'n twee jaar geleden schreef voor mijn blogje "De bovenkamer".
Tegen mijn eigen verwachting in ben ik op dit moment hondsmoe. En heb daarom even geen puf om wat aan mijn blog te doen. Vandaar deze herhaling. Na morgen heb ik gelukkig twee weken vrij. En is er tijd om weer eens een heleboel leuke dingen te doen. Zoals schrijven aan dit blog.
De column van Wim de Jong uit de VK van 12 december 2009 vraagt toch wel om een reactie. Wim meent dat het hoog tijd wordt dat de Neukbeermonologen worden geschreven. Ik weet niet of hij deze taak zelf op zich gaat nemen of dat hij hoopt met zijn column anderen op ideeën te brengen. Ik citeer “Als je vanaf 2010 een beetje wil meetellen als interessante vent, dan bereid je een coming-out in de media voor als retroseksuele, geile neukbeer, met liefst ook een enigszins scabreuze voorkeur voor het damestype waar je ‘m graag en veel instopt.” Graag zou Wim het boegbeeld zijn van een nieuwe beweging, waarin de neukberen zich eventueel zouden kunnen verenigen. Een beweging bestaat immers uit een groep mensen die een fundamentele verandering nastreven.
Het moet afgelopen zijn met dat stiekeme en dubbelzinnige gedoe. Voortaan niet meer zigzaggend op je doel af koersen maar recht zo die gaat. Stoppen met smoesjes tegen je vriendin over partners die het niet leuk vinden als je al weer belt om te zeggen dat je moet overwerken. Gewoon bellen en zeggen Schat, ik moet nu even de koffiejuffrouw neuken. Het wordt een kwartiertje later vanavond.
Ik stel mij voor dat de beweging bestaat uit mannen die de wereld tot in detail vertellen over de vele keren dat zij hun bolide bij een ander in de garage parkeerden en daarbij naam en toenaam noemen. Het succesverhaal van Kluun wordt door Wim hierbij als voorbeeld opgevoerd.
Elke man is automatisch lid, tenzij hij heeft aangegeven gestemd te hebben op Jan Peter Balkenende als politicus van het jaar.
Ik ken Wim de Jong niet (Ik ben hem nog nooit tegen gekomen bij de hoeren) en weet niet helemaal zeker of hij achter zijn woorden staat. Want behalve dat hij een zekere sympathie lijkt te koesteren voor de vreemdganger, staat hij ook niet onwelgevallig tegenover de feeder.
Zoals bekend is dit iemand die zijn partner uit geilheid vet mest. Je kent vast wel die mooie plaatjes van vrouwen en mannen die alleen nog maar met behulp van een takelwagen een straatje om kunnen gaan en daarom maar in hun eigen vetrollen weggezonken op een enorm bed met droevige ogen zichzelf een kersenbonbonnetje van een zilveren schaaltje offreren, zoals de foto’s ons doen geloven.
Wim koketteert een beetje met het maatschappelijke succes van de geile man, die klinkende munt wil slaan uit de vele escapades, al dan niet in zijn fantasie, waarop hij zich beroept.
Ja Wim, wij mannen zijn neukberen. De troetelbeer heeft afgedaan.
Wij willen echte koffie en echte seks. Niet meer dat surrogaat waarmee wij het vaak moeten stellen. Wij willen de taart en niet de kruimels.
Tussen de verhalenverteller die vroeger van plaats naar plaats trok en zijn publiek wist te boeien met de laatste nieuwtjes en roddels uit de grote stad en de moderne media die om het hardst schreeuwen om onze aandacht te trekken, heeft zich een revolutie voltrokken.
Wat vroeger onder een steen verborgen bleef omdat het daar volgens de goedgemeente thuis hoorde, wordt er nu onder vandaan gehaald en door iedereen die meent een ontdekking te hebben gedaan, aan het daglicht bloot gesteld.
Hé, mannen gaan vreemd. Hé, vrouwen ook. En ze schamen zich er niet eens voor. Ze schrijven er openhartig over en verdienen daar een goed belegde boterham mee. Het zijn onze nieuwe helden. Vreemdgangers over de hele wereld: verenigt u. Bevrijd u van de boeien die u kluisteren. Een nieuwe tijd breekt aan. Paradise at last. De beweging van Wim zal deze wereld op zijn grondvesten doen schudden.
Nawoord 21 december 2011: We hebben nooit meer wat van Wim en zijn neukbeerbeweging gehoord. Jammer eigenlijk.
Tegen mijn eigen verwachting in ben ik op dit moment hondsmoe. En heb daarom even geen puf om wat aan mijn blog te doen. Vandaar deze herhaling. Na morgen heb ik gelukkig twee weken vrij. En is er tijd om weer eens een heleboel leuke dingen te doen. Zoals schrijven aan dit blog.
De column van Wim de Jong uit de VK van 12 december 2009 vraagt toch wel om een reactie. Wim meent dat het hoog tijd wordt dat de Neukbeermonologen worden geschreven. Ik weet niet of hij deze taak zelf op zich gaat nemen of dat hij hoopt met zijn column anderen op ideeën te brengen. Ik citeer “Als je vanaf 2010 een beetje wil meetellen als interessante vent, dan bereid je een coming-out in de media voor als retroseksuele, geile neukbeer, met liefst ook een enigszins scabreuze voorkeur voor het damestype waar je ‘m graag en veel instopt.” Graag zou Wim het boegbeeld zijn van een nieuwe beweging, waarin de neukberen zich eventueel zouden kunnen verenigen. Een beweging bestaat immers uit een groep mensen die een fundamentele verandering nastreven.
Het moet afgelopen zijn met dat stiekeme en dubbelzinnige gedoe. Voortaan niet meer zigzaggend op je doel af koersen maar recht zo die gaat. Stoppen met smoesjes tegen je vriendin over partners die het niet leuk vinden als je al weer belt om te zeggen dat je moet overwerken. Gewoon bellen en zeggen Schat, ik moet nu even de koffiejuffrouw neuken. Het wordt een kwartiertje later vanavond.
Ik stel mij voor dat de beweging bestaat uit mannen die de wereld tot in detail vertellen over de vele keren dat zij hun bolide bij een ander in de garage parkeerden en daarbij naam en toenaam noemen. Het succesverhaal van Kluun wordt door Wim hierbij als voorbeeld opgevoerd.
Elke man is automatisch lid, tenzij hij heeft aangegeven gestemd te hebben op Jan Peter Balkenende als politicus van het jaar.
Ik ken Wim de Jong niet (Ik ben hem nog nooit tegen gekomen bij de hoeren) en weet niet helemaal zeker of hij achter zijn woorden staat. Want behalve dat hij een zekere sympathie lijkt te koesteren voor de vreemdganger, staat hij ook niet onwelgevallig tegenover de feeder.
Zoals bekend is dit iemand die zijn partner uit geilheid vet mest. Je kent vast wel die mooie plaatjes van vrouwen en mannen die alleen nog maar met behulp van een takelwagen een straatje om kunnen gaan en daarom maar in hun eigen vetrollen weggezonken op een enorm bed met droevige ogen zichzelf een kersenbonbonnetje van een zilveren schaaltje offreren, zoals de foto’s ons doen geloven.
Wim koketteert een beetje met het maatschappelijke succes van de geile man, die klinkende munt wil slaan uit de vele escapades, al dan niet in zijn fantasie, waarop hij zich beroept.
Ja Wim, wij mannen zijn neukberen. De troetelbeer heeft afgedaan.
Wij willen echte koffie en echte seks. Niet meer dat surrogaat waarmee wij het vaak moeten stellen. Wij willen de taart en niet de kruimels.
Tussen de verhalenverteller die vroeger van plaats naar plaats trok en zijn publiek wist te boeien met de laatste nieuwtjes en roddels uit de grote stad en de moderne media die om het hardst schreeuwen om onze aandacht te trekken, heeft zich een revolutie voltrokken.
Wat vroeger onder een steen verborgen bleef omdat het daar volgens de goedgemeente thuis hoorde, wordt er nu onder vandaan gehaald en door iedereen die meent een ontdekking te hebben gedaan, aan het daglicht bloot gesteld.
Hé, mannen gaan vreemd. Hé, vrouwen ook. En ze schamen zich er niet eens voor. Ze schrijven er openhartig over en verdienen daar een goed belegde boterham mee. Het zijn onze nieuwe helden. Vreemdgangers over de hele wereld: verenigt u. Bevrijd u van de boeien die u kluisteren. Een nieuwe tijd breekt aan. Paradise at last. De beweging van Wim zal deze wereld op zijn grondvesten doen schudden.
Nawoord 21 december 2011: We hebben nooit meer wat van Wim en zijn neukbeerbeweging gehoord. Jammer eigenlijk.
zondag 18 december 2011
Eet smakelijk.
Hoewel ouder worden, dat een onvermijdelijk neveneffect is van blijven adem halen, vaak met vervelende defecten van het lichaam gepaard gaat, is het zeker niet allemaal komkommer en kwelgeest wat de pot schaft. Althans, dat vind ik.
Er staan nog steeds leuke maaltijden op het menu. De dagschotel is daar een duidelijk voorbeeld van.
Altijd een verrassing en meestal een ratjetoe van de restjes die er gisteren over bleven, maar zeker niet onsmakelijk en soms zelfs beter van smaak dan wat er toen op het menu stond.
Laat u zich niet misleiden door de wartaal die hier staat, want achter elk woord staat er nog een, behalve dan aan het end, want dan komt er niets meer. De laatste maaltijd is genuttigd, het heeft ons goed of minder goed gesmaakt, de rekening komt en wij moeten het veld ruimen voor nieuwe gasten.
De grote Chef-kok houdt van variatie en zet ons steeds een ander bordje voor. Soms is het niet te vreten, maar leeg eten zullen we het. Er is tenslotte niet voor niets gekookt. Gelukkig kunnen we vaak zelf kiezen, maar ieder natuurlijk naar zijn eigen portemonnee. Als je pech hebt krijg je een leeg bord.
Het leven kent vele gangen en niet alleen voorgerechten. Al denken wij daar in onze jeugd mogelijk anders over.
De hoofdmaaltijden zijn het moeilijkst te verteren, maar je kunt er ook langer van genieten. Tenzij er niets te genieten valt en dat komt ook voor. De Kok heeft immers niet altijd zijn dag.
Natuurlijk gaat het niet alleen om wat de pot ons schaft. Onze eigen trek bepaalt of wij sowieso al waarderen wat ons wordt voorgeschoteld. Daarnaast moet je sommige gerechten ook leren eten en dat vraagt geduld.
Het alleen maar eten van goedkoop en drekkig snackvoedsel heeft de smaakpapillen van velen helaas afgestompt. Zij waarderen de kroket en andere snelle hap, maar halen hun neus op voor het betere voedsel dat er ook op de kaart staat. Steeds weer opnieuw stouwen zij zich vol, overvreten zich en kennen geen maat. Een copieuze maaltijd slaan zij in één keer achterover en spoelen het weg met donker bier.
Zelf lust ik gelukkig zowel kroketten (bij voorkeur de kwekkeboom) als oesters (bij voorkeur die uit Belon), drink ik graag een glaasje water, maar van een champie ben ik ook niet afkerig, al drink ik dit maar een paar keer per jaar. Bijvoorbeeld als mijn partner een paar dagen weg is, op Buitenkunst in Drenthe als dit zo uitkomt en met de jaarwisseling. Eén van mijn goed voornemens is om volgend jaar wat vaker zo’n fles met bubbels open te trekken. Lekker snobjes. Of vulgair. Kiest u maar.
De charme van het ouder worden is de wetenschap dat straks het laatste menu uit je handen wordt gerukt en men nog één keer met de dessertkaart komt. Want aan het eind van elke goede maaltijd vind ik dat er een dessert hoort. En zoals ik al zei, hierna komt de rekening.
Tot nu toe heb ik niet over de Chef-kok te klagen gehad. De man verstaat zijn vak. De laatste tijd zijn de maaltijden die ik te verstouwen krijgt wel wat te groot naar mijn smaak. Met de jaren neemt de honger af en de trek immers toe. Als ik soms mijn ogen sluit en mij al dat lekkers voor de geest roep loopt het water in mijn mond. Maar als mijn maag te vol is heb ik weinig trek.
Naast het vaker drinken van champagne in crisistijd neem ik mij daarom voor om wat minder te eten en om de Kok te vragen mijn maaltijden minder groot te maken. Het gaat tenslotte om kwaliteit en niet om kwantiteit in dit leven, al heb ik daar beslist wel eens anders over gedacht.
Wat hij niet op mijn bord doet kan hij dan misschien op het bord van een ander doen.
Eerlijk gezegd zijn mijn smaakpapillen ook niet meer wat ze zijn geweest. Te vaak heb ik zitten schrokken zonder te proeven wat het was. Maar daar komt verandering in. Dat beloof ik.
Aan het eind, voordat de rekening komt, wil ik de Chef bedanken en zal ik hem zeggen dat ik iedereen dit restaurant kan aanbevelen. In mijn geval is een compliment wel op zijn plaats.
Nu maar hopen dat de andere gasten het restaurant niet in de fik zullen steken, want niet iedereen is zo tevreden als ik.
Er staan nog steeds leuke maaltijden op het menu. De dagschotel is daar een duidelijk voorbeeld van.
Altijd een verrassing en meestal een ratjetoe van de restjes die er gisteren over bleven, maar zeker niet onsmakelijk en soms zelfs beter van smaak dan wat er toen op het menu stond.
Laat u zich niet misleiden door de wartaal die hier staat, want achter elk woord staat er nog een, behalve dan aan het end, want dan komt er niets meer. De laatste maaltijd is genuttigd, het heeft ons goed of minder goed gesmaakt, de rekening komt en wij moeten het veld ruimen voor nieuwe gasten.
De grote Chef-kok houdt van variatie en zet ons steeds een ander bordje voor. Soms is het niet te vreten, maar leeg eten zullen we het. Er is tenslotte niet voor niets gekookt. Gelukkig kunnen we vaak zelf kiezen, maar ieder natuurlijk naar zijn eigen portemonnee. Als je pech hebt krijg je een leeg bord.
Het leven kent vele gangen en niet alleen voorgerechten. Al denken wij daar in onze jeugd mogelijk anders over.
De hoofdmaaltijden zijn het moeilijkst te verteren, maar je kunt er ook langer van genieten. Tenzij er niets te genieten valt en dat komt ook voor. De Kok heeft immers niet altijd zijn dag.
Natuurlijk gaat het niet alleen om wat de pot ons schaft. Onze eigen trek bepaalt of wij sowieso al waarderen wat ons wordt voorgeschoteld. Daarnaast moet je sommige gerechten ook leren eten en dat vraagt geduld.
Het alleen maar eten van goedkoop en drekkig snackvoedsel heeft de smaakpapillen van velen helaas afgestompt. Zij waarderen de kroket en andere snelle hap, maar halen hun neus op voor het betere voedsel dat er ook op de kaart staat. Steeds weer opnieuw stouwen zij zich vol, overvreten zich en kennen geen maat. Een copieuze maaltijd slaan zij in één keer achterover en spoelen het weg met donker bier.
Zelf lust ik gelukkig zowel kroketten (bij voorkeur de kwekkeboom) als oesters (bij voorkeur die uit Belon), drink ik graag een glaasje water, maar van een champie ben ik ook niet afkerig, al drink ik dit maar een paar keer per jaar. Bijvoorbeeld als mijn partner een paar dagen weg is, op Buitenkunst in Drenthe als dit zo uitkomt en met de jaarwisseling. Eén van mijn goed voornemens is om volgend jaar wat vaker zo’n fles met bubbels open te trekken. Lekker snobjes. Of vulgair. Kiest u maar.
De charme van het ouder worden is de wetenschap dat straks het laatste menu uit je handen wordt gerukt en men nog één keer met de dessertkaart komt. Want aan het eind van elke goede maaltijd vind ik dat er een dessert hoort. En zoals ik al zei, hierna komt de rekening.
Tot nu toe heb ik niet over de Chef-kok te klagen gehad. De man verstaat zijn vak. De laatste tijd zijn de maaltijden die ik te verstouwen krijgt wel wat te groot naar mijn smaak. Met de jaren neemt de honger af en de trek immers toe. Als ik soms mijn ogen sluit en mij al dat lekkers voor de geest roep loopt het water in mijn mond. Maar als mijn maag te vol is heb ik weinig trek.
Naast het vaker drinken van champagne in crisistijd neem ik mij daarom voor om wat minder te eten en om de Kok te vragen mijn maaltijden minder groot te maken. Het gaat tenslotte om kwaliteit en niet om kwantiteit in dit leven, al heb ik daar beslist wel eens anders over gedacht.
Wat hij niet op mijn bord doet kan hij dan misschien op het bord van een ander doen.
Eerlijk gezegd zijn mijn smaakpapillen ook niet meer wat ze zijn geweest. Te vaak heb ik zitten schrokken zonder te proeven wat het was. Maar daar komt verandering in. Dat beloof ik.
Aan het eind, voordat de rekening komt, wil ik de Chef bedanken en zal ik hem zeggen dat ik iedereen dit restaurant kan aanbevelen. In mijn geval is een compliment wel op zijn plaats.
Nu maar hopen dat de andere gasten het restaurant niet in de fik zullen steken, want niet iedereen is zo tevreden als ik.
zaterdag 17 december 2011
Nogmaals de kerstboom.
Gelukkig is er tenminste één in huis die het leuk vindt om de kerstboom op te tuigen.
Nee, dat ben ik niet. Dat mag je van mij niet verwachten. Ik denk wel vaak aan God als ik het ding van de vliering haal en weer eens mijn knie of hoofd stoot wanneer ik tussen de tenten en koffers een doos met ballen of andere kerstversiering vandaan vis. Maar dan op de wijze waar de bond tegen het vloeken zo fel tegen gekant is.
Ik zet de boom ook nog in elkaar en maak meestal een beginnetje met het bevestigen van de lampjes. Als ik dan bemerk dat Paula jeukende vingers krijgt omdat ik dat toch weer net even anders doe dan zij graag ziet, ruim ik zonder morren het veld, zodat zij zich verder op het groene plastic monster kan uitleven. Teamwork heet zoiets.
Dit jaar wilde ik haar ontzien. Nog geen week geleden heeft ze immers met haar fiets een doodssmak gemaakt en ze zit nog steeds onder de blauwe plekken. Maar het is een taaie, zoals de meeste vrouwen. En omdat ik zag dat ze bijna begon te kwijlen toen ik licht morrend en met een donkere blik begonnen was aan het karwei waar zo menig huisgezin de gezelligheid mee in huis tracht te halen, bedacht ik mij geen ogenblik en maakte plaats voor haar. Zo’n bal maakt het niet uit wie hem ophangt.
Denk nou niet gelijk dat ik de gezelligheid in huis niet waardeer. Met veel plezier kan ik naar de boom kijken, die goed tot zijn recht komt in onze ruime huiskamer, zoals je op bijgevoegde foto zien kunt. Het heeft wel iets genoeglijks. Als het echter na zo’n week of drie tijd is om alles weer op te ruimen is dat zonder spijt en besef ik des te beter dat we de feestdagen weer achter de rug hebben.
Het had allemaal erger gekund. Heel de Kerst had erger gekund. Nee, ik denk nu niet aan die arme daklozen die straks weer bij het leger des Heils uit de ruif van de barmhartigheid mogen vreten, terwijl een fotograaf dit gebeuren vereeuwigt zodat heel Nederland de volgende dag kan zien dat wij een gastvrij volkje zijn. Of die sloebers te beklagen zijn vind ik moeilijk te beoordelen. Als ik nu een dakloze was geweest zou ik naar het zuiden getrokken zijn, samen met de trekvogels.
En ik heb recht van spreken want ik was weliswaar pas twintig en recht van lijf en leden toen ik als dakloze naar Israël vertrok, maar ik zie zoiets niet als een zaak van leeftijd maar van mentaliteit. Al moet je natuurlijk niet al te krakkemikkig zijn.
Als ik denk aan een vreselijke Kerst dan zie ik een groot huis voor me met een boom van drie meter hoog. Iedereen in zijn netste kleren, opgefokt glimlachend naar elkaar en een vrome smoel trekkend boven de kribbe in de hoek, die zo liefdevol door de kinderen in elkaar is gezet.
Ik denk aan een grote vette kalkoen, kerstliedjes uit de speakers, het zalvende gekwezel voordat de dode vogel wordt aangesneden en straks als verrassing met z’n allen kijken naar een mooie kerstfilm op het megascherm, met de happers en snappers in bakjes op tafel. Aan zelfgenoegzaam gevoerde conversatie waarin we ons gelukkig prijzen dat wij het zoveel beter hebben dan al die arme stakkers die het niet zo goed maatschappelijk hebben gemaakt. Kortom een kerstfeest uit de modebladen. Yughh. Wat zielig.
Paula gaat met de Kerst weer eens een maaltijd uitproberen. Zoals ik al eerder liet weten moeten we afwachten wat het worden gaat en of het smaken zal. Ik heb er vertrouwen in. Het lijkt me heel leuk als straks de kinderen met hun aanhang en mijn kleinkind op eerste kerstdag langs komen. Het zijn allemaal heel fijne mensen. Lekker ongedwongen en vooral geen kapsones. En net als vorige jaar zal het waarschijnlijk heel gezellig zijn. Voorlopig heeft de crisis nog niet bij ons op de deur geklopt.
Nee, dat ben ik niet. Dat mag je van mij niet verwachten. Ik denk wel vaak aan God als ik het ding van de vliering haal en weer eens mijn knie of hoofd stoot wanneer ik tussen de tenten en koffers een doos met ballen of andere kerstversiering vandaan vis. Maar dan op de wijze waar de bond tegen het vloeken zo fel tegen gekant is.
Ik zet de boom ook nog in elkaar en maak meestal een beginnetje met het bevestigen van de lampjes. Als ik dan bemerk dat Paula jeukende vingers krijgt omdat ik dat toch weer net even anders doe dan zij graag ziet, ruim ik zonder morren het veld, zodat zij zich verder op het groene plastic monster kan uitleven. Teamwork heet zoiets.
Dit jaar wilde ik haar ontzien. Nog geen week geleden heeft ze immers met haar fiets een doodssmak gemaakt en ze zit nog steeds onder de blauwe plekken. Maar het is een taaie, zoals de meeste vrouwen. En omdat ik zag dat ze bijna begon te kwijlen toen ik licht morrend en met een donkere blik begonnen was aan het karwei waar zo menig huisgezin de gezelligheid mee in huis tracht te halen, bedacht ik mij geen ogenblik en maakte plaats voor haar. Zo’n bal maakt het niet uit wie hem ophangt.
Denk nou niet gelijk dat ik de gezelligheid in huis niet waardeer. Met veel plezier kan ik naar de boom kijken, die goed tot zijn recht komt in onze ruime huiskamer, zoals je op bijgevoegde foto zien kunt. Het heeft wel iets genoeglijks. Als het echter na zo’n week of drie tijd is om alles weer op te ruimen is dat zonder spijt en besef ik des te beter dat we de feestdagen weer achter de rug hebben.
Het had allemaal erger gekund. Heel de Kerst had erger gekund. Nee, ik denk nu niet aan die arme daklozen die straks weer bij het leger des Heils uit de ruif van de barmhartigheid mogen vreten, terwijl een fotograaf dit gebeuren vereeuwigt zodat heel Nederland de volgende dag kan zien dat wij een gastvrij volkje zijn. Of die sloebers te beklagen zijn vind ik moeilijk te beoordelen. Als ik nu een dakloze was geweest zou ik naar het zuiden getrokken zijn, samen met de trekvogels.
En ik heb recht van spreken want ik was weliswaar pas twintig en recht van lijf en leden toen ik als dakloze naar Israël vertrok, maar ik zie zoiets niet als een zaak van leeftijd maar van mentaliteit. Al moet je natuurlijk niet al te krakkemikkig zijn.
Als ik denk aan een vreselijke Kerst dan zie ik een groot huis voor me met een boom van drie meter hoog. Iedereen in zijn netste kleren, opgefokt glimlachend naar elkaar en een vrome smoel trekkend boven de kribbe in de hoek, die zo liefdevol door de kinderen in elkaar is gezet.
Ik denk aan een grote vette kalkoen, kerstliedjes uit de speakers, het zalvende gekwezel voordat de dode vogel wordt aangesneden en straks als verrassing met z’n allen kijken naar een mooie kerstfilm op het megascherm, met de happers en snappers in bakjes op tafel. Aan zelfgenoegzaam gevoerde conversatie waarin we ons gelukkig prijzen dat wij het zoveel beter hebben dan al die arme stakkers die het niet zo goed maatschappelijk hebben gemaakt. Kortom een kerstfeest uit de modebladen. Yughh. Wat zielig.
Paula gaat met de Kerst weer eens een maaltijd uitproberen. Zoals ik al eerder liet weten moeten we afwachten wat het worden gaat en of het smaken zal. Ik heb er vertrouwen in. Het lijkt me heel leuk als straks de kinderen met hun aanhang en mijn kleinkind op eerste kerstdag langs komen. Het zijn allemaal heel fijne mensen. Lekker ongedwongen en vooral geen kapsones. En net als vorige jaar zal het waarschijnlijk heel gezellig zijn. Voorlopig heeft de crisis nog niet bij ons op de deur geklopt.
dinsdag 13 december 2011
Kerstboom
Je zult het niet geloven maar we hebben een kunstboom aangeschaft.
Een kunstboom? Meid, meen je dat nou?
Ja, Kees zei dat hij geen zin meer had in al die naalden. Hij werd er gek van.
Meid. Ik kan het niet geloven. Je zei dat je altijd tegen een kunstboom was.
Was ik ook. Maar nu hij er staat vind ik hem hartstikke mooi.
Dat is toch ongezellig, zo’n kunstboom.
Welnee. Hij lijkt wel echt. Je moet er bovenop staan en dan nog kun je het verschil niet zien.
Maar zo’n plastic boom leeft toch niet. Die kun je toch niet ruiken? Die naalden horen er gewoon bij.
Kees had er geen zin meer in. En zelf ga ik zo’n boom niet kopen. Weet je wel hoe duur die zijn, die echte bomen?
Natuurlijk weet ik dat. Maar je koopt hem toch maar één keer per jaar. En zo’n kunstboom is veel duurder. Hoeveel heb je er eigenlijk voor betaald?
Honderdvijftig euro.
Honderdvijftig euro? Wat een geld. Dan zaten de ballen er zeker al in?
Zo’n boom gaat jaren mee. Die heb je er zo weer uit. En het is goed voor het milieu.
Goed voor het milieu? Zo’n plastic boom. Meid, ga toch weg.
Ja echt. Dat zei die man ook. Het is goed voor het milieu. Niet meteen, maar als je hem een paar jaar hebt. Zes jaar zei hij. En zo’n boom gaat veel langer mee.
Goed voor het milieu… Sinds wanneer geef jij om het milieu?
En je hebt hem zo opgetuigd. Kees is er een half uur mee bezig geweest. Vorig jaar was je eerst twee uur kwijt met het kopen van zo’n ding. Dan moest Kees hem altijd bij zagen anders kon je er geen piek op zetten. Weet je nog dat die bak waarin hij stond is gaan lekken? Dat heb ik je toen verteld.
Ja, maar wat geeft dat nou meid. Even een dweiltje er over en het is weer schoon.
Ja, maar nu heb ik andere vloerbedekking. Als hij nou zou gaan lekken dan wordt het een zooitje.
Dat is wel zo. Maar ik vind het toch vreemd. Vorig jaar zei je nog dat zo’n boom best wel gezellig was. Wat vinden de kinderen er van?
Oh, die? Die hebben niets te vinden. Die hebben hun eigen huishouden. Dit jaar komen ze weer niet.
Ach…is Ria, zo heet je dochter toch? Is Ria nog steeds boos?
Ze zegt van niet. Ze gaan samen weer naar de wintersport. Henk zegt dat hij het skiën niet kan missen.
Dus Kees en jij zijn dan alleen thuis met z’n tweeën? Gôh, wat sneu. Weet je, dan komen jij en Kees lekker bij ons. Wij hebben nog een echte boom.
Een kunstboom? Meid, meen je dat nou?
Ja, Kees zei dat hij geen zin meer had in al die naalden. Hij werd er gek van.
Meid. Ik kan het niet geloven. Je zei dat je altijd tegen een kunstboom was.
Was ik ook. Maar nu hij er staat vind ik hem hartstikke mooi.
Dat is toch ongezellig, zo’n kunstboom.
Welnee. Hij lijkt wel echt. Je moet er bovenop staan en dan nog kun je het verschil niet zien.
Maar zo’n plastic boom leeft toch niet. Die kun je toch niet ruiken? Die naalden horen er gewoon bij.
Kees had er geen zin meer in. En zelf ga ik zo’n boom niet kopen. Weet je wel hoe duur die zijn, die echte bomen?
Natuurlijk weet ik dat. Maar je koopt hem toch maar één keer per jaar. En zo’n kunstboom is veel duurder. Hoeveel heb je er eigenlijk voor betaald?
Honderdvijftig euro.
Honderdvijftig euro? Wat een geld. Dan zaten de ballen er zeker al in?
Zo’n boom gaat jaren mee. Die heb je er zo weer uit. En het is goed voor het milieu.
Goed voor het milieu? Zo’n plastic boom. Meid, ga toch weg.
Ja echt. Dat zei die man ook. Het is goed voor het milieu. Niet meteen, maar als je hem een paar jaar hebt. Zes jaar zei hij. En zo’n boom gaat veel langer mee.
Goed voor het milieu… Sinds wanneer geef jij om het milieu?
En je hebt hem zo opgetuigd. Kees is er een half uur mee bezig geweest. Vorig jaar was je eerst twee uur kwijt met het kopen van zo’n ding. Dan moest Kees hem altijd bij zagen anders kon je er geen piek op zetten. Weet je nog dat die bak waarin hij stond is gaan lekken? Dat heb ik je toen verteld.
Ja, maar wat geeft dat nou meid. Even een dweiltje er over en het is weer schoon.
Ja, maar nu heb ik andere vloerbedekking. Als hij nou zou gaan lekken dan wordt het een zooitje.
Dat is wel zo. Maar ik vind het toch vreemd. Vorig jaar zei je nog dat zo’n boom best wel gezellig was. Wat vinden de kinderen er van?
Oh, die? Die hebben niets te vinden. Die hebben hun eigen huishouden. Dit jaar komen ze weer niet.
Ach…is Ria, zo heet je dochter toch? Is Ria nog steeds boos?
Ze zegt van niet. Ze gaan samen weer naar de wintersport. Henk zegt dat hij het skiën niet kan missen.
Dus Kees en jij zijn dan alleen thuis met z’n tweeën? Gôh, wat sneu. Weet je, dan komen jij en Kees lekker bij ons. Wij hebben nog een echte boom.
dinsdag 6 december 2011
Lekker eten.
Sommige mensen hebben ongekend veel geluk. Ik dus. Want Paula heeft er naast het naaien, wat zij zeker niet onverdienstelijk doet, sinds kort een nieuwe hobby bij: koken.
Denk nu niet dat ze dat vroeger nooit deed. Toegegeven, een keukenprinses is het nooit geweest al kon ze af en toe heel leuk uit de hoek komen.
Ik denk dan vooral aan haar soepen en bouillonnetjes. Haar welgevulde kippensoep bijvoorbeeld. Gemaakt van twee stevige dijen van een scharrelkip. En haar runderbouillon, die met wat verse groente werd omgetoverd in een verrukkelijke en stevige groentesoep.
Andere gerechten waarmee zij mij een tongstrelende sensatie bezorgde willen me nu even niet te binnen schieten. Dat zal je nu altijd zien als je op zoek bent naar sprekende voorbeelden.
En ik besef dat ik met mijn verhaal over in partjes gesneden jonge spruitjes uit de wok niemand echt overtuig.
Tegenwoordig is het echter bijna elke dag raak en soms met verrassende resultaten.
Vanavond was bijna driekwart van wat ze op tafel had gezet bijzonder lekker. Zeker, de salade was volkomen mislukt. Na twee happen heb ik er dan ook voor bedankt. Eerst dacht ik nog dat ik mij vergiste. Zoiets smerig kon het toch niet zijn? Wat een gore troep was dat.
De ranzige olie die ze gebruikt had was in alle fijne ingrediënten doorgedrongen en even kreeg ik visioenen van een tijd dat men nog alles at, zonder eigenlijk te weten of het eetbaar was. Een tijd waarin een gemiddelde aardbewoner niet ouder werd dan veertig jaar. Stomweg omdat hij het loodje legde na het eten van zijn laatste maaltijd, dat dan teven zijn galgenmaal geworden was.
Nee, al zou ze de hele dag in de keuken hebben gestaan en het smaakt me niet dan zal ik dat zeggen.
Ik schuif dan met een vies gezicht mijn bord naar voren en zeg: Getverdegetver, wat is dat smerig.
Ik zou mezelf geen lastige eter willen noemen. Maar als ik het vies vind eet ik het niet op.
Ook al hebben de arme kindertjes in Afrika nog zo’n honger.
Heeft zij echter lekker gekookt dan zal ik haar de hemel in prijzen. En zij weet dat ik mijn complimenten dan ook echt meen.
Elke man waardeert het dat, als hij na een dag hard werken thuis komt, er iemand in de keuken staat en zijn neus wordt geprikkeld met de geur van vers gekookt eten.
In mijn geval was mijn neus al verwend tijdens het kleine stukje lopen van de tramhalte naar huis, want het leek of iedereen in de keuken stond. Wat best wel eens zou kunnen want het was tegen etenstijd.
Toen ik thuis kwam stonden er zowaar twee vrouwen te koken. Hier zal ik niet verder over uitweiden.
Mij werd gevraagd om nog maar even naar boven te gaan, want aan een pottenkijker bestond geen behoefte. Dus pakte ik een Duveltje en trok me discreet terug.
Zo’n half uur later kon ik aanschuiven. Ik schonk de dames en mezelf een glas rode wijn in, al voelde ik mij reeds een beetje licht in het hoofd van dat ene Duveltje.
De wijn, een fruitige Mâcon uit 2009, viel gelukkig goed. Ik denk dat ik straks nog maar een glaasje in schenk.
Ja, nu kan ik uitgebreid gaan vertellen wat ik allemaal gegeten heb. Maar wie is daar nu in geïnteresseerd? Ik beperk me daarom tot de overheerlijke borsjt, waarvan ik hier de ingrediënten op zal noemen:
- Bieten
- Wortel
- Ui
- Knoflook
- Kruidenboeket
- Groentebouillon
- Citroensap
- Zout en peper
- Zure room
Vraag me niet om hoeveelheden of het allemaal moet worden klaar gemaakt. Van ons kokkie heb ik inmiddels begrepen dat ze dat zelf ook niet meer weet. Letterlijk zei ze “Ik doe maar wat.”
Lekkerder dan vandaag zal ze het zeker niet kunnen maken. Ja, ik ben een bofkont met zo'n kokkie. Al blijft het altijd spannend wat er op tafel wordt gezet.
Denk nu niet dat ze dat vroeger nooit deed. Toegegeven, een keukenprinses is het nooit geweest al kon ze af en toe heel leuk uit de hoek komen.
Ik denk dan vooral aan haar soepen en bouillonnetjes. Haar welgevulde kippensoep bijvoorbeeld. Gemaakt van twee stevige dijen van een scharrelkip. En haar runderbouillon, die met wat verse groente werd omgetoverd in een verrukkelijke en stevige groentesoep.
Andere gerechten waarmee zij mij een tongstrelende sensatie bezorgde willen me nu even niet te binnen schieten. Dat zal je nu altijd zien als je op zoek bent naar sprekende voorbeelden.
En ik besef dat ik met mijn verhaal over in partjes gesneden jonge spruitjes uit de wok niemand echt overtuig.
Tegenwoordig is het echter bijna elke dag raak en soms met verrassende resultaten.
Vanavond was bijna driekwart van wat ze op tafel had gezet bijzonder lekker. Zeker, de salade was volkomen mislukt. Na twee happen heb ik er dan ook voor bedankt. Eerst dacht ik nog dat ik mij vergiste. Zoiets smerig kon het toch niet zijn? Wat een gore troep was dat.
De ranzige olie die ze gebruikt had was in alle fijne ingrediënten doorgedrongen en even kreeg ik visioenen van een tijd dat men nog alles at, zonder eigenlijk te weten of het eetbaar was. Een tijd waarin een gemiddelde aardbewoner niet ouder werd dan veertig jaar. Stomweg omdat hij het loodje legde na het eten van zijn laatste maaltijd, dat dan teven zijn galgenmaal geworden was.
Nee, al zou ze de hele dag in de keuken hebben gestaan en het smaakt me niet dan zal ik dat zeggen.
Ik schuif dan met een vies gezicht mijn bord naar voren en zeg: Getverdegetver, wat is dat smerig.
Ik zou mezelf geen lastige eter willen noemen. Maar als ik het vies vind eet ik het niet op.
Ook al hebben de arme kindertjes in Afrika nog zo’n honger.
Heeft zij echter lekker gekookt dan zal ik haar de hemel in prijzen. En zij weet dat ik mijn complimenten dan ook echt meen.
Elke man waardeert het dat, als hij na een dag hard werken thuis komt, er iemand in de keuken staat en zijn neus wordt geprikkeld met de geur van vers gekookt eten.
In mijn geval was mijn neus al verwend tijdens het kleine stukje lopen van de tramhalte naar huis, want het leek of iedereen in de keuken stond. Wat best wel eens zou kunnen want het was tegen etenstijd.
Toen ik thuis kwam stonden er zowaar twee vrouwen te koken. Hier zal ik niet verder over uitweiden.
Mij werd gevraagd om nog maar even naar boven te gaan, want aan een pottenkijker bestond geen behoefte. Dus pakte ik een Duveltje en trok me discreet terug.
Zo’n half uur later kon ik aanschuiven. Ik schonk de dames en mezelf een glas rode wijn in, al voelde ik mij reeds een beetje licht in het hoofd van dat ene Duveltje.
De wijn, een fruitige Mâcon uit 2009, viel gelukkig goed. Ik denk dat ik straks nog maar een glaasje in schenk.
Ja, nu kan ik uitgebreid gaan vertellen wat ik allemaal gegeten heb. Maar wie is daar nu in geïnteresseerd? Ik beperk me daarom tot de overheerlijke borsjt, waarvan ik hier de ingrediënten op zal noemen:
- Bieten
- Wortel
- Ui
- Knoflook
- Kruidenboeket
- Groentebouillon
- Citroensap
- Zout en peper
- Zure room
Vraag me niet om hoeveelheden of het allemaal moet worden klaar gemaakt. Van ons kokkie heb ik inmiddels begrepen dat ze dat zelf ook niet meer weet. Letterlijk zei ze “Ik doe maar wat.”
Lekkerder dan vandaag zal ze het zeker niet kunnen maken. Ja, ik ben een bofkont met zo'n kokkie. Al blijft het altijd spannend wat er op tafel wordt gezet.
zaterdag 3 december 2011
Geloof
In de ogen van religieuze mensen ben ik net zo betrouwbaar als een verkrachter.
Dat blijkt uit een studie in Canada, waar aan 770 religieuze Amerikanen en Canadezen om beschrijvingen gevraagd werd van onbetrouwbare personen.
Atheïsten, waarvan er op aarde van de 7 miljard slechts zo’n 500 miljoen zouden zijn, scoorden volgens onderzoeker Ara Norenzayan behoorlijk hoog op onbetrouwbaarheid.
Na het lezen van dit toch wel schokkende nieuws is mijn hele avond verpest.
Ik geef toe dat ik mij in mijn gedrag niet door Gods woord leiden laat. Dat ik niet het geloof maar mijn verstand gebruik om in het doolhof dat leven heet met wisselend resultaat mijn weg te zoeken. Ik wil toegeven dat dit verstand altijd minder onfeilbaar is dan het geloof, want je kunt immers in alles geloven. Dit in tegenstelling tot het weten, want je kunt niet alles weten en wat je denkt te weten kan ook nog eens onjuist blijken te zijn. Maar geloof kent geen grenzen en dat zou een verklaring kunnen zijn dat er zoveel meer gelovigen zijn dat niet-gelovigen.
Ik zal niet ontkennen dat ik mij zelf tot dwaallicht ben in de schemering en duisternis. Dat ik het risico neem dat ik straks voor eeuwig en nog veel langer zal branden boven een laag vuurtje tot ik lekker knapperig ben, waarna ik een nieuwe huid krijg en de barbecue opnieuw begint. En na dit grapje zullen er nog wel een paar jaren bij komen of wordt het vuurtje wat hoger opgestookt.
Ik wil nog veel meer toegeven als mij daarom vraagt. Vraag daarom maar niets. Ik ben al te openhartig geweest.
Zouden de gelovigen, als men door had gevraagd, ook nog iets aardigs over de atheïsten hebben gezegd?
Voor mijn gelovige medemens, die zijn kracht ontleent aan een handboek voor pech onderweg waarin staat hoe men moet leven, opdat men aan het eind hiervan zijn niet geringe beloning op kan strijken, bestaat er geen twijfel dat wat zij geloven juist is. En mocht de pech onderweg zo dramatisch zijn dat er desondanks toch twijfel ontstaat, dan biedt het zelfde handboek troost. En een duidelijke en eenvoudige weg uit de ellende: Geloof.
Maar ik als atheïst, die vaak twijfelt en het soms ook niet meer weet (Deze aarde gaat immers naar de kloten, we maken er met z’n allen een potje van en vullen de dagen van ons leven met trivialiteiten terwijl we weten dat de afgrond steeds dichter bij komt) waar kan ìk troost vinden?
Wat heb ik anders dan slechts mijn krakkemikkige botten, bekleed met wat schamel vlees en het vooruitzicht dat de aarde straks mij terug eist?
Geloof ik dan helemaal niet? Het kan toch niet zo zijn dat ik helemaal nergens in geloof? Is er dan slechts duisternis in mijn hart? Sta ik hierin helemaal eenzaam en alleen?
Bij nader inzien valt het gelukkig wel mee. 500 miljoen atheïsten. Menig religieuze beweging mocht willen dat zij zoveel gelovigen had. Ik sta niet alleen. Er is gelukkig hoop. Oh ja, en geloof en liefde.
Sam en Moos hadden het tijdens hun leven vaak met elkaar over de hemel. Ze beloofden elkaar dat degene die het eerste dood zou gaan met de ander contact op zou nemen om hem te vertellen hoe de hemel was.
Moos stierf als eerste. Een jaar later kreeg Sam een telefoontje. Het was Moos. Sam vroeg opgewonden hoe het daar was.
“Geweldig”, antwoorde Moos. “Je zou het bijna niet geloven. We beginnen de dag met uitslapen, hebben een verrukkelijk ontbijt van de lekkerste groente die je je maar kunt voorstellen, en de rest van de ochtend bedrijven we de liefde. Dan is er ’s middags een heerlijke lunch, waarna we opnieuw de liefde bedrijven. ’s Avonds is er weer een erg lekkere maaltijd en daarna bedrijven we opnieuw de liefde totdat we moe zijn en gaan slapen.”
Sam is laaiend enthousiast. “Prachtig”, roept hij. “De hemel lijkt me een fantastische plek.”
“De hemel?” zegt Moos. “Ik ben een konijn op de Veluwe.”
Dat blijkt uit een studie in Canada, waar aan 770 religieuze Amerikanen en Canadezen om beschrijvingen gevraagd werd van onbetrouwbare personen.
Atheïsten, waarvan er op aarde van de 7 miljard slechts zo’n 500 miljoen zouden zijn, scoorden volgens onderzoeker Ara Norenzayan behoorlijk hoog op onbetrouwbaarheid.
Na het lezen van dit toch wel schokkende nieuws is mijn hele avond verpest.
Ik geef toe dat ik mij in mijn gedrag niet door Gods woord leiden laat. Dat ik niet het geloof maar mijn verstand gebruik om in het doolhof dat leven heet met wisselend resultaat mijn weg te zoeken. Ik wil toegeven dat dit verstand altijd minder onfeilbaar is dan het geloof, want je kunt immers in alles geloven. Dit in tegenstelling tot het weten, want je kunt niet alles weten en wat je denkt te weten kan ook nog eens onjuist blijken te zijn. Maar geloof kent geen grenzen en dat zou een verklaring kunnen zijn dat er zoveel meer gelovigen zijn dat niet-gelovigen.
Ik zal niet ontkennen dat ik mij zelf tot dwaallicht ben in de schemering en duisternis. Dat ik het risico neem dat ik straks voor eeuwig en nog veel langer zal branden boven een laag vuurtje tot ik lekker knapperig ben, waarna ik een nieuwe huid krijg en de barbecue opnieuw begint. En na dit grapje zullen er nog wel een paar jaren bij komen of wordt het vuurtje wat hoger opgestookt.
Ik wil nog veel meer toegeven als mij daarom vraagt. Vraag daarom maar niets. Ik ben al te openhartig geweest.
Zouden de gelovigen, als men door had gevraagd, ook nog iets aardigs over de atheïsten hebben gezegd?
Voor mijn gelovige medemens, die zijn kracht ontleent aan een handboek voor pech onderweg waarin staat hoe men moet leven, opdat men aan het eind hiervan zijn niet geringe beloning op kan strijken, bestaat er geen twijfel dat wat zij geloven juist is. En mocht de pech onderweg zo dramatisch zijn dat er desondanks toch twijfel ontstaat, dan biedt het zelfde handboek troost. En een duidelijke en eenvoudige weg uit de ellende: Geloof.
Maar ik als atheïst, die vaak twijfelt en het soms ook niet meer weet (Deze aarde gaat immers naar de kloten, we maken er met z’n allen een potje van en vullen de dagen van ons leven met trivialiteiten terwijl we weten dat de afgrond steeds dichter bij komt) waar kan ìk troost vinden?
Wat heb ik anders dan slechts mijn krakkemikkige botten, bekleed met wat schamel vlees en het vooruitzicht dat de aarde straks mij terug eist?
Geloof ik dan helemaal niet? Het kan toch niet zo zijn dat ik helemaal nergens in geloof? Is er dan slechts duisternis in mijn hart? Sta ik hierin helemaal eenzaam en alleen?
Bij nader inzien valt het gelukkig wel mee. 500 miljoen atheïsten. Menig religieuze beweging mocht willen dat zij zoveel gelovigen had. Ik sta niet alleen. Er is gelukkig hoop. Oh ja, en geloof en liefde.
Sam en Moos hadden het tijdens hun leven vaak met elkaar over de hemel. Ze beloofden elkaar dat degene die het eerste dood zou gaan met de ander contact op zou nemen om hem te vertellen hoe de hemel was.
Moos stierf als eerste. Een jaar later kreeg Sam een telefoontje. Het was Moos. Sam vroeg opgewonden hoe het daar was.
“Geweldig”, antwoorde Moos. “Je zou het bijna niet geloven. We beginnen de dag met uitslapen, hebben een verrukkelijk ontbijt van de lekkerste groente die je je maar kunt voorstellen, en de rest van de ochtend bedrijven we de liefde. Dan is er ’s middags een heerlijke lunch, waarna we opnieuw de liefde bedrijven. ’s Avonds is er weer een erg lekkere maaltijd en daarna bedrijven we opnieuw de liefde totdat we moe zijn en gaan slapen.”
Sam is laaiend enthousiast. “Prachtig”, roept hij. “De hemel lijkt me een fantastische plek.”
“De hemel?” zegt Moos. “Ik ben een konijn op de Veluwe.”
dinsdag 29 november 2011
Om in de sfeer te blijven
December staat op de stoep. Een dure tijd, maar ook een van gezelligheid. Als je tenminste de winkeliers moet geloven. Maar deze zijn niet geheel onpartijdig.
Gehersenspoeld door het een idee dat dit een maand is waarin het gezin bij elkaar moet zijn, zodat men de warmte en gezelligheid met elkaar kan delen, heb ik als onnozele 18-jarige, toen ik nog op de vaart zat, een wereldreis door mijn vingers laten glippen omdat ik met kerstmis thuis wilde zijn.
Vanaf Rotterdam zouden we via het Panamakanaal over de Grote Oceaan naar Japan en Indonesië varen en via diverse andere landen en Kaap de Goede Hoop weer naar Nederland.
Hoe deze kerstmis thuis was ben ik vergeten, maar die wereldreis is er nooit meer van gekomen en
dat weet ik nog steeds.
Inmiddels weet ik dat kerstmis niet alleen een tijd is van gezelligheid en warmte maar ook voor velen een tijd van eenzaamheid en verdriet.
Oude mensen slepen zich vanaf nu met hun laatste reserves de winter door, om bij het gloren van de eerste lentezon dood neer te vallen.
Anderen, die nog niet op respectabele leeftijd zijn maar zich wel al heel oud voelen, worden door een winterdepressie overvallen en komen pas weer tot leven bij de lichtstralen van datzelfde voorjaarszonnetje.
En dan heb ik het nog niet eens over de mensen die een partner missen of iemand anders waar ze een sterke band mee hadden. Of de daklozen, de soldaten eenzaam ver van huis, de zeelui, de zieken, de hongerigen, de gevangenen, de onnozelen.
Zij allen moeten het maar uitzoeken, want het zijn feestdagen en de meeste van hen hebben geen enkele reden om feest te vieren. Wat mij bracht tot het in elkaar flansen van het volgende 'gedicht'.
Om in de sfeer te blijven
De tafel is feestelijk gedekt
Het huis hangt vol met heerlijke geuren
Maar Karel en Hannie in hun kartonnen doos
Zitten beiden weer eens flink te meuren
Nellie staart verdrietig uit het raam
Zij mist haar man, ze zijn gescheiden
Hij woont nu bij een andere vrouw
En braadt een reebout voor hen beiden.
Joris is nu in zijn tweede jaar
Hij moet nog zeven jaren brommen
Nooit komt er iemand op bezoek
Maar ’t kan hem nu niet meer verdommen
Bart zit in zijn schuttersputje en bidt tot God
“God, zorg alsjeblieft goed voor mijn oude moeder.
Ze staat er sinds Pa’s dood helemaal alleen voor.
Niemand anders zorgt voor ’t arme loeder.”
Kees speelt met zijn piemel, geil en eenzaam
Riet, zijn vrouw, ligt te snurken in haar pyamapak
De kerstklokjes klingelen, het is bijna kerstmis
Hans schopt de stoel weg….. het touw staat strak
Gehersenspoeld door het een idee dat dit een maand is waarin het gezin bij elkaar moet zijn, zodat men de warmte en gezelligheid met elkaar kan delen, heb ik als onnozele 18-jarige, toen ik nog op de vaart zat, een wereldreis door mijn vingers laten glippen omdat ik met kerstmis thuis wilde zijn.
Vanaf Rotterdam zouden we via het Panamakanaal over de Grote Oceaan naar Japan en Indonesië varen en via diverse andere landen en Kaap de Goede Hoop weer naar Nederland.
Hoe deze kerstmis thuis was ben ik vergeten, maar die wereldreis is er nooit meer van gekomen en
dat weet ik nog steeds.
Inmiddels weet ik dat kerstmis niet alleen een tijd is van gezelligheid en warmte maar ook voor velen een tijd van eenzaamheid en verdriet.
Oude mensen slepen zich vanaf nu met hun laatste reserves de winter door, om bij het gloren van de eerste lentezon dood neer te vallen.
Anderen, die nog niet op respectabele leeftijd zijn maar zich wel al heel oud voelen, worden door een winterdepressie overvallen en komen pas weer tot leven bij de lichtstralen van datzelfde voorjaarszonnetje.
En dan heb ik het nog niet eens over de mensen die een partner missen of iemand anders waar ze een sterke band mee hadden. Of de daklozen, de soldaten eenzaam ver van huis, de zeelui, de zieken, de hongerigen, de gevangenen, de onnozelen.
Zij allen moeten het maar uitzoeken, want het zijn feestdagen en de meeste van hen hebben geen enkele reden om feest te vieren. Wat mij bracht tot het in elkaar flansen van het volgende 'gedicht'.
Om in de sfeer te blijven
De tafel is feestelijk gedekt
Het huis hangt vol met heerlijke geuren
Maar Karel en Hannie in hun kartonnen doos
Zitten beiden weer eens flink te meuren
Nellie staart verdrietig uit het raam
Zij mist haar man, ze zijn gescheiden
Hij woont nu bij een andere vrouw
En braadt een reebout voor hen beiden.
Joris is nu in zijn tweede jaar
Hij moet nog zeven jaren brommen
Nooit komt er iemand op bezoek
Maar ’t kan hem nu niet meer verdommen
Bart zit in zijn schuttersputje en bidt tot God
“God, zorg alsjeblieft goed voor mijn oude moeder.
Ze staat er sinds Pa’s dood helemaal alleen voor.
Niemand anders zorgt voor ’t arme loeder.”
Kees speelt met zijn piemel, geil en eenzaam
Riet, zijn vrouw, ligt te snurken in haar pyamapak
De kerstklokjes klingelen, het is bijna kerstmis
Hans schopt de stoel weg….. het touw staat strak
maandag 21 november 2011
Pakjesavond
We zitten gezellig bij elkaar. Het is 5 december. Buiten vriest het 7 graden, binnen brandt de kachel. Ja, ja. Wat hebben we het goed. Er is warme chocolademelk en een banketstaaf, die in de oven even is opgewarmd. Uit de speakers klinkt de zwoele stem van Katie Melua.
Het is weer zo ver: pakjesavond. Vanavond gaan we enkele mensen gelukkig maken.
In de hoek bij de trap staan drie grote wasmanden met in elk een berg cadeautjes.
‘Laten we beginnen’, roept mijn zoon en hij sleept samen met de anderen de manden naar het midden van de kamer.
Ruben pakt een grote doos. ‘John’ staat er op. Wauh. Wat een pakket. Ik weet wat er in zit. De anderen niet. Nieuwsgierig kijken ze toe hoe ik het mooie papier er af scheur.
Hé, dat is die 2e computer die je boven had staan. En die je verder nooit gebruikt, zegt Paula. Goed dat je die weg doet. Waar gaat hij heen?
Ik graai in een zak met namen en pak er een gesloten papiertje uit. ‘Die is voor Hans de Bruin. Ik ken hem niet persoonlijk, maar het schijnt iemand te zijn die al langer in de bijstand zit en geen kans maakt op het vinden van een baan. Ik denk dat Hans hier wel blij mee zal zijn.’ Iedereen klapt in zijn handen. Nu is Eva aan de beurt. Het pak dat ze in haar handen houdt is rijk versierd met leuke tekeningen. Zonde eigenlijk om het open te scheuren. Dat doet ze door het plakband heel voorzichtig los te maken. Er komt een tekentablet tevoorschijn. ’Laatst heb ik een nieuwe gekocht. Deze is nog goed, maar wat moet ik er mee?’ Ook zij trekt een naam. Weer iemand die al lang in de bijstand zit en geen zicht heeft op werk. Behalve namen van bijstandsgerechtigden zitten er ook namen in van instellingen waarvan de subsidie door de overheid is gestopt. En van de wat grotere organisaties die zich inzetten voor hun medemens, zoals bijvoorbeeld Artsen zonder grenzen en Greenpeace.
De een na de ander haalt een mooi cadeau uit de verpakking. Er zit van alles tussen. Van goedkope prullen die al jaren weggestouwd zijn in dozen die alleen maar ruimte innemen tot de wat duurdere overcomplete spullen die zijn bewaard omdat ze misschien nog wel eens van pas kunnen komen.
Aan het eind van de avond staan er genoegen spullen om een etalage van een winkel in te richten. Sommige spullen zijn te groot om in te pakken en daar is een foto van gemaakt. Zo is er een overcompleet bankstel, een fiets, wat elektrisch gereedschap dat weliswaar gebruikt is, maar waar niets aan mankeert, een cd-speler die overcompleet is, twee stoelen, een hobbelpaard (ja, echt.) en een barbecue die nog nooit is gebruikt.
Morgen komt er een grote wagen de pakjes ophalen om alles naar een centraal punt te vervoeren, vanwaar het wordt gedistribueerd over de mensen en instellingen waarvoor het is bestemd.
De spullen die te groot waren worden later door wagens van hetzelfde distributiecentrum opgehaald en bij de mensen thuis bezorgd.
De dag na Sinterklaas is het feest in al die huizen waar ze geen geld hebben om cadeaus te kopen en bij de instellingen die het moeten hebben van de goedheid van anderen. En honderdduizenden mensen zijn eindelijk weer af van hun overbodige spullen. Vanaf de kerst kunnen zij opnieuw beginnen met het verzamelen.
Het is weer zo ver: pakjesavond. Vanavond gaan we enkele mensen gelukkig maken.
In de hoek bij de trap staan drie grote wasmanden met in elk een berg cadeautjes.
‘Laten we beginnen’, roept mijn zoon en hij sleept samen met de anderen de manden naar het midden van de kamer.
Ruben pakt een grote doos. ‘John’ staat er op. Wauh. Wat een pakket. Ik weet wat er in zit. De anderen niet. Nieuwsgierig kijken ze toe hoe ik het mooie papier er af scheur.
Hé, dat is die 2e computer die je boven had staan. En die je verder nooit gebruikt, zegt Paula. Goed dat je die weg doet. Waar gaat hij heen?
Ik graai in een zak met namen en pak er een gesloten papiertje uit. ‘Die is voor Hans de Bruin. Ik ken hem niet persoonlijk, maar het schijnt iemand te zijn die al langer in de bijstand zit en geen kans maakt op het vinden van een baan. Ik denk dat Hans hier wel blij mee zal zijn.’ Iedereen klapt in zijn handen. Nu is Eva aan de beurt. Het pak dat ze in haar handen houdt is rijk versierd met leuke tekeningen. Zonde eigenlijk om het open te scheuren. Dat doet ze door het plakband heel voorzichtig los te maken. Er komt een tekentablet tevoorschijn. ’Laatst heb ik een nieuwe gekocht. Deze is nog goed, maar wat moet ik er mee?’ Ook zij trekt een naam. Weer iemand die al lang in de bijstand zit en geen zicht heeft op werk. Behalve namen van bijstandsgerechtigden zitten er ook namen in van instellingen waarvan de subsidie door de overheid is gestopt. En van de wat grotere organisaties die zich inzetten voor hun medemens, zoals bijvoorbeeld Artsen zonder grenzen en Greenpeace.
De een na de ander haalt een mooi cadeau uit de verpakking. Er zit van alles tussen. Van goedkope prullen die al jaren weggestouwd zijn in dozen die alleen maar ruimte innemen tot de wat duurdere overcomplete spullen die zijn bewaard omdat ze misschien nog wel eens van pas kunnen komen.
Aan het eind van de avond staan er genoegen spullen om een etalage van een winkel in te richten. Sommige spullen zijn te groot om in te pakken en daar is een foto van gemaakt. Zo is er een overcompleet bankstel, een fiets, wat elektrisch gereedschap dat weliswaar gebruikt is, maar waar niets aan mankeert, een cd-speler die overcompleet is, twee stoelen, een hobbelpaard (ja, echt.) en een barbecue die nog nooit is gebruikt.
Morgen komt er een grote wagen de pakjes ophalen om alles naar een centraal punt te vervoeren, vanwaar het wordt gedistribueerd over de mensen en instellingen waarvoor het is bestemd.
De spullen die te groot waren worden later door wagens van hetzelfde distributiecentrum opgehaald en bij de mensen thuis bezorgd.
De dag na Sinterklaas is het feest in al die huizen waar ze geen geld hebben om cadeaus te kopen en bij de instellingen die het moeten hebben van de goedheid van anderen. En honderdduizenden mensen zijn eindelijk weer af van hun overbodige spullen. Vanaf de kerst kunnen zij opnieuw beginnen met het verzamelen.
vrijdag 18 november 2011
Wie gelooft er nog in snikkelkaas?
Bijna 5 december. Al weer vijfendertig jaar geleden dat ik mezelf op Sinterklaas met zak en al cadeau deed aan Paula. Een mooier cadeau heeft ze hierna nooit meer gehad.
Het was liefde op het eerste gezicht. Van mij naar haar althans. Zij vond me geloof ik wel aardig.
Vanaf het begin hebben we elkaar het nee-woord gegeven en elkaar duidelijk gemaakt dat we nooit met elkaar zouden trouwen. Zo’n meisje zocht ik en zij zocht blijkbaar zo’n jongen.
Een mensenleven lang niet getrouwd. Mijn moeder zei het destijds al. “Johnny, jij bent geen man voor het huwelijk.” En hoe gelijk heeft ze gehad.
Soms besluiten mensen na jarenlang te hebben samengewoond om ook voor hen zelf duistere redenen alsnog met elkaar te trouwen. Opmerkingen van anderen zoals “Als jullie toch bij elkaar blijven , waarom gaan jullie dan niet trouwen?” of “ Zouden jullie kinderen het niet leuker vinden als jullie getrouwd zouden zijn?” roepen twijfels op bij het stel omdat ze eigenlijk niet goed kunnen duidelijk maken waarom ze gekozen hebben voor samenwonen boven het huwelijk.
Eerlijk gezegd zou ik dat ook niet kunnen. Maar ik zou ook niet weten waarom ik een voorkeur voor het huwelijk moet hebben boven het samenwonen. Want waarom in Godsnaam trouwen mensen eigenlijk als zij ook gewoon kunnen samenwonen? Kan iemand mij dát uitleggen?
Enfin, men laat soms na jaren te hebben samengewoond alle weerstand varen en trouwt met elkaar. Scheiden kun je immers altijd nog na zo’n elf jaar, wat de gemiddelde duur is dat menig huwelijk stand houdt.
De kinderen of kleinkinder worden dan bruidsmeisjes en bruidsjonkers en hoewel er niet meer door de bruid op was gerekend beleeft zij alsnog de mooiste dag van haar leven. Whoopie!
Hierna kan het alleen nog maar bergafwaarts gaan.
Ook met hem komt het soms nooit meer goed. En dat allemaal door één moment van zwakheid.
Het besef dat hij nu een gehuwd man is kan te confronterend zijn en er bestaat een kans dat hij decompenseert.
Ik ken geen cijfers, maar angst, verwardheid en gevoelens van depressie kunnen bij hem het gevolg zijn van het huwelijk. Of dit ook geldt voor haar weet ik niet. Zou het voor mij gelden? Vast en zeker. Ik word al depressief bij de gedachte hieraan.
Gelukkiger zullen de meesten die jarenlang samengewoond hebben en alsnog trouwen samen niet worden, denk ik. Waarom zouden ze? Dus net als in alle voorgaande jaren verwacht ik op 5 december geen huwelijksaanzoek en ook ik heb zelf geen plannen om een dergelijk aanzoek te doen. Allemaal flauwekul. Zoiets doe je een ander niet aan. En zeker niet op 5 december.
Ja, 5 december. Je zou het bijna vergeten. Het is weer de tijd voor het heerlijk avondje.
Kleine kinderen, net zindelijk geworden na een intensieve plastraining, plassen van de spanning weer in hun bed, opgefokte ouders staan met een mand vol overbodige rotzooi in de rij bij de kassa van het een of andere warenhuis en in het hele land piekert men zich suf hoe men dit jaar wèl met een origineel cadeau op de proppen kan komen bij partners, kinderen of vrienden. Kortom, ellende. Wij schuiven dit nog even voor ons uit naar de kerstdagen. En ik moet tot mijn schaamte bekennen dat ik het altijd weer heel erg naar mijn zin heb als iedereen er is en de cadeautjes worden uitgepakt.
Niemand komt helaas onder de druk uit die de feestdagen steeds weer met zich meebrengen. Want gezellig zal het worden. Crisis of niet. Behalve natuurlijk als schoonmama en schoonpapa besluiten om ook te komen.
Bij de kassa van een supermarkt hoorde ik hoe een man aan zijn vrouw vroeg of ze niet vergeten was een cadeautje te kopen voor hun dochter.
“Ach”, reageerde de vrouw. “Ze gelooft er toch niet meer in. Ze zit nou net op zo’n leeftijd dat ze er aan begint te twijfelen.” Ik zag dat ze rode koontjes kreeg van het gesprek, want iedereen stond natuurlijk mee te luisteren. De man reageerde niet. Hij had al jaren geleden afgeleerd om zijn vrouw tegen te spreken.
Die wendde zich tot de jongen achter de kassa. Ze wees op een kleurboek. ”Hoeveel kost –ie?”
“Twee euro vijftig, mevrouw”, was het antwoord. Er volgde een kleine aarzeling. En dan “Doe maar”.
Was ze van het gezeik af.
In dit blok heb ik mijn piekbelasting. In normaal Nederlands: dan geef ik het meeste les. In het team zijn er vier docenten voor langere tijd uitgeschakeld. Iedereen die nog wel werkt heeft het gewoon erg druk.
Zou het door de vermoeidheid of deze drukte komen dat ik mij gisteren nog versprak in de klas en opmerkte dat, met al die informatie die ze van internet kunnen halen, geen kind echt meer gelooft in snikkelkaas?
Het was liefde op het eerste gezicht. Van mij naar haar althans. Zij vond me geloof ik wel aardig.
Vanaf het begin hebben we elkaar het nee-woord gegeven en elkaar duidelijk gemaakt dat we nooit met elkaar zouden trouwen. Zo’n meisje zocht ik en zij zocht blijkbaar zo’n jongen.
Een mensenleven lang niet getrouwd. Mijn moeder zei het destijds al. “Johnny, jij bent geen man voor het huwelijk.” En hoe gelijk heeft ze gehad.
Soms besluiten mensen na jarenlang te hebben samengewoond om ook voor hen zelf duistere redenen alsnog met elkaar te trouwen. Opmerkingen van anderen zoals “Als jullie toch bij elkaar blijven , waarom gaan jullie dan niet trouwen?” of “ Zouden jullie kinderen het niet leuker vinden als jullie getrouwd zouden zijn?” roepen twijfels op bij het stel omdat ze eigenlijk niet goed kunnen duidelijk maken waarom ze gekozen hebben voor samenwonen boven het huwelijk.
Eerlijk gezegd zou ik dat ook niet kunnen. Maar ik zou ook niet weten waarom ik een voorkeur voor het huwelijk moet hebben boven het samenwonen. Want waarom in Godsnaam trouwen mensen eigenlijk als zij ook gewoon kunnen samenwonen? Kan iemand mij dát uitleggen?
Enfin, men laat soms na jaren te hebben samengewoond alle weerstand varen en trouwt met elkaar. Scheiden kun je immers altijd nog na zo’n elf jaar, wat de gemiddelde duur is dat menig huwelijk stand houdt.
De kinderen of kleinkinder worden dan bruidsmeisjes en bruidsjonkers en hoewel er niet meer door de bruid op was gerekend beleeft zij alsnog de mooiste dag van haar leven. Whoopie!
Hierna kan het alleen nog maar bergafwaarts gaan.
Ook met hem komt het soms nooit meer goed. En dat allemaal door één moment van zwakheid.
Het besef dat hij nu een gehuwd man is kan te confronterend zijn en er bestaat een kans dat hij decompenseert.
Ik ken geen cijfers, maar angst, verwardheid en gevoelens van depressie kunnen bij hem het gevolg zijn van het huwelijk. Of dit ook geldt voor haar weet ik niet. Zou het voor mij gelden? Vast en zeker. Ik word al depressief bij de gedachte hieraan.
Gelukkiger zullen de meesten die jarenlang samengewoond hebben en alsnog trouwen samen niet worden, denk ik. Waarom zouden ze? Dus net als in alle voorgaande jaren verwacht ik op 5 december geen huwelijksaanzoek en ook ik heb zelf geen plannen om een dergelijk aanzoek te doen. Allemaal flauwekul. Zoiets doe je een ander niet aan. En zeker niet op 5 december.
Ja, 5 december. Je zou het bijna vergeten. Het is weer de tijd voor het heerlijk avondje.
Kleine kinderen, net zindelijk geworden na een intensieve plastraining, plassen van de spanning weer in hun bed, opgefokte ouders staan met een mand vol overbodige rotzooi in de rij bij de kassa van het een of andere warenhuis en in het hele land piekert men zich suf hoe men dit jaar wèl met een origineel cadeau op de proppen kan komen bij partners, kinderen of vrienden. Kortom, ellende. Wij schuiven dit nog even voor ons uit naar de kerstdagen. En ik moet tot mijn schaamte bekennen dat ik het altijd weer heel erg naar mijn zin heb als iedereen er is en de cadeautjes worden uitgepakt.
Niemand komt helaas onder de druk uit die de feestdagen steeds weer met zich meebrengen. Want gezellig zal het worden. Crisis of niet. Behalve natuurlijk als schoonmama en schoonpapa besluiten om ook te komen.
Bij de kassa van een supermarkt hoorde ik hoe een man aan zijn vrouw vroeg of ze niet vergeten was een cadeautje te kopen voor hun dochter.
“Ach”, reageerde de vrouw. “Ze gelooft er toch niet meer in. Ze zit nou net op zo’n leeftijd dat ze er aan begint te twijfelen.” Ik zag dat ze rode koontjes kreeg van het gesprek, want iedereen stond natuurlijk mee te luisteren. De man reageerde niet. Hij had al jaren geleden afgeleerd om zijn vrouw tegen te spreken.
Die wendde zich tot de jongen achter de kassa. Ze wees op een kleurboek. ”Hoeveel kost –ie?”
“Twee euro vijftig, mevrouw”, was het antwoord. Er volgde een kleine aarzeling. En dan “Doe maar”.
Was ze van het gezeik af.
In dit blok heb ik mijn piekbelasting. In normaal Nederlands: dan geef ik het meeste les. In het team zijn er vier docenten voor langere tijd uitgeschakeld. Iedereen die nog wel werkt heeft het gewoon erg druk.
Zou het door de vermoeidheid of deze drukte komen dat ik mij gisteren nog versprak in de klas en opmerkte dat, met al die informatie die ze van internet kunnen halen, geen kind echt meer gelooft in snikkelkaas?
maandag 14 november 2011
Muziek
Er was eens een man die gevangen zat en elke dag werd gemarteld. Niet met stokslagen of met een of ander martelwerktuig, maar met zijn lievelingsmuziek. De muziek die hij hoorde toen hij zijn vrouw leerde kennen, de muziek die er gespeeld werd op zijn trouwdag. De muziek die hij op een oude platenspeler draaide toen hij zat te wachten op de geboorte van zijn eerste kind, de muziek die het einde van de winter aankondigde en de kleuren en geuren van de lente verwelkomde.
Het was deze muziek die hem nu herinnerde aan gelukkiger tijden. Aan een leven dat hij als toneelspeler en komiek had geleefd in de tijd dat je nog alles kon zeggen of schrijven zonder dat je bang hoefde te zijn voor vervolging en straf.
Dit alles was nu al vele jaren voorbij. Hij wist niet of er nog iemand van zijn gezin in leven was, of zijn vrienden er nog waren. Hij wist niet wat er verder in de buitenwereld gebeurde, hij wist niet eens wie zijn kwelgeesten waren, want hij zat in eenzame opsluiting terwijl uit de luidspreker aan het plafond steeds weer de muziek klonk. Het maakte hem krankzinnig.
Toen werd zijn celdeur op zekere dag open gegooid. Er stond een man met een vuile overall in de opening die riep “ Broeder, je bent vrij”, waarna hij doorliep om de andere celdeuren open te maken.
De man kreeg, nadat hij zich gewassen had en door een arts grondig was onderzocht, schone kleren en een warme maaltijd. Men gaf hem een chipkaart voor het openbaar vervoer en daarna werd hem verteld dat hij naar huis kon gaan.
De bruine uniformen op straat waren verdwenen. De gehate rode vlag met het vlammende zwaard wapperde nergens meer. Er liepen mensen rond in groene uniformen. En de vlag was nu geel, met een blauwe gebalde vuist in het midden.
Op de voorpagina van een krant zag hij dat er ruim zeven jaar was verstreken sinds hij was vastgezet.
De man had in zeven jaar geen contact gehad met vrienden , kennissen of familie en hij haastte zich naar huis, maar de straat waarin hij gewoond had bestond niet meer.
Moedeloos sjokte hij naar het park waar hij vroeger de eendjes voerde met zijn dochter en zette zich neer op een bankje aan de vijver.
Er kwam een vrouw voorbij met een kinderwagen. Ze stopte bij de bank en ze vroeg aan de man of de plek naast hem vrij was. Hij knikte. Ze ging zitten en beiden raakten aan de praat.
Hij ontdekte dat zij haar man zeven jaar geleden kwijt was geraakt. Van de ene dag op de andere was hij zomaar verdwenen. Nooit had ze meer wat van hem gehoord.
Zij hadden samen een dochtertje van drie. Het meisje was nu tien. Ze liet hem een foto zien. Na enkele jaren was ze opnieuw getrouwd.
Drie maanden geleden was er een revolutie in het land uitgebroken. Na enkele dagen al verdween haar echtgenoot en zij was opnieuw alleen.
Nadat ze zo over haar leven verteld had vroeg ze aan de man waar hij vandaan kwam en of hij misschien getrouwd was. Hij vertelde dat hij jarenlang gevangen had gezeten en vandaag pas vrij was gekomen. Dat hij terug gegaan was naar zijn woning, maar dat de straat waarin hij gewoond had verdwenen was. Hij huilde toen hij haar dit vertelde, al probeerde hij zijn tranen in te houden.
Nadat hij zijn verhaal verteld had was het even stil tussen hen beiden. De man keek in de kinderwagen en zag daar een kindergezichtje met een lieve lach dat hem met stralende ogen aan keek.
“Ik had uw eerste man kunnen zijn”, zei hij. “Het is zeven jaar geleden dat ik ben opgepakt. Ik was toneelspeler en ik zei dingen die het regime niet welgevallig waren. Ik had een dochtertje dat, als het nu nog leeft, tien jaar is. Net als uw dochter.”
De vrouw keek hem peinzend aan. “Komt u met me mee. Dan gaan wij beiden mijn dochter van school halen. En daarna gaan we naar mijn huis. U kunt bij mij komen eten als u dit wilt. Ik heb nog een kamer over. Die wil ik best aan u verhuren.” De man was aangenaam verrast en zei dat hij haar uitnodiging accepteerde.
De dochter van de vrouw was een vrolijk kind. Ze had blijkbaar een toegankelijk karakter en al in het eerste kwartier had ze vriendschap met de man gesloten.
Met z’n drieën wandelden ze naar een groot flatgebouw, waar de vrouw een woning huurde op de bovenste verdieping.
Nadat de vrouw gekookt had gingen ze aan tafel. Omdat ze van een romantische sfeer hield zette de vrouw een plaatje op. De man barstte opnieuw in tranen uit toen hij de muziek hoorde. Muziek, die hij zeven jaar dag in dag uit had gehoord, tot hij gek was.
Het was deze muziek die hem nu herinnerde aan gelukkiger tijden. Aan een leven dat hij als toneelspeler en komiek had geleefd in de tijd dat je nog alles kon zeggen of schrijven zonder dat je bang hoefde te zijn voor vervolging en straf.
Dit alles was nu al vele jaren voorbij. Hij wist niet of er nog iemand van zijn gezin in leven was, of zijn vrienden er nog waren. Hij wist niet wat er verder in de buitenwereld gebeurde, hij wist niet eens wie zijn kwelgeesten waren, want hij zat in eenzame opsluiting terwijl uit de luidspreker aan het plafond steeds weer de muziek klonk. Het maakte hem krankzinnig.
Toen werd zijn celdeur op zekere dag open gegooid. Er stond een man met een vuile overall in de opening die riep “ Broeder, je bent vrij”, waarna hij doorliep om de andere celdeuren open te maken.
De man kreeg, nadat hij zich gewassen had en door een arts grondig was onderzocht, schone kleren en een warme maaltijd. Men gaf hem een chipkaart voor het openbaar vervoer en daarna werd hem verteld dat hij naar huis kon gaan.
De bruine uniformen op straat waren verdwenen. De gehate rode vlag met het vlammende zwaard wapperde nergens meer. Er liepen mensen rond in groene uniformen. En de vlag was nu geel, met een blauwe gebalde vuist in het midden.
Op de voorpagina van een krant zag hij dat er ruim zeven jaar was verstreken sinds hij was vastgezet.
De man had in zeven jaar geen contact gehad met vrienden , kennissen of familie en hij haastte zich naar huis, maar de straat waarin hij gewoond had bestond niet meer.
Moedeloos sjokte hij naar het park waar hij vroeger de eendjes voerde met zijn dochter en zette zich neer op een bankje aan de vijver.
Er kwam een vrouw voorbij met een kinderwagen. Ze stopte bij de bank en ze vroeg aan de man of de plek naast hem vrij was. Hij knikte. Ze ging zitten en beiden raakten aan de praat.
Hij ontdekte dat zij haar man zeven jaar geleden kwijt was geraakt. Van de ene dag op de andere was hij zomaar verdwenen. Nooit had ze meer wat van hem gehoord.
Zij hadden samen een dochtertje van drie. Het meisje was nu tien. Ze liet hem een foto zien. Na enkele jaren was ze opnieuw getrouwd.
Drie maanden geleden was er een revolutie in het land uitgebroken. Na enkele dagen al verdween haar echtgenoot en zij was opnieuw alleen.
Nadat ze zo over haar leven verteld had vroeg ze aan de man waar hij vandaan kwam en of hij misschien getrouwd was. Hij vertelde dat hij jarenlang gevangen had gezeten en vandaag pas vrij was gekomen. Dat hij terug gegaan was naar zijn woning, maar dat de straat waarin hij gewoond had verdwenen was. Hij huilde toen hij haar dit vertelde, al probeerde hij zijn tranen in te houden.
Nadat hij zijn verhaal verteld had was het even stil tussen hen beiden. De man keek in de kinderwagen en zag daar een kindergezichtje met een lieve lach dat hem met stralende ogen aan keek.
“Ik had uw eerste man kunnen zijn”, zei hij. “Het is zeven jaar geleden dat ik ben opgepakt. Ik was toneelspeler en ik zei dingen die het regime niet welgevallig waren. Ik had een dochtertje dat, als het nu nog leeft, tien jaar is. Net als uw dochter.”
De vrouw keek hem peinzend aan. “Komt u met me mee. Dan gaan wij beiden mijn dochter van school halen. En daarna gaan we naar mijn huis. U kunt bij mij komen eten als u dit wilt. Ik heb nog een kamer over. Die wil ik best aan u verhuren.” De man was aangenaam verrast en zei dat hij haar uitnodiging accepteerde.
De dochter van de vrouw was een vrolijk kind. Ze had blijkbaar een toegankelijk karakter en al in het eerste kwartier had ze vriendschap met de man gesloten.
Met z’n drieën wandelden ze naar een groot flatgebouw, waar de vrouw een woning huurde op de bovenste verdieping.
Nadat de vrouw gekookt had gingen ze aan tafel. Omdat ze van een romantische sfeer hield zette de vrouw een plaatje op. De man barstte opnieuw in tranen uit toen hij de muziek hoorde. Muziek, die hij zeven jaar dag in dag uit had gehoord, tot hij gek was.
vrijdag 11 november 2011
De kit
Na hem meerdere malen verzocht te hebben het lokaal te verlaten werd een 13-jarige jongen door een docent beet gepakt en op de gang gezet. Tja, zoiets moet je natuurlijk niet doen in Nederland, want dan vraag je om moeilijkheden. Onze politie, waar ik natuurlijk net als iedereen vreselijk dol op ben, weet met dit soort leraren wel raad. Oppakken en de bak in.
Als kind, ik zal nog geen tien zijn geweest, kreeg ik van oom agent een stevige schop onder mijn kont omdat ik niet onmiddellijk deed wat hij mij zei.
Ik stond in de rij voor een film in het buurthuis en er werd nogal gedrongen en geduwd. Zoiets doen kinderen. Maar de agent vond ons iets te rumoerig en maande ons om rustig te zijn. En omdat wij niet onmiddellijk luisterden kreeg ik te maken met de sterke laars van de wet.
Sindsdien ben ik allergisch voor dat dappere geüniformeerde volk.
Maar afgezien van mijn allergie ben ik blij dat ze er zijn om docenten duidelijk te maken dat er grenzen zijn in het bestraffen van leerlingen.
Ik adviseer daarom al mijn leerlingen als ze de klas worden uitgestuurd omdat ze, ook na een waarschuwing, door gaan met ouwehoeren, voortaan gelijk 1-1-2 te bellen.
Als kind, ik zal nog geen tien zijn geweest, kreeg ik van oom agent een stevige schop onder mijn kont omdat ik niet onmiddellijk deed wat hij mij zei.
Ik stond in de rij voor een film in het buurthuis en er werd nogal gedrongen en geduwd. Zoiets doen kinderen. Maar de agent vond ons iets te rumoerig en maande ons om rustig te zijn. En omdat wij niet onmiddellijk luisterden kreeg ik te maken met de sterke laars van de wet.
Sindsdien ben ik allergisch voor dat dappere geüniformeerde volk.
Maar afgezien van mijn allergie ben ik blij dat ze er zijn om docenten duidelijk te maken dat er grenzen zijn in het bestraffen van leerlingen.
Ik adviseer daarom al mijn leerlingen als ze de klas worden uitgestuurd omdat ze, ook na een waarschuwing, door gaan met ouwehoeren, voortaan gelijk 1-1-2 te bellen.
donderdag 10 november 2011
Porno.
Het had mij kunnen overkomen. Niets menselijks is ons docenten namelijk vreemd.
De laptop staat aangesloten en ik bekijk een pornosite.
Die zijn er tenslotte niet voor niets en zo’n raam, met een blik op een wereld die gewoonlijk voor ons verborgen blijft, nodigt uit om door naar binnen te gluren.
Ik kijk naar een mooie naakte blonde vrouw, die op een creatieve manier met een bierblikje speelt.
Helaas ben ik even vergeten waar ik ben, namelijk op school, waar ik de computer net heb geïnstalleerd voor een presentatie op het digibord. En ik ben ook vergeten dat de computer al is aangesloten op dat bord, zodat heel de klas over mijn schouders staat mee te gluren.
Pas als de groep veertien en vijftienjarigen begint te joelen dringt het tot mij door dat er wat aan de hand is. Met een rode kop sluit ik de site en met een grapje probeer ik mijn gêne te verbergen.
“Sorry jongens. Thuis maar verder kijken. Wie het adres wil hebben kan na afloop even bij mij langs komen. Sorry dames. Jullie meester is gewoon een oude viezerik.”
Het overkwam een leraar van het Connect College in het Limburgse dorp Echt.
Het verontwaardigde schoolhoofd heeft de leraar 4 weken geschorst. Hij zei donderdag dat zijn school de zaak hoog opneemt wegens de voorbeeldfunctie van de leraar.
Ja, het is ook niet niks. Deze jongens en meisjes hadden zoiets nog nooit eerder gezien en het is natuurlijk belangrijk dat in het achterlijke Echt iemand is die er op toe ziet dat de goede zeden worden nageleefd.
Als ik zoiets lees krijg ik spontaan de kriebels in mijn kruis. Voorbeeldfunctie. Is er nog één idioot die een voorbeeld neemt aan zijn docent. Is hij het baken waarop we moeten koersen opdat wij niet ten onder gaan aan alle malligheid die het leven op ons bordje stort?
Nu zijn de ouders van die leerlingen ook een beetje lijp. Zij dienden een klacht in toen zij van het gebeuren hoorden.
Bij hun thuis is het alleen pa die het vlees snijdt en naar de porno kijkt. Ma breidt warme wollen sokken voor de winter, want volgens de voorspellingen wordt deze heel koud.
Als de leerlingen in hun onschuld lachend het verhaal thuis vertellen van de verstrooide professor die naar een blote vrouw zat te kijken verstommen de gesprekken aan de eettafel.
Moeders bellen elkaar op. Vaders gaan met het adres dat zij van hun zoon gekregen hebben achter de computer zitten omdat zij willen weten hoe erg het was. Heel het dorp in rep en roer.
Er wordt een vergadering belegd in het buurthuis St. Joris, waar de gemoederen hoog oplopen.
Men weet waar de leraar woont. Een lynchpartij kan net voorkomen worden.
Uiteindelijk, nadat de dominee gepleit heeft voor genade boven recht, besluit men om een klacht in te dienen. Aldus geschiedde.
Als je een porno kijkende docent bent aan het Connect College in het Limburgse dorp Echt en je bent zo dom geweest om je hobby met je leerlingen te delen, dan kun je beter verhuizen naar Ameland of verder. Of je school in de fik steken. (Oeps. Zou ik ook een voorbeeldfunctie hebben?)
De laptop staat aangesloten en ik bekijk een pornosite.
Die zijn er tenslotte niet voor niets en zo’n raam, met een blik op een wereld die gewoonlijk voor ons verborgen blijft, nodigt uit om door naar binnen te gluren.
Ik kijk naar een mooie naakte blonde vrouw, die op een creatieve manier met een bierblikje speelt.
Helaas ben ik even vergeten waar ik ben, namelijk op school, waar ik de computer net heb geïnstalleerd voor een presentatie op het digibord. En ik ben ook vergeten dat de computer al is aangesloten op dat bord, zodat heel de klas over mijn schouders staat mee te gluren.
Pas als de groep veertien en vijftienjarigen begint te joelen dringt het tot mij door dat er wat aan de hand is. Met een rode kop sluit ik de site en met een grapje probeer ik mijn gêne te verbergen.
“Sorry jongens. Thuis maar verder kijken. Wie het adres wil hebben kan na afloop even bij mij langs komen. Sorry dames. Jullie meester is gewoon een oude viezerik.”
Het overkwam een leraar van het Connect College in het Limburgse dorp Echt.
Het verontwaardigde schoolhoofd heeft de leraar 4 weken geschorst. Hij zei donderdag dat zijn school de zaak hoog opneemt wegens de voorbeeldfunctie van de leraar.
Ja, het is ook niet niks. Deze jongens en meisjes hadden zoiets nog nooit eerder gezien en het is natuurlijk belangrijk dat in het achterlijke Echt iemand is die er op toe ziet dat de goede zeden worden nageleefd.
Als ik zoiets lees krijg ik spontaan de kriebels in mijn kruis. Voorbeeldfunctie. Is er nog één idioot die een voorbeeld neemt aan zijn docent. Is hij het baken waarop we moeten koersen opdat wij niet ten onder gaan aan alle malligheid die het leven op ons bordje stort?
Nu zijn de ouders van die leerlingen ook een beetje lijp. Zij dienden een klacht in toen zij van het gebeuren hoorden.
Bij hun thuis is het alleen pa die het vlees snijdt en naar de porno kijkt. Ma breidt warme wollen sokken voor de winter, want volgens de voorspellingen wordt deze heel koud.
Als de leerlingen in hun onschuld lachend het verhaal thuis vertellen van de verstrooide professor die naar een blote vrouw zat te kijken verstommen de gesprekken aan de eettafel.
Moeders bellen elkaar op. Vaders gaan met het adres dat zij van hun zoon gekregen hebben achter de computer zitten omdat zij willen weten hoe erg het was. Heel het dorp in rep en roer.
Er wordt een vergadering belegd in het buurthuis St. Joris, waar de gemoederen hoog oplopen.
Men weet waar de leraar woont. Een lynchpartij kan net voorkomen worden.
Uiteindelijk, nadat de dominee gepleit heeft voor genade boven recht, besluit men om een klacht in te dienen. Aldus geschiedde.
Als je een porno kijkende docent bent aan het Connect College in het Limburgse dorp Echt en je bent zo dom geweest om je hobby met je leerlingen te delen, dan kun je beter verhuizen naar Ameland of verder. Of je school in de fik steken. (Oeps. Zou ik ook een voorbeeldfunctie hebben?)
dinsdag 8 november 2011
November overpeinzingen.
Het is herfst en voor mij is dit een periode van overpeinzingen. Niet over al mijn zonden, want zo lang duurt de herfst niet. Maar over de vergankelijkheid van alles en hoe mooi dat eigenlijk is.
Lees vooral niet verder als je dit geouwehoer vindt. Deze woorden zijn dan niet voor jou geschreven.
Wat mij bezig houdt is mijn persoonlijke nietigheid en de nietigheid van iedereen in het algemeen.
Terwijl wij dit meestal niet zo ervaren. Wij zijn de nieuwe onsterfelijken. Eén wereld naar de klote helpen is een peulenschilletje. Het heelal ontwrichten, daar ligt de uitdaging.
Wij hebben het gevoel dat wij de wereld kunnen overzien en zelfs in de toekomst kunnen kijken.
Maar onze eigen wereld is klein. Enorm klein. Als je al duizend mensen kent, besef dan dat dit het geboorteoverschot is van nog geen vier minuten. Zoveel mensen zijn er in vier minuten toegevoegd aan de zeven miljard die er verder nog rond huppelen. De mensen die in die vier minuten zijn gestorven zijn hier al van af getrokken. Het stelt dus niet veel voor.
Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik ken de leeftijd van mijn buren niet eens en van meer dan de helft van de mensen in mijn straat die mij bijna dagelijks groeten weet ik niet eens hoe ze heten.
Mijn wereld, mijn eigen kleine wereld is de wereld thuis, op mijn werk en de pleisterplaatsen om mijn huis en tussen mijn huis en mijn werk. De winkels, bioscopen en theaters. De parken en het groen van Midden Delfland. Enkele woningen waar kennissen, familie of vrienden wonen. Het heeft niet veel om het lijf. Ik heb niet eens een stamkroeg.
Mijn wereld zit in de eerste plaats in mijn hoofd. En ook daar zijn nog vele plekken die ik nog nooit verkend heb.
Ja, het is een illusie dat wij onze wereld kunnen overzien. Dat we een duidelijk beeld van onze plaats hierin hebben. Je verstand kan niet bevatten dat je er bent. Dat je bestaat. Dat je leeft. Dat je maar heel erg kort leeft. En dan zomaar weer in het niets verdwijnt waaruit je afkomstig bent. De gedachte hieraan ervaren velen als huiveringwekkend. Jammer, want gaan doe je toch.
Je mag dan directeur zijn, een groot genie, een Unstenaar, een arme sloeber. Het maakt niet uit.
Zovelen weten nu al niet dat je bestaat en het kan ze ook niets schelen. En andersom kan het jou niet schelen dat zij bestaan. Straks, morgen, over een paar jaar, eens zal niemand op aarde weten dat je ooit bestaan hebt. En ondertussen maak je je druk over alles en nog wat en gedraag je je alsof er altijd voor je een nieuwe morgen zal zijn. Bizar. Uiterst bizar.
Ik ken zoveel mensen die er maar niet in slagen om zich bezig te houden met wat werkelijk belangrijk voor ze is. Die zich laten leven door hun partner, hun kinderen, hun ouders, hun werkgever en noem maar op. Straks als ze dood zijn hebben ze spijt dat ze niet echt geleefd hebben en kijken ze bovendien beteuterd op hun neus, omdat blijkt dat de hemel inmiddels gesloten is in verband met grondige restauratiewerkzaamheden en God met vakantie is.
Het bestaan is een mysterie en mysteries kun je niet onder woorden brengen.
Voor een trekvogel is de wereld groter dan voor een mens die een groot deel van zijn leven op slechts een paar vierkante meter door brengt en daar vrede mee heeft.
In de toekomst kijken kunnen wij ook niet. We hebben wel bepaalde verwachtingen, maar of ze uit zullen komen is nog niet bekend en ook niet of je zelf aanwezig zult zijn om het mee te maken.
Nee, we kunnen onze wereld niet overzien en in de toekomst kijken al helemaal niet. Al gedragen we ons daar wel naar.
Des te wonderbaarlijker is het dat we ondanks onze beperkingen met elkaar tot onvoorstelbare prestaties in staat zijn. En dat komt omdat we ons als geen andere levende wezens op uiterst vernuftige wijze kunnen organiseren. Dat we onze kennis en onze materiële verworvenheden door kunnen geven aan ons nageslacht. Dat we een taal hebben waarmee we onze gedachten en nog veel meer kunnen vast leggen.
Maar de belangrijkste reden is misschien wel dat dit mogelijk is omdat we ons leven vorm geven door te leven alsof we onsterflijk zijn. Omdat we blind zijn voor de consequenties van wat we doen.
Als we echt bewust zouden zijn van onze nietigheid en kwetsbaarheid, als elke vezel in ons lijf zou beseffen dat het zo voorbij kan zijn en dat dit moment steeds dichterbij komt, zouden we dan niet heel anders in het leven staan? En zou de wereld er dan niet veel anders uit zien?
De tijd waarin we leven heeft ons veel moois en goeds gebracht. Maar wat ze van ons heeft afgenomen is een diep ontzag voor het mysterie waar we allen deel van uit maken.
Lees vooral niet verder als je dit geouwehoer vindt. Deze woorden zijn dan niet voor jou geschreven.
Wat mij bezig houdt is mijn persoonlijke nietigheid en de nietigheid van iedereen in het algemeen.
Terwijl wij dit meestal niet zo ervaren. Wij zijn de nieuwe onsterfelijken. Eén wereld naar de klote helpen is een peulenschilletje. Het heelal ontwrichten, daar ligt de uitdaging.
Wij hebben het gevoel dat wij de wereld kunnen overzien en zelfs in de toekomst kunnen kijken.
Maar onze eigen wereld is klein. Enorm klein. Als je al duizend mensen kent, besef dan dat dit het geboorteoverschot is van nog geen vier minuten. Zoveel mensen zijn er in vier minuten toegevoegd aan de zeven miljard die er verder nog rond huppelen. De mensen die in die vier minuten zijn gestorven zijn hier al van af getrokken. Het stelt dus niet veel voor.
Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik ken de leeftijd van mijn buren niet eens en van meer dan de helft van de mensen in mijn straat die mij bijna dagelijks groeten weet ik niet eens hoe ze heten.
Mijn wereld, mijn eigen kleine wereld is de wereld thuis, op mijn werk en de pleisterplaatsen om mijn huis en tussen mijn huis en mijn werk. De winkels, bioscopen en theaters. De parken en het groen van Midden Delfland. Enkele woningen waar kennissen, familie of vrienden wonen. Het heeft niet veel om het lijf. Ik heb niet eens een stamkroeg.
Mijn wereld zit in de eerste plaats in mijn hoofd. En ook daar zijn nog vele plekken die ik nog nooit verkend heb.
Ja, het is een illusie dat wij onze wereld kunnen overzien. Dat we een duidelijk beeld van onze plaats hierin hebben. Je verstand kan niet bevatten dat je er bent. Dat je bestaat. Dat je leeft. Dat je maar heel erg kort leeft. En dan zomaar weer in het niets verdwijnt waaruit je afkomstig bent. De gedachte hieraan ervaren velen als huiveringwekkend. Jammer, want gaan doe je toch.
Je mag dan directeur zijn, een groot genie, een Unstenaar, een arme sloeber. Het maakt niet uit.
Zovelen weten nu al niet dat je bestaat en het kan ze ook niets schelen. En andersom kan het jou niet schelen dat zij bestaan. Straks, morgen, over een paar jaar, eens zal niemand op aarde weten dat je ooit bestaan hebt. En ondertussen maak je je druk over alles en nog wat en gedraag je je alsof er altijd voor je een nieuwe morgen zal zijn. Bizar. Uiterst bizar.
Ik ken zoveel mensen die er maar niet in slagen om zich bezig te houden met wat werkelijk belangrijk voor ze is. Die zich laten leven door hun partner, hun kinderen, hun ouders, hun werkgever en noem maar op. Straks als ze dood zijn hebben ze spijt dat ze niet echt geleefd hebben en kijken ze bovendien beteuterd op hun neus, omdat blijkt dat de hemel inmiddels gesloten is in verband met grondige restauratiewerkzaamheden en God met vakantie is.
Het bestaan is een mysterie en mysteries kun je niet onder woorden brengen.
Voor een trekvogel is de wereld groter dan voor een mens die een groot deel van zijn leven op slechts een paar vierkante meter door brengt en daar vrede mee heeft.
In de toekomst kijken kunnen wij ook niet. We hebben wel bepaalde verwachtingen, maar of ze uit zullen komen is nog niet bekend en ook niet of je zelf aanwezig zult zijn om het mee te maken.
Nee, we kunnen onze wereld niet overzien en in de toekomst kijken al helemaal niet. Al gedragen we ons daar wel naar.
Des te wonderbaarlijker is het dat we ondanks onze beperkingen met elkaar tot onvoorstelbare prestaties in staat zijn. En dat komt omdat we ons als geen andere levende wezens op uiterst vernuftige wijze kunnen organiseren. Dat we onze kennis en onze materiële verworvenheden door kunnen geven aan ons nageslacht. Dat we een taal hebben waarmee we onze gedachten en nog veel meer kunnen vast leggen.
Maar de belangrijkste reden is misschien wel dat dit mogelijk is omdat we ons leven vorm geven door te leven alsof we onsterflijk zijn. Omdat we blind zijn voor de consequenties van wat we doen.
Als we echt bewust zouden zijn van onze nietigheid en kwetsbaarheid, als elke vezel in ons lijf zou beseffen dat het zo voorbij kan zijn en dat dit moment steeds dichterbij komt, zouden we dan niet heel anders in het leven staan? En zou de wereld er dan niet veel anders uit zien?
De tijd waarin we leven heeft ons veel moois en goeds gebracht. Maar wat ze van ons heeft afgenomen is een diep ontzag voor het mysterie waar we allen deel van uit maken.
donderdag 3 november 2011
Junk
Tijd voor ander leed. Of is dat er niet? Het is vandaag in ieder geval een vrolijke dag voor de junk die ik vandaag in de trein hoorde bellen. Ik schatte haar op zo’n vijfendertig.
Ze was maandag uit de gevangenis ontslagen en had zich vervolgens drie dagen klem gezopen met Wodka. Nu was ze op weg naar huis.
Je kon niet zien dat het een junk was. In de gevangenis had ze blijkbaar goed te eten gehad. Ze zei ook dat ze enkele kilootjes was aangekomen.
Ze zag er niet naar uit als iemand die drie dagen bezopen is geweest. Waarschijnlijk omdat een geoefend drinker van wodka nauwelijks een kater over houdt.
Aan de andere kant van de lijn vertelde iemand dat een goede bekende van hen dood in zijn huis was aangetroffen. Ze reageerde eerder verbaasd dan geschrokken en vroeg hij misschien teveel pillen had geslikt. Dat wist hij niet. Op dat moment wist ik overigens nog niet dat ze met een man zat te praten, maar dat bleek later in het gesprek.
Het was natuurlijk allemaal klote. Ook omdat haar moeder toen zij vast zat in haar huis was geweest en daar natuurlijk de crackpijpjes en het folie had gevonden. Het was een grote teringzooi in haar huis geweest en ze vond het vervelend dat haar moeder dit had gezien.
Er liepen nog een paar zaken tegen haar, vertelde ze. En verder zouden er nog zestien man ingelaaien zijn. Ik vermoedde dat dit een soort bargoens is voor ‘gevangen gezet’.
Volgens haar zouden er nu heel veel zijn die zich de komende dagen gedeisd zouden houden. Dat betekende natuurlijk dat er geen moer te krijgen was.
Tijdens het bellen sprak ze luid en duidelijk. Enige gêne toonde ze beslist niet.
Bij thuiskomst zou ze nog even kijken of ze bij de Bouman terecht kon. Een vorige keer had ze twee uur voor niks staan wachten op haar methadon. Later had ze hen gezegd dat ze allemaal de tyfus konden krijgen.
Ze sloot het gesprek af door met een bijna tedere stem te vragen of hij begin volgende week bij haar langs wilde komen. Ze zou dan voor hem koken. Nadat dit was afgesproken beëindigde ze het gesprek. Ze liet zich nog wat verder onderuit zakken en sloot toen haar ogen. Blijkbaar was ze moe.
Die tante had zo te horen een bewogen tijd achter de rug. Meestal ontgaat mij dat er zovelen zijn met een levensverhaal dat zo anders is dan het mijne. Eerlijk gezegd besef ik vaak nauwelijks dat er nog zo veel anderen zijn. Zeven miljard.
Zou ze inmiddels al weer hebben gescoord? Zou ook zij, net als die onbekende waar ze het over had, op zekere dag dood in haar huis aangetroffen worden? En zou iemand anders zich dan afvragen of ze misschien teveel pillen had geslikt? Haar moeder bijvoorbeeld?
Ze was maandag uit de gevangenis ontslagen en had zich vervolgens drie dagen klem gezopen met Wodka. Nu was ze op weg naar huis.
Je kon niet zien dat het een junk was. In de gevangenis had ze blijkbaar goed te eten gehad. Ze zei ook dat ze enkele kilootjes was aangekomen.
Ze zag er niet naar uit als iemand die drie dagen bezopen is geweest. Waarschijnlijk omdat een geoefend drinker van wodka nauwelijks een kater over houdt.
Aan de andere kant van de lijn vertelde iemand dat een goede bekende van hen dood in zijn huis was aangetroffen. Ze reageerde eerder verbaasd dan geschrokken en vroeg hij misschien teveel pillen had geslikt. Dat wist hij niet. Op dat moment wist ik overigens nog niet dat ze met een man zat te praten, maar dat bleek later in het gesprek.
Het was natuurlijk allemaal klote. Ook omdat haar moeder toen zij vast zat in haar huis was geweest en daar natuurlijk de crackpijpjes en het folie had gevonden. Het was een grote teringzooi in haar huis geweest en ze vond het vervelend dat haar moeder dit had gezien.
Er liepen nog een paar zaken tegen haar, vertelde ze. En verder zouden er nog zestien man ingelaaien zijn. Ik vermoedde dat dit een soort bargoens is voor ‘gevangen gezet’.
Volgens haar zouden er nu heel veel zijn die zich de komende dagen gedeisd zouden houden. Dat betekende natuurlijk dat er geen moer te krijgen was.
Tijdens het bellen sprak ze luid en duidelijk. Enige gêne toonde ze beslist niet.
Bij thuiskomst zou ze nog even kijken of ze bij de Bouman terecht kon. Een vorige keer had ze twee uur voor niks staan wachten op haar methadon. Later had ze hen gezegd dat ze allemaal de tyfus konden krijgen.
Ze sloot het gesprek af door met een bijna tedere stem te vragen of hij begin volgende week bij haar langs wilde komen. Ze zou dan voor hem koken. Nadat dit was afgesproken beëindigde ze het gesprek. Ze liet zich nog wat verder onderuit zakken en sloot toen haar ogen. Blijkbaar was ze moe.
Die tante had zo te horen een bewogen tijd achter de rug. Meestal ontgaat mij dat er zovelen zijn met een levensverhaal dat zo anders is dan het mijne. Eerlijk gezegd besef ik vaak nauwelijks dat er nog zo veel anderen zijn. Zeven miljard.
Zou ze inmiddels al weer hebben gescoord? Zou ook zij, net als die onbekende waar ze het over had, op zekere dag dood in haar huis aangetroffen worden? En zou iemand anders zich dan afvragen of ze misschien teveel pillen had geslikt? Haar moeder bijvoorbeeld?
dinsdag 1 november 2011
Mauro (vervolg)
Gelukkig heb ik vaak ongelijk. Maar in mijn stukje van 28 oktober zag ik het allemaal al aankomen.
Huilde Mauro nu vreugdetranen op tv toen hij begreep dat het CDA hem niet definitief vast wil houden? Was men dan toch bereid om hem te laten gaan naar Angola, het land waar hij al zo lang niet is geweest?
Ja, ze deden wel een ultieme poging om hem nog even hier te houden, door hem op voorhand een studievisum toe te zeggen. Maar na zijn studie zou hij toch definitief weg moeten. Eigenlijk dus ook geen oplossing. En misschien vraagt Mauro geen studievisum aan. Want hij heeft helemaal geen plannen om te gaan studeren. Wat natuurlijk onhandig is als je straks naar een land gaat waar je met een Hollands diploma gelijk aan de slag kunt gaan.
Linksom of rechtsom: Mauro mag zeker niet permanent in Nederland blijven. Mauro is het zoenoffer van het CDA aan de PVV. Door op het pluche te gaan zitten met gedoogsteun van de PVV hebben ze zichzelf in zo’n situatie gemanoeuvreerd. Ze hebben zichzelf te kakken gezet met hun gedraai.
Ja, de PVV. Daar morrelt en bromt de kiezer omdat hun blonde Greet er maar niet in slaagt om al zijn mooie beloftes waar te maken. Maar nu hebben ze dan eindelijk een succesje geboekt. Gefeliciteerd.
In mijn hart hoop ik dat Mauro de eer aan zichzelf laat, naar Angola gaat en daar een nieuw leven op bouwt. Nu toch alles in het politieke is getrokken zou hij hier een statement mee afgeven, waarin hij duidelijk maakt geen aalmoes te hoeven, de CDA-kliek beteuterd achter latend.
Maar ik kan makkelijk lullen. Wil hij hier blijven dan moet hij het spel wel meespelen, een studievisum aanvragen en een verklaring ondertekenen waarin hij verklaart dat hij na afronding van zijn studie Nederland verlaat. En dan maar hopen dat er tegen die tijd een regering aan de macht is die met argumenten onderbouwt hem de Nederlandse nationaliteit aan biedt. Hij is dan immers minstens tien jaar in Nederland en hier nog steviger geaard dan nu.
Huilde Mauro nu vreugdetranen op tv toen hij begreep dat het CDA hem niet definitief vast wil houden? Was men dan toch bereid om hem te laten gaan naar Angola, het land waar hij al zo lang niet is geweest?
Ja, ze deden wel een ultieme poging om hem nog even hier te houden, door hem op voorhand een studievisum toe te zeggen. Maar na zijn studie zou hij toch definitief weg moeten. Eigenlijk dus ook geen oplossing. En misschien vraagt Mauro geen studievisum aan. Want hij heeft helemaal geen plannen om te gaan studeren. Wat natuurlijk onhandig is als je straks naar een land gaat waar je met een Hollands diploma gelijk aan de slag kunt gaan.
Linksom of rechtsom: Mauro mag zeker niet permanent in Nederland blijven. Mauro is het zoenoffer van het CDA aan de PVV. Door op het pluche te gaan zitten met gedoogsteun van de PVV hebben ze zichzelf in zo’n situatie gemanoeuvreerd. Ze hebben zichzelf te kakken gezet met hun gedraai.
Ja, de PVV. Daar morrelt en bromt de kiezer omdat hun blonde Greet er maar niet in slaagt om al zijn mooie beloftes waar te maken. Maar nu hebben ze dan eindelijk een succesje geboekt. Gefeliciteerd.
In mijn hart hoop ik dat Mauro de eer aan zichzelf laat, naar Angola gaat en daar een nieuw leven op bouwt. Nu toch alles in het politieke is getrokken zou hij hier een statement mee afgeven, waarin hij duidelijk maakt geen aalmoes te hoeven, de CDA-kliek beteuterd achter latend.
Maar ik kan makkelijk lullen. Wil hij hier blijven dan moet hij het spel wel meespelen, een studievisum aanvragen en een verklaring ondertekenen waarin hij verklaart dat hij na afronding van zijn studie Nederland verlaat. En dan maar hopen dat er tegen die tijd een regering aan de macht is die met argumenten onderbouwt hem de Nederlandse nationaliteit aan biedt. Hij is dan immers minstens tien jaar in Nederland en hier nog steviger geaard dan nu.
zondag 30 oktober 2011
Gurdjieff
Snuffelend tussen de bestanden op mijn harde schijf kom ik af en toe teksten tegen die voor mij heel inspirerend zijn. Ik maak me er vandaag makkelijk van af door zo'n tekst op te nemen in mijn weblog.
Gisteren is het zoals verwacht weer laat geworden. Gelukkig is de wintertijd ingevoerd en duurt vandaag 25 uur. Dat ene extra uurtje heb ik wel nodig om van mijn indolentie af te komen.
Vandaag ga ik niet de deur meer uit.
In order to do it is necessary to be. (Gurdjieff)
A very important moment in the work on oneself
is when a man begins to distinguish his personality and his essence.
A man’s real I, his individuality, can grow only from his essence.
It can be said that a man’s individuality is his essence, grown up, mature.
But in order to enable essence to grow up,
it is first of all necessary to weaken the constant pressure of personality upon it,
because the obstacles to the growth of essence are contained in personality.
Certain teachings compare man to a house of four rooms.
Man lives in one room, the smallest and poorest of all, and until he is told of it,
he does not suspect the existence of the other rooms which are full of treasures.
When he does learn of this he begins to seek the keys to these rooms and especially the fourth, the most important, room. And when a man has found his way into this room he really becomes the master of his house, for only then does the house belong to him wholly and forever.
The crowd neither wants nor seeks knowledge, and the leaders of the crowd, in their own interests, try to strengthen its fear and dislike of everything new and unknown. The slavery in which mankind lives is based upon this fear.
There is no compulsory, mechanical evolution.
Evolution is the result of conscious struggle.
The evolution of man is the evolution of his consciousness, and ‘consciousness’ cannot evolve unconsciously. The evolution of man is the evolution of his will, and ‘will’ cannot evolve involuntarily. The evolution of man is the evolution of his power of doing, and ‘doing’ cannot be the result of things which ‘happen’.
‘Progress’ and ‘Civilization’, in the real meaning of these words, can appear only as a result of conscious efforts. They cannot appear as the result of unconscious mechanical actions.
Of the desires expressed the one which is most right
is the desire to be ‘master of oneself’, because without this nothing else is possible.
Everything is dependent on everything else, everything is connected, nothing is separate. Therefore everything is going in the only way it can go.
If people were different everything would be different.
They are what they are, so everything is as it is.
The evolution of man can be taken as the development in him of those powers and possibilities which never develop by themselves, that is, mechanically.
Only this kind of development, only this kind of growth, marks the real evolution of man.
There is, and there can be, no other kind of evolution whatever.
One thing alone is certain, that man’s slavery grows and increases.
Man is becoming a willing slave.
He no longer needs chains.
He begins to grow fond of his slavery, to be proud of it.
And this is the most terrible thing that can happen to a man.
Imagine that we are sitting here talking of religions and that the maid Masha hears
our conversation. She, of course, understands it in her own way and she repeats
what she has understood to the porter Ivan. The porter Ivan again understands it in
his own way and he repeats what he has understood to the coachman Peter next
door. The coachman Peter goes to the country and recounts in the village what the
gentry talk about in town. Do you think that what he recounts will at all resemble
what we said? This is precisely the relation between existing religions and that which
was their basis. You get teachings, traditions, prayers, rites, not at fifth but at
twenty-fifth hand, and, of course, almost everything has been distorted beyond
recognition and everything essential forgotten long ago.
Gisteren is het zoals verwacht weer laat geworden. Gelukkig is de wintertijd ingevoerd en duurt vandaag 25 uur. Dat ene extra uurtje heb ik wel nodig om van mijn indolentie af te komen.
Vandaag ga ik niet de deur meer uit.
In order to do it is necessary to be. (Gurdjieff)
A very important moment in the work on oneself
is when a man begins to distinguish his personality and his essence.
A man’s real I, his individuality, can grow only from his essence.
It can be said that a man’s individuality is his essence, grown up, mature.
But in order to enable essence to grow up,
it is first of all necessary to weaken the constant pressure of personality upon it,
because the obstacles to the growth of essence are contained in personality.
Certain teachings compare man to a house of four rooms.
Man lives in one room, the smallest and poorest of all, and until he is told of it,
he does not suspect the existence of the other rooms which are full of treasures.
When he does learn of this he begins to seek the keys to these rooms and especially the fourth, the most important, room. And when a man has found his way into this room he really becomes the master of his house, for only then does the house belong to him wholly and forever.
The crowd neither wants nor seeks knowledge, and the leaders of the crowd, in their own interests, try to strengthen its fear and dislike of everything new and unknown. The slavery in which mankind lives is based upon this fear.
There is no compulsory, mechanical evolution.
Evolution is the result of conscious struggle.
The evolution of man is the evolution of his consciousness, and ‘consciousness’ cannot evolve unconsciously. The evolution of man is the evolution of his will, and ‘will’ cannot evolve involuntarily. The evolution of man is the evolution of his power of doing, and ‘doing’ cannot be the result of things which ‘happen’.
‘Progress’ and ‘Civilization’, in the real meaning of these words, can appear only as a result of conscious efforts. They cannot appear as the result of unconscious mechanical actions.
Of the desires expressed the one which is most right
is the desire to be ‘master of oneself’, because without this nothing else is possible.
Everything is dependent on everything else, everything is connected, nothing is separate. Therefore everything is going in the only way it can go.
If people were different everything would be different.
They are what they are, so everything is as it is.
The evolution of man can be taken as the development in him of those powers and possibilities which never develop by themselves, that is, mechanically.
Only this kind of development, only this kind of growth, marks the real evolution of man.
There is, and there can be, no other kind of evolution whatever.
One thing alone is certain, that man’s slavery grows and increases.
Man is becoming a willing slave.
He no longer needs chains.
He begins to grow fond of his slavery, to be proud of it.
And this is the most terrible thing that can happen to a man.
Imagine that we are sitting here talking of religions and that the maid Masha hears
our conversation. She, of course, understands it in her own way and she repeats
what she has understood to the porter Ivan. The porter Ivan again understands it in
his own way and he repeats what he has understood to the coachman Peter next
door. The coachman Peter goes to the country and recounts in the village what the
gentry talk about in town. Do you think that what he recounts will at all resemble
what we said? This is precisely the relation between existing religions and that which
was their basis. You get teachings, traditions, prayers, rites, not at fifth but at
twenty-fifth hand, and, of course, almost everything has been distorted beyond
recognition and everything essential forgotten long ago.
vrijdag 28 oktober 2011
Mauro
Er was er eens een kleine jongen van tien jaar, die door zijn ouders naar Nederland werd gestuurd omdat het levensgevaarlijk was in hun eigen land en zij een veilige toekomst voor hun kind voor ogen hadden.
Hun kind mocht voorlopig in Nederland blijven, maar een rare PVDA-man, met een veel voorkomende Joodse achternaam, had er voor gezorgd dat er een wetje kwam waarin stond dat de jongen, net als alle andere jongetjes en meisjes die hier zonder ouders waren aangekomen, weer terug naar zijn land zou moeten als hij 18 was.
En de jongen groeide op in de Nederlandse samenleving en werd een echte Nederlander. Hij was nu acht jaar in Nederland en de grote dag was bijna aangebroken. Hij zou op kosten van Nederland een enkele reis Angola krijgen. Wat was deze jongen blij. Hij kon niet wachten om afscheid te nemen van het gezin waarin hij zo liefdevol was groot gebracht. Ook zij juichten zijn komende vertrek toe.
Wat hij allemaal geleerd had op school zou hij vast goed kunnen gebruiken als hij weer in Angola zou zijn. Ook zou hij zijn vrienden Nederlands kunnen leren, want zoals iedereen wel weet is Nederlands een wereldtaal die iedereen graag beheerst. Maar terwijl onze Mauro, want zo heette de knul, vol verwachting alvast zijn koffers aan het pakken was, stak er een politieke partij een stokje voor zijn vertrek. Want zij hadden last van hun, je raadt het nooit, ik zal het hier met hoofdletters spellen, hun G E W E T E N. En die politieke partij was het CDA en de minister van emigratie (of was het immigratie?) en Asiel, Gerd Leers, was een echte CDA’er. Een man die als burgemeester van Maastricht voortijdig moest aftreden omdat, toen er problemen ontstonden over de privé- aanschaf van een vakantievilla in Bulgarije, hij zijn functie als burgemeester gebruikte om zijn recht te halen, terwijl de gemeente Maastricht hier niets van wist. En deze Gerd wilde toch zo graag dat Mauro hier zou blijven. Dan kon iedereen zien dat het Nederlandse immigratiebeleid zo slecht nog niet was. Maar iedereen raakte wel een beetje in de war van zijn gedraai toen hij, zoals hij wel eerder gedaan had, van mening veranderde. Aan de bijzettafel van de regering van dat land zat namelijk een grote briesende blonde fee, die dreigde een vloek over Gerd en de zijnen uit te spreken als Mauro een verblijfsvergunning zou krijgen. Zelfs zijn partijgenoten wisten niet meer wat er van hen werd verwacht.
Terzijde: iedereen weet dat er niets leukers is dan het zien van de worsteling die het CDA voert met zijn geweten, al is het nooit een spannend gevecht. Natuurlijk delft het geweten het onderspit, maar dat komt omdat veel CDA’ers sterker zijn dan hun zwak ontwikkelde geweten. Voor sommigen is het zelfs verwoorden tot een rudimentair aanhangsel dat hen alleen maar zo af en toe een vervelende jeuk bezorgt. CDA’ers hebben deze strijd vaker gestreden. Altijd met de bijbel in hun hand en hun geweten aan de kant. Dat er mensen zijn als Ad Koppejan en Kathleen Ferrier die hun Bijbelse uitgangspunten trouw gebleven zijn is mooi, want anders zou er helemaal van een gevecht geen sprake zijn. Maar wel jammer dat ze straks elke geloofwaardigheid verliezen als ze op de valreep alsnog bakzeil halen en het besluit ondersteunen waarin staat dat Mauro Manuel terug moet naar Angola. Want zo is de wet nu eenmaal. En CDA’ers houden zich altijd aan de wet en die bijbel is de lijmpot die de christenen bindt. De bladzijden plakken er van aan elkaar, de handen zijn er smerig van, maar welke christen leest tegenwoordig nog de bijbel? Dan zijn er tegenwoordig wel leukere boeken. En dat geinige weblog natuurlijk van “Dutchy”. Rare naam trouwens. Zou die jongen wel een verblijfsvergunning hebben? Einde terzijde.
Gerd zei dat hij alle mogelijkheden had bekeken maar dat hij geen mogelijkheden zag om Mauro hier te houden. Hij moest de jongen die zo graag terug wilde naar Angola laten gaan.
Gerd had echter de Volkskrant niet gelezen. Hier volgt een stukje uit het artikel dat daar in stond.
Hoogleraren recht: Leers kan Mauro wel degelijk verblijfsvergunning verlenen
Minister Gerd Leers kan de Angolese asielzoeker Mauro wel degelijk een verblijfsvergunning verlenen. Daar zijn namelijke goede juridische argumenten voor op te voeren. Dat stelt een groep van twaalf rechtshoogleraren morgen in een opiniestuk in de Volkskrant.
Leers zei eerder deze week alle mogelijkheden te hebben onderzocht om Mauro alsnog in Nederland te kunnen houden, maar er geen één gevonden te hebben. Volgens de hoogleraren heeft de minister echter een grote mate van vrijheid om zijn discretionaire bevoegdheid te gebruiken.
Redelijkheid
Daarvoor 'kunnen goede en juridisch houdbare argumenten worden aangevoerd', zo staat in het opiniestuk. Immers, de Raad van State oordeelde dan wel dat de minister 'in redelijkheid' heeft mogen oordelen dat Mauro geen verblijfsvergunning hoefde te worden verstrekt op grond van zijn gezinsbanden, maar dat geldt evengoed andersom.
Mauro vormt namelijk een gezin met zijn pleegouders en pleegbroer. 'Dit gezinsleven verdient bescherming op grond van onder meer artikel 8 van het Europese mensenrechtenverdrag.'
En dus, zo schrijven de hoogleraren: 'de rechter zou ongetwijfeld ook vinden dat de minister vanwege het gezinsleven in redelijkheid wél een vergunning aan Mauro kan geven'.
Uiteindelijk werd besloten om Mauro niet tegen te houden. Als hij zo graag terug wilde naar Angola, dan moest hij maar gaan. De ondankbare hond.
En zo geschiedde het dat in de donkere dagen vlak voor Kerst een groot vliegtuig van Schiphol opsteeg en richting Angola koerste met aan boord Mauro, de bijna echte Nederlander. In Angola zaten ze met open armen op hem te wachten. En Mauro leefde nog lang en gelukkig. En Gerd natuurlijk ook.
Hun kind mocht voorlopig in Nederland blijven, maar een rare PVDA-man, met een veel voorkomende Joodse achternaam, had er voor gezorgd dat er een wetje kwam waarin stond dat de jongen, net als alle andere jongetjes en meisjes die hier zonder ouders waren aangekomen, weer terug naar zijn land zou moeten als hij 18 was.
En de jongen groeide op in de Nederlandse samenleving en werd een echte Nederlander. Hij was nu acht jaar in Nederland en de grote dag was bijna aangebroken. Hij zou op kosten van Nederland een enkele reis Angola krijgen. Wat was deze jongen blij. Hij kon niet wachten om afscheid te nemen van het gezin waarin hij zo liefdevol was groot gebracht. Ook zij juichten zijn komende vertrek toe.
Wat hij allemaal geleerd had op school zou hij vast goed kunnen gebruiken als hij weer in Angola zou zijn. Ook zou hij zijn vrienden Nederlands kunnen leren, want zoals iedereen wel weet is Nederlands een wereldtaal die iedereen graag beheerst. Maar terwijl onze Mauro, want zo heette de knul, vol verwachting alvast zijn koffers aan het pakken was, stak er een politieke partij een stokje voor zijn vertrek. Want zij hadden last van hun, je raadt het nooit, ik zal het hier met hoofdletters spellen, hun G E W E T E N. En die politieke partij was het CDA en de minister van emigratie (of was het immigratie?) en Asiel, Gerd Leers, was een echte CDA’er. Een man die als burgemeester van Maastricht voortijdig moest aftreden omdat, toen er problemen ontstonden over de privé- aanschaf van een vakantievilla in Bulgarije, hij zijn functie als burgemeester gebruikte om zijn recht te halen, terwijl de gemeente Maastricht hier niets van wist. En deze Gerd wilde toch zo graag dat Mauro hier zou blijven. Dan kon iedereen zien dat het Nederlandse immigratiebeleid zo slecht nog niet was. Maar iedereen raakte wel een beetje in de war van zijn gedraai toen hij, zoals hij wel eerder gedaan had, van mening veranderde. Aan de bijzettafel van de regering van dat land zat namelijk een grote briesende blonde fee, die dreigde een vloek over Gerd en de zijnen uit te spreken als Mauro een verblijfsvergunning zou krijgen. Zelfs zijn partijgenoten wisten niet meer wat er van hen werd verwacht.
Terzijde: iedereen weet dat er niets leukers is dan het zien van de worsteling die het CDA voert met zijn geweten, al is het nooit een spannend gevecht. Natuurlijk delft het geweten het onderspit, maar dat komt omdat veel CDA’ers sterker zijn dan hun zwak ontwikkelde geweten. Voor sommigen is het zelfs verwoorden tot een rudimentair aanhangsel dat hen alleen maar zo af en toe een vervelende jeuk bezorgt. CDA’ers hebben deze strijd vaker gestreden. Altijd met de bijbel in hun hand en hun geweten aan de kant. Dat er mensen zijn als Ad Koppejan en Kathleen Ferrier die hun Bijbelse uitgangspunten trouw gebleven zijn is mooi, want anders zou er helemaal van een gevecht geen sprake zijn. Maar wel jammer dat ze straks elke geloofwaardigheid verliezen als ze op de valreep alsnog bakzeil halen en het besluit ondersteunen waarin staat dat Mauro Manuel terug moet naar Angola. Want zo is de wet nu eenmaal. En CDA’ers houden zich altijd aan de wet en die bijbel is de lijmpot die de christenen bindt. De bladzijden plakken er van aan elkaar, de handen zijn er smerig van, maar welke christen leest tegenwoordig nog de bijbel? Dan zijn er tegenwoordig wel leukere boeken. En dat geinige weblog natuurlijk van “Dutchy”. Rare naam trouwens. Zou die jongen wel een verblijfsvergunning hebben? Einde terzijde.
Gerd zei dat hij alle mogelijkheden had bekeken maar dat hij geen mogelijkheden zag om Mauro hier te houden. Hij moest de jongen die zo graag terug wilde naar Angola laten gaan.
Gerd had echter de Volkskrant niet gelezen. Hier volgt een stukje uit het artikel dat daar in stond.
Hoogleraren recht: Leers kan Mauro wel degelijk verblijfsvergunning verlenen
Minister Gerd Leers kan de Angolese asielzoeker Mauro wel degelijk een verblijfsvergunning verlenen. Daar zijn namelijke goede juridische argumenten voor op te voeren. Dat stelt een groep van twaalf rechtshoogleraren morgen in een opiniestuk in de Volkskrant.
Leers zei eerder deze week alle mogelijkheden te hebben onderzocht om Mauro alsnog in Nederland te kunnen houden, maar er geen één gevonden te hebben. Volgens de hoogleraren heeft de minister echter een grote mate van vrijheid om zijn discretionaire bevoegdheid te gebruiken.
Redelijkheid
Daarvoor 'kunnen goede en juridisch houdbare argumenten worden aangevoerd', zo staat in het opiniestuk. Immers, de Raad van State oordeelde dan wel dat de minister 'in redelijkheid' heeft mogen oordelen dat Mauro geen verblijfsvergunning hoefde te worden verstrekt op grond van zijn gezinsbanden, maar dat geldt evengoed andersom.
Mauro vormt namelijk een gezin met zijn pleegouders en pleegbroer. 'Dit gezinsleven verdient bescherming op grond van onder meer artikel 8 van het Europese mensenrechtenverdrag.'
En dus, zo schrijven de hoogleraren: 'de rechter zou ongetwijfeld ook vinden dat de minister vanwege het gezinsleven in redelijkheid wél een vergunning aan Mauro kan geven'.
Uiteindelijk werd besloten om Mauro niet tegen te houden. Als hij zo graag terug wilde naar Angola, dan moest hij maar gaan. De ondankbare hond.
En zo geschiedde het dat in de donkere dagen vlak voor Kerst een groot vliegtuig van Schiphol opsteeg en richting Angola koerste met aan boord Mauro, de bijna echte Nederlander. In Angola zaten ze met open armen op hem te wachten. En Mauro leefde nog lang en gelukkig. En Gerd natuurlijk ook.
woensdag 26 oktober 2011
Schlemiel.
Herfst. Ik word er een beetje melancholisch van. Om onduidelijke reden komen er gedachten in mij op waarin ik de schlemiel, die in een ieder van ons verborgen zit, in mezelf herken.
Zoals je weet is een schlemiel een ‘pechvogel’. Maar wel een, die zijn pech aan zichzelf te wijten heeft.
Ik zal twintig geweest zijn. We zaten achter een biertje gezellig te bomen over sciencefiction toen Andrew voorstelde om met elkaar een ruilbeurs te organiseren. Als we nu eens volgende week de sciencefictionboeken die we gelezen hadden bij elkaar zouden leggen, dan kon iedereen de boeken die hij zelf wilde lezen mee nemen. Voor niets.
Een win-winsituatie, zo hield hij ons voor. Zo kwam je van je overbodige boeken af en kreeg je er andere gratis voor terug. Het klonk te mooi om waar te zijn, maar we lieten ons overtuigen door zijn enthousiasme. Aan boeken komen zonder ze te hoeven kopen of te lenen sprak ons wel aan.
Ik kwam op het afgesproken moment langs met een volle plastic zak. Ruim twintig, misschien wel dertig boeken had ik bij me. Ik raakte ze allemaal kwijt die avond. Vooral Andrew bleek nog veel boeken niet gelezen te hebben. Met vier of vijf boeken die ik nog niet kende ging ik de deur uit. Ook toen al was ik in dit soort zaken een schlemiel. Andrew zal wel een goede zakenman zijn geworden.
Natuurlijk had ik dit van mezelf kunnen weten. Ik ben immers als schlemiel geboren.
Wie kent er niet het spel ‘handje raaien’, dat je als kind speelde? Je moest dan raden hoeveel knikkers iemand in zijn twee gesloten handen had. Raadde je het goed, dan kreeg je de knikkers. Maar als je het verkeerd had moest je het verschil bijpassen.
Al was het maar een kinderspel, het werd bloedernstig gespeeld.
Ik herinner mij dat ik op een kwade dag na schooltijd met bijna een schoenendoos vol knikkers het spel speelde met Wout. Hij was wel twee koppen groter dan ik en had kolenschoppen van handen.
‘Vijf’ riep ik bijvoorbeeld, nadat ik de twee opeen gedrukte handen nauwkeurig had geïnspecteerd.
Wout deed dan zijn handen open en hij bleek er dan wel zestig kleine knikkertjes in te hebben.
Zo’n ronde kostte me dan meer dan vijftig knikkers.
Natuurlijk wilde ik ze weer terug verdienen. ‘Tien’ zei Wout dan nadat hij mijn handen bekeken had.
Hij zat er vijf naast en triomfantelijk overhandigde hij me vijf knikkers. ‘Dat heb je goed gedaan’, zei hij dan ironisch. En ik dacht toen nog dat hij me werkelijk een compliment gaf.
Binnen een half uur was ik al mijn knikkers kwijt. Wout was verrukt over zijn onverwachte succes en verbaasd dat hij mij zo gemakkelijk van mijn knikkers had afgeholpen.
Geschrokken van mijn verslagenheid gaf hij mij een handje knikkers terug.
‘Ik moet nu naar huis. Eten’. En triomfantelijk ging hij er vandoor, mij in verwarring achter latend.
‘Het is niet verstandig om alles op het spel te zetten als je kansen op winst erg klein zijn’, was de boodschap. Maar of ik werkelijk wat van deze gebeurtenis heb geleerd…
Niet alleen als het om boeken of knikkers ging, ook in andere zaken ging het wel eens mis.
Zo had ik als tienjarige een houten stok urenlang met een klein zakmesje bewerkt. Ik hield nu een prachtig zwaard in mijn handen en voelde mij oppermachtig. De andere kinderen keken vol bewondering naar het resultaat van mijn noeste arbeid. ‘Mag ik hem even vasthouden?’ vroegen ze en welwillend stond ik dit toe. Het mooie houten zwaard ging van hand tot hand en iedereen was het er over eens dat dit toch wel het mooiste zwaard was van allemaal.
Later op de dag trokken we met een klein groepje jongens met houten zwaarden een andere wijk in.
Hier woonde de vijand en die gingen we opzoeken. Het duurde niet lang of we hadden hem gevonden. Ik zwaaide woest met mijn zwaard door de lucht. “Kom maar op, als jullie durven” riepen we naar de andere jongens, die een eindje verder op in een afwachtende houding naar ons stonden te kijken. Terwijl ik met opgeheven zwaard “Aanvalluhhh” brulde, voelde ik opeens hoe mijn houten wapen uit mijn handen werd gerukt. Schuin achter me stond een jongen die minstens vijf jaar ouder was. “Mooi zwaard heb jij. Zelf gemaakt?” Toen, zonder mijn antwoord af te wachten, tilde hij zijn rechterbeen op en brak het zwaard op zijn knieën door midden. ”Niet erg sterk”, zei hij lachend en gaf mij de twee gebroken stukken hout terug. Hij had zomaar mijn zwaard, het zwaard waar ik uren op gezwoegd had, door midden gebroken. Ik was verbijsterd.
“En nou opsodemieteren”, riep hij onverwachts dreigend. We stoven weg, want zin in een pak slaag had niemand van ons. Mijn zwaard was stuk. In de ogen van mijn vriendjes was ik dappere ridder af.
Wat voelde ik mij een schlemiel. Met mijn zakmesje maakte ik later van het houten lemmet een mooie houten dolk. “Eigenlijk veel mooier dan zo’n groot onhandig zwaard”, dacht ik. En goed te verstoppen voor de vijand, zodat ze hem niet zo snel meer van me zouden af pakken.
Ook toen al zag ik na een vervelende gebeurtenis weer snel de zon in het water schijnen.
Een halve eeuw is er sindsdien voorbij gegaan. Nog steeds komen mensen met goede ideeën die vooral voor hen zelf goed uitpakken. Misschien moet je jezelf wel altijd de vraag stellen wie er beter wordt van dat idee voordat je er in mee gaat.
Ik moet altijd lachen om de onnozelen die hun vaak zuur verdiende spaarcentjes uitlenen aan mensen met goeie ideeën die hen 10% rente beloven in tijden dat je op de bank slechts 3% krijgt.
Vervolgens zijn ze alles kwijt en willen ze dat wij hen zielig vinden. Stom zijn ze. Hartstikke stom.
De schlemiel in hen heeft het van hun gezonde verstand gewonnen.
Mijn ervaringen met het knikkerspel kun je gemakkelijk doortrekken naar deze tijd. Overal wordt het spel om de knikkers bloedserieus gespeeld. Knikkerimperiums komen en gaan. Opnieuw worden er enkelen schatrijk van de crisis in Europa. Alles wordt er op het spel gezet. Maar ik schat in dat de winkansen heel klein zijn. Alle schlemielen van Europa verenigt u. Ontwaakt, schlemielen dezer aarde. Voorwaarts en niet vergeten…de solidariteit. We worden allemaal genaaid en vragen om meer. Nu, we zullen het krijgen ook.
De tijd heeft stil gestaan. Er bestaat geen vooruitgang.
Er zijn alleen maar gebeurtenissen. En winnaars en schlemielen.
Zoals je weet is een schlemiel een ‘pechvogel’. Maar wel een, die zijn pech aan zichzelf te wijten heeft.
Ik zal twintig geweest zijn. We zaten achter een biertje gezellig te bomen over sciencefiction toen Andrew voorstelde om met elkaar een ruilbeurs te organiseren. Als we nu eens volgende week de sciencefictionboeken die we gelezen hadden bij elkaar zouden leggen, dan kon iedereen de boeken die hij zelf wilde lezen mee nemen. Voor niets.
Een win-winsituatie, zo hield hij ons voor. Zo kwam je van je overbodige boeken af en kreeg je er andere gratis voor terug. Het klonk te mooi om waar te zijn, maar we lieten ons overtuigen door zijn enthousiasme. Aan boeken komen zonder ze te hoeven kopen of te lenen sprak ons wel aan.
Ik kwam op het afgesproken moment langs met een volle plastic zak. Ruim twintig, misschien wel dertig boeken had ik bij me. Ik raakte ze allemaal kwijt die avond. Vooral Andrew bleek nog veel boeken niet gelezen te hebben. Met vier of vijf boeken die ik nog niet kende ging ik de deur uit. Ook toen al was ik in dit soort zaken een schlemiel. Andrew zal wel een goede zakenman zijn geworden.
Natuurlijk had ik dit van mezelf kunnen weten. Ik ben immers als schlemiel geboren.
Wie kent er niet het spel ‘handje raaien’, dat je als kind speelde? Je moest dan raden hoeveel knikkers iemand in zijn twee gesloten handen had. Raadde je het goed, dan kreeg je de knikkers. Maar als je het verkeerd had moest je het verschil bijpassen.
Al was het maar een kinderspel, het werd bloedernstig gespeeld.
Ik herinner mij dat ik op een kwade dag na schooltijd met bijna een schoenendoos vol knikkers het spel speelde met Wout. Hij was wel twee koppen groter dan ik en had kolenschoppen van handen.
‘Vijf’ riep ik bijvoorbeeld, nadat ik de twee opeen gedrukte handen nauwkeurig had geïnspecteerd.
Wout deed dan zijn handen open en hij bleek er dan wel zestig kleine knikkertjes in te hebben.
Zo’n ronde kostte me dan meer dan vijftig knikkers.
Natuurlijk wilde ik ze weer terug verdienen. ‘Tien’ zei Wout dan nadat hij mijn handen bekeken had.
Hij zat er vijf naast en triomfantelijk overhandigde hij me vijf knikkers. ‘Dat heb je goed gedaan’, zei hij dan ironisch. En ik dacht toen nog dat hij me werkelijk een compliment gaf.
Binnen een half uur was ik al mijn knikkers kwijt. Wout was verrukt over zijn onverwachte succes en verbaasd dat hij mij zo gemakkelijk van mijn knikkers had afgeholpen.
Geschrokken van mijn verslagenheid gaf hij mij een handje knikkers terug.
‘Ik moet nu naar huis. Eten’. En triomfantelijk ging hij er vandoor, mij in verwarring achter latend.
‘Het is niet verstandig om alles op het spel te zetten als je kansen op winst erg klein zijn’, was de boodschap. Maar of ik werkelijk wat van deze gebeurtenis heb geleerd…
Niet alleen als het om boeken of knikkers ging, ook in andere zaken ging het wel eens mis.
Zo had ik als tienjarige een houten stok urenlang met een klein zakmesje bewerkt. Ik hield nu een prachtig zwaard in mijn handen en voelde mij oppermachtig. De andere kinderen keken vol bewondering naar het resultaat van mijn noeste arbeid. ‘Mag ik hem even vasthouden?’ vroegen ze en welwillend stond ik dit toe. Het mooie houten zwaard ging van hand tot hand en iedereen was het er over eens dat dit toch wel het mooiste zwaard was van allemaal.
Later op de dag trokken we met een klein groepje jongens met houten zwaarden een andere wijk in.
Hier woonde de vijand en die gingen we opzoeken. Het duurde niet lang of we hadden hem gevonden. Ik zwaaide woest met mijn zwaard door de lucht. “Kom maar op, als jullie durven” riepen we naar de andere jongens, die een eindje verder op in een afwachtende houding naar ons stonden te kijken. Terwijl ik met opgeheven zwaard “Aanvalluhhh” brulde, voelde ik opeens hoe mijn houten wapen uit mijn handen werd gerukt. Schuin achter me stond een jongen die minstens vijf jaar ouder was. “Mooi zwaard heb jij. Zelf gemaakt?” Toen, zonder mijn antwoord af te wachten, tilde hij zijn rechterbeen op en brak het zwaard op zijn knieën door midden. ”Niet erg sterk”, zei hij lachend en gaf mij de twee gebroken stukken hout terug. Hij had zomaar mijn zwaard, het zwaard waar ik uren op gezwoegd had, door midden gebroken. Ik was verbijsterd.
“En nou opsodemieteren”, riep hij onverwachts dreigend. We stoven weg, want zin in een pak slaag had niemand van ons. Mijn zwaard was stuk. In de ogen van mijn vriendjes was ik dappere ridder af.
Wat voelde ik mij een schlemiel. Met mijn zakmesje maakte ik later van het houten lemmet een mooie houten dolk. “Eigenlijk veel mooier dan zo’n groot onhandig zwaard”, dacht ik. En goed te verstoppen voor de vijand, zodat ze hem niet zo snel meer van me zouden af pakken.
Ook toen al zag ik na een vervelende gebeurtenis weer snel de zon in het water schijnen.
Een halve eeuw is er sindsdien voorbij gegaan. Nog steeds komen mensen met goede ideeën die vooral voor hen zelf goed uitpakken. Misschien moet je jezelf wel altijd de vraag stellen wie er beter wordt van dat idee voordat je er in mee gaat.
Ik moet altijd lachen om de onnozelen die hun vaak zuur verdiende spaarcentjes uitlenen aan mensen met goeie ideeën die hen 10% rente beloven in tijden dat je op de bank slechts 3% krijgt.
Vervolgens zijn ze alles kwijt en willen ze dat wij hen zielig vinden. Stom zijn ze. Hartstikke stom.
De schlemiel in hen heeft het van hun gezonde verstand gewonnen.
Mijn ervaringen met het knikkerspel kun je gemakkelijk doortrekken naar deze tijd. Overal wordt het spel om de knikkers bloedserieus gespeeld. Knikkerimperiums komen en gaan. Opnieuw worden er enkelen schatrijk van de crisis in Europa. Alles wordt er op het spel gezet. Maar ik schat in dat de winkansen heel klein zijn. Alle schlemielen van Europa verenigt u. Ontwaakt, schlemielen dezer aarde. Voorwaarts en niet vergeten…de solidariteit. We worden allemaal genaaid en vragen om meer. Nu, we zullen het krijgen ook.
De tijd heeft stil gestaan. Er bestaat geen vooruitgang.
Er zijn alleen maar gebeurtenissen. En winnaars en schlemielen.
dinsdag 25 oktober 2011
Rustig aan.
Even erg druk. Jammer, maar helaas.Tip voor mensen die van goeie documentaires houden:
Hier!!!
Alles in het Engels en werkelijk een schat aan informatie.
Hier!!!
Alles in het Engels en werkelijk een schat aan informatie.
zondag 16 oktober 2011
Occupy
Het was lekker om in het zonnetje te demonstreren op het Beursplein in Amsterdam. Degenen die niet geweest zijn hebben wat gemist. Natuurlijk was ik niet gegaan als het had geregend.Nee, ik ben zeker niet iemand die vooraan op de barricaden staat. Maar zoals die man op het journaal al zei: ”Het is vijfendertig jaar geleden dat ik voor het laatst heb gedemonstreerd. Nu vond ik het hoog tijd om weer te gaan. De uitwassen van het kapitalistische systeem raken iedereen”.
En het is moeilijk om het daar niet mee eens te zijn.
Nu wordt gezegd dat het alleen de machtigen zijn die een donker gordijn leggen over onze toekomst. Dat zij als enigen de aarde uitbuiten en verantwoordelijk zijn voor de verwoestingen die worden aangericht.
Hierbij wordt helaas voorbij gegaan aan onze eigen verantwoordelijkheid.
Die 1% machtigen maken er met elkaar toch nog altijd een minder grote troep van dan die 99% machtelozen. Waarvan er velen stiekem dromen dat zij of hun kinderen eens zullen behoren tot de 1% machtigen die deze aarde nu regeren.
Ik weet dat het niet sympathiek is om te zeggen dat Jan Modaal dezelfde mentaliteit heeft als degenen die over ons heersen. Dat wil hij niet horen en hij wil hier niet over nadenken. Dat heeft hij nooit geleerd en niemand in zijn omgeving is hem er dankbaar voor als hij dat wel doet. Op dominees zit niemand te wachten. Het is niet voor niets dat de kerken leeg lopen.
Maar al die geschoolde mensen die het wel geleerd hebben? Die weten dat wat ik hier neer zet juist is? Kennis moet niet met moraliteit worden verward. Kennis kan heel goed leiden tot immoreel of amoreel gedrag. Ook al is men niet gewend dat het zo genoemd wordt. Je hoort wat je horen wilt.
Natuurlijk is ook bij mij het hemd nader dan de rok. Enerzijds maak ik mij zorgen over de grote ontwikkelingen die ik zie. De uitbuiting van de mensen en de natuur. De niet te stoppen klimaatverandering. De oorlogszuchtige taal die veel landen uitslaan. De hebzucht en graaimentaliteit van velen. Want we denken allemaal dat succes in het leven hetzelfde is als ‘rijk zijn’.
Anderzijds wil ook ik niet inleveren. Ook ik wil alleen maar meer en beter.
Alleen doe ik hier niet veel aan. Want eigenlijk interesseert het me niet. Zo lang ik maar niet rood sta. En een comfortabel huis heb om in te wonen. Met alle spulletjes die het leven zo kunnen veraangenamen. En zo is de situatie nu.
Wat veel mensen blijkbaar niet lijken te beseffen is dat we het allemaal in een razend snel tempo weer kwijt kunnen raken. En die kans schat ik hoog in.
Ik heb het nu niet eens over de schade die hebzucht en kortzichtigheid in de hele wereld aanrichten, waarbij de meest kwetsbaren als altijd het eerst voor de bijl gaan.
Dus al vind ik dat iedereen die na kan denken verantwoordelijk is voor de chaos die op ons af komt en die sommigen al heeft bereikt, het zijn wel de meer machtigen die echt de sleutel tot verandering in handen hebben. De massa kan zich wel gaan organiseren en moet dat ook doen. Maar hun gebrek aan ervaring in het besturen en hun goedgelovigheid en gemakzucht zullen een effectieve organisatie in de weg staan. Zij denken het liefst in ‘zwart-wit’. In ‘Goed versus Slecht.’ En velen vinden het maar wat fijn om de slachtofferrol op zich te nemen.
“Ik geloof niet in democratie”, zei een vooraanstaand correspondent bij de Wall Street Journal.
“Het is alsof een wolf en een lam samen een besluit moeten nemen”.
Het tekent het cynisme van de mensen die er met hun neus dagelijks bovenop staan en zien dat de schapen worden opgevreten door de wolf als hij hongerig is.
Zo’n man ziet z’n hele leven al wat macht met de mentaliteit van de mensen doet. Om het maar eens duidelijk te stellen: Het lijkt er op dat het ze geen reet kan schelen of deze wereld en alles wat daar op leeft naar de verdommenis gaat. Als de kassa maar rinkelt.
Stevige druk op de rijke bankiers, ceo’s van grote bedrijven, corrupte politici, speculanten, mediamagnaten en de hele rambam kan mogelijk tot een mentaliteitsverandering leiden. Maar de mensen zijn erg verdeeld. Bij velen staat het water nog niet tot de lippen. Daarom maak ik mij hier geen illusies over.
Niemand die de machtige tegen houdt. Dit gaat ook niet gebeuren. Misschien zal hij worden vervangen, maar dat hoeft geen verbetering te zijn.
Nee, ik ben zeker niet tegen het kapitalisme. In zijn zuiverste vorm lijkt het mij het beste systeem dat voor handen is. Het sluit namelijk het beste aan op wat de meeste mensen van het leven willen. Ik raad daarom iedereen aan om de film “Capitalism: a love story” van Michael Moore te gaan zien.
Het is zeker geen rechtvaardig systeem. En ook niet duurzaam. Maar een alternatief dat door iedereen wordt omarmd hebben we helaas nog niet. Al begrijp ik dat de ‘cradle to cradle’ gedachte langzaamaan steeds meer terrein wint.
Ja, wij zijn met z’n allen vreselijk verwend. Onze rijkdom beschouwen we als vanzelfsprekend. We willen ook niet weten wat de prijs is die we hiervoor met z’n allen betalen.
Wat een mooie paradox: De prijs die we betalen voor onze rijkdom.
Ik voorspel dat ‘Occupy’ zal groeien. Dat onderschat wordt wat hiervan de gevolgen zijn. Italiaanse toestanden zullen overal plaats vinden. Groepen in de samenleving zullen de beweging proberen te ‘kapen’. Mensen zullen tegen elkaar worden uitgespeeld. De polarisatie zal toenemen.
We mogen in onze handjes knijpen als het allemaal vreedzaam zal gaan. Maar gezien mijn vertrouwen in de menselijke natuur (Of beter gezegd ‘mijn gebrek aan vertrouwen’) verwacht ik hier niet veel van. Langzaam kantelt ons wereldbeeld en hiermee de wereld zelf. We staan opnieuw aan de rand van grote veranderingen. Het zonnetjes schijnt nog. Het is windstil. De stilte voor de storm.
En het is moeilijk om het daar niet mee eens te zijn.
Nu wordt gezegd dat het alleen de machtigen zijn die een donker gordijn leggen over onze toekomst. Dat zij als enigen de aarde uitbuiten en verantwoordelijk zijn voor de verwoestingen die worden aangericht.
Hierbij wordt helaas voorbij gegaan aan onze eigen verantwoordelijkheid.
Die 1% machtigen maken er met elkaar toch nog altijd een minder grote troep van dan die 99% machtelozen. Waarvan er velen stiekem dromen dat zij of hun kinderen eens zullen behoren tot de 1% machtigen die deze aarde nu regeren.
Ik weet dat het niet sympathiek is om te zeggen dat Jan Modaal dezelfde mentaliteit heeft als degenen die over ons heersen. Dat wil hij niet horen en hij wil hier niet over nadenken. Dat heeft hij nooit geleerd en niemand in zijn omgeving is hem er dankbaar voor als hij dat wel doet. Op dominees zit niemand te wachten. Het is niet voor niets dat de kerken leeg lopen.
Maar al die geschoolde mensen die het wel geleerd hebben? Die weten dat wat ik hier neer zet juist is? Kennis moet niet met moraliteit worden verward. Kennis kan heel goed leiden tot immoreel of amoreel gedrag. Ook al is men niet gewend dat het zo genoemd wordt. Je hoort wat je horen wilt.
Natuurlijk is ook bij mij het hemd nader dan de rok. Enerzijds maak ik mij zorgen over de grote ontwikkelingen die ik zie. De uitbuiting van de mensen en de natuur. De niet te stoppen klimaatverandering. De oorlogszuchtige taal die veel landen uitslaan. De hebzucht en graaimentaliteit van velen. Want we denken allemaal dat succes in het leven hetzelfde is als ‘rijk zijn’.
Anderzijds wil ook ik niet inleveren. Ook ik wil alleen maar meer en beter.
Alleen doe ik hier niet veel aan. Want eigenlijk interesseert het me niet. Zo lang ik maar niet rood sta. En een comfortabel huis heb om in te wonen. Met alle spulletjes die het leven zo kunnen veraangenamen. En zo is de situatie nu.
Wat veel mensen blijkbaar niet lijken te beseffen is dat we het allemaal in een razend snel tempo weer kwijt kunnen raken. En die kans schat ik hoog in.
Ik heb het nu niet eens over de schade die hebzucht en kortzichtigheid in de hele wereld aanrichten, waarbij de meest kwetsbaren als altijd het eerst voor de bijl gaan.
Dus al vind ik dat iedereen die na kan denken verantwoordelijk is voor de chaos die op ons af komt en die sommigen al heeft bereikt, het zijn wel de meer machtigen die echt de sleutel tot verandering in handen hebben. De massa kan zich wel gaan organiseren en moet dat ook doen. Maar hun gebrek aan ervaring in het besturen en hun goedgelovigheid en gemakzucht zullen een effectieve organisatie in de weg staan. Zij denken het liefst in ‘zwart-wit’. In ‘Goed versus Slecht.’ En velen vinden het maar wat fijn om de slachtofferrol op zich te nemen.
“Ik geloof niet in democratie”, zei een vooraanstaand correspondent bij de Wall Street Journal.
“Het is alsof een wolf en een lam samen een besluit moeten nemen”.
Het tekent het cynisme van de mensen die er met hun neus dagelijks bovenop staan en zien dat de schapen worden opgevreten door de wolf als hij hongerig is.
Zo’n man ziet z’n hele leven al wat macht met de mentaliteit van de mensen doet. Om het maar eens duidelijk te stellen: Het lijkt er op dat het ze geen reet kan schelen of deze wereld en alles wat daar op leeft naar de verdommenis gaat. Als de kassa maar rinkelt.
Stevige druk op de rijke bankiers, ceo’s van grote bedrijven, corrupte politici, speculanten, mediamagnaten en de hele rambam kan mogelijk tot een mentaliteitsverandering leiden. Maar de mensen zijn erg verdeeld. Bij velen staat het water nog niet tot de lippen. Daarom maak ik mij hier geen illusies over.
Niemand die de machtige tegen houdt. Dit gaat ook niet gebeuren. Misschien zal hij worden vervangen, maar dat hoeft geen verbetering te zijn.
Nee, ik ben zeker niet tegen het kapitalisme. In zijn zuiverste vorm lijkt het mij het beste systeem dat voor handen is. Het sluit namelijk het beste aan op wat de meeste mensen van het leven willen. Ik raad daarom iedereen aan om de film “Capitalism: a love story” van Michael Moore te gaan zien.
Het is zeker geen rechtvaardig systeem. En ook niet duurzaam. Maar een alternatief dat door iedereen wordt omarmd hebben we helaas nog niet. Al begrijp ik dat de ‘cradle to cradle’ gedachte langzaamaan steeds meer terrein wint.
Ja, wij zijn met z’n allen vreselijk verwend. Onze rijkdom beschouwen we als vanzelfsprekend. We willen ook niet weten wat de prijs is die we hiervoor met z’n allen betalen.
Wat een mooie paradox: De prijs die we betalen voor onze rijkdom.
Ik voorspel dat ‘Occupy’ zal groeien. Dat onderschat wordt wat hiervan de gevolgen zijn. Italiaanse toestanden zullen overal plaats vinden. Groepen in de samenleving zullen de beweging proberen te ‘kapen’. Mensen zullen tegen elkaar worden uitgespeeld. De polarisatie zal toenemen.
We mogen in onze handjes knijpen als het allemaal vreedzaam zal gaan. Maar gezien mijn vertrouwen in de menselijke natuur (Of beter gezegd ‘mijn gebrek aan vertrouwen’) verwacht ik hier niet veel van. Langzaam kantelt ons wereldbeeld en hiermee de wereld zelf. We staan opnieuw aan de rand van grote veranderingen. Het zonnetjes schijnt nog. Het is windstil. De stilte voor de storm.
donderdag 13 oktober 2011
Talent
Ik ben een uitermate slecht gitaarspeler. Zo. Het is er uit. En nu weet iedereen het die dit leest of die mij wel eens gitaar heeft horen spelen. En toch schijnt het niet moeilijk te zijn. Een kind kan de was doen. Theo, zullen we deze dame vragen of ze met ons een band wil starten? Ik vrees dat ik helaas niet door de selectie kom.
dinsdag 11 oktober 2011
Mijn kleinzoon Teim
Het gaat goed met mijn kleinzoon Teim. Laatst kreeg ik een foto van hem toegestuurd door mijn dochter.
Is het geen schatje? Je zou de gelukkige ouders moeten zien.
Is het geen schatje? Je zou de gelukkige ouders moeten zien.
zondag 9 oktober 2011
Reis over de taart (2.)
De wereld lag aan mijn voeten. Een wereld van marsepein. Eerst reed ik naar Azië. Daar kwam ik twee oude bekenden tegen: Ying en Yang. Zoals wel vaker waren ze weer eens volledig uit balans en stonden ze ruzie te maken. Dat heb je er van als je niet mèt maar ook niet zonder elkaar kunt. Dat leidt onvermijdelijk tot frustraties. Maar uit de cirkel van het Tao waarin ze vast zaten konden ze niet ontsnappen. Daarvoor waren ze teveel met elkaar verbonden.
In Yang klonk altijd het stemmetje van Ying en in Ying kon je de stem van Yang terug horen. In essentie waren ze één, al voelden ze zich verdeeld. Of zoiets.
Deze keer hadden ze ruzie over de taart waarop ze leefden. Yang vond zoveel zoetigheid maar niets. “Te zoet, veel te zoet”, riep hij luid en ijsbeerde heen en weer. “Maar na het zoet komt altijd het zuur en dat is goed”, riep Ying wanhopig. Yang wilde hier echter niets van horen.
Geamuseerd luisterde ik naar hun gebekvecht. Na enige tijd onderbrak ik hen en vroeg hen of ze mij konden vertellen waar Amerika lag. Want dat was mijn volgende bestemming.
Gelukkig waren ze het hier met elkaar over eens en beiden wezen naar het Oosten. ”Je kunt ook wel naar het Westen gaan, dan kom je er ook”, zei Yang. “Maar de kortste weg is naar het Oosten”. Ik bedankte hen voor hun hulp en nam afscheid. Terwijl ik verder reed hoorde ik hen achter mij vrolijk verder kibbelen. ”Het is waar”, dacht ik. “Of je nu naar het Westen of het Oosten gaat maakt weinig uit. Heb je haast dan neem je kortste weg. En heb je naar je gevoel meer tijd dan kies je voor de toeristische route. Uiteindelijk leiden alle wegen naar Rome. Bij wijze van spreken dan.”
Door mijn ontmoeting met Ying en Yang was ik in een filosofische stemming gekomen.
Ha, daar zag ik Amerika al liggen.
Een grote gele emoticon kwam mij grijnzend tegemoet. Ik vond hem er een beetje luguber uit zien.
“Waarom loop jij zo te grijnzen?” , vroeg ik hem.
“Omdat ik in het rijkste land ter wereld woon. In het land of the free. And the home of the brave.”
Ik hoorde op de achtergrond het geluid van het Amerikaanse volkslied, wilde mijn hoed afnemen maar ontdekte dat ik deze vergeten was, boog eerbiedig het hoofd, legde mijn rechterhand op mijn hart en wachtte tot de laatste klanken waren weg gestorven.
“Dan heb je reden om te lachen”, beaamde ik. “Alleen heb ik wel eens gehoord dat jullie hier per duizend inwoners meer mensen in de gevangenis hebben zitten dan waar ook ter wereld. En dat er zo'n 650.000 daklozen zijn.
Daarnaast zijn er 46 miljoen Amerikanen die leven onder de armoedegrens, 41 miljoen Amerikanen kunnen zichzelf en hun gezin niet voeden zonder gratis voedselbonnen; 30 miljoen basisschoolkinderen kunnen op school ontbijten dankzij het National Breakfast Program; 10 miljoen kinderen krijgen ook een gratis of goedkope lunch op school; 48 miljoen Amerikanen hebben geen ziektekostenverzekering; 38 miljoen Amerikanen zijn onderverzekerd voor ziekte of arbeidsongeschiktheid; 2 miljoen Amerikanen moesten dit jaar hun huis veilen; 5 miljoen huiseigenaren hangt dit boven het hoofd; 14 miljoen Amerikanen hebben volgens de officiële cijfers geen baan,maar deskundigen schatten het werkelijke cijfer op 25 miljoen werklozen. Dus helemaal tof is het niet bij jullie.
De emoticon keek me met toegeknepen ogen aan. "Wij hebben jullie destijds bevrijd van de Nazi's. Hun kinderen komen nu naar Scheveningen waar jullie hen veel te veel laten betalen voor een zakje patat of frikandel. Zonder ons zaten jullie nu allemaal in kampen en waren jullie kinderen lid van de Hitler Jugend geweest." Hij lachte triomfantelijk. "Schaakmat", hoorde ik hem denken.
Gelukkig zag ik een vredesactivist voorbij komen. Nee, ik moest niet alle emoticons op een hoop gooien. Er waren er genoeg die het beste wilden en die zich schaamden voor de eerder genoemde schokkende cijfers in de statistieken. De vloek van het ongebreidelde kapitalisme raakte iedereen.
"Hi," riep ik naar hem. Dat is de manier waarop Amerikanen elkaar groeten. Een eenvoudig "Hi". Nee, niet "High". Dat is weer wat anders. Daar zullen we het een andere keer over hebben.
In Yang klonk altijd het stemmetje van Ying en in Ying kon je de stem van Yang terug horen. In essentie waren ze één, al voelden ze zich verdeeld. Of zoiets.
Deze keer hadden ze ruzie over de taart waarop ze leefden. Yang vond zoveel zoetigheid maar niets. “Te zoet, veel te zoet”, riep hij luid en ijsbeerde heen en weer. “Maar na het zoet komt altijd het zuur en dat is goed”, riep Ying wanhopig. Yang wilde hier echter niets van horen.
Geamuseerd luisterde ik naar hun gebekvecht. Na enige tijd onderbrak ik hen en vroeg hen of ze mij konden vertellen waar Amerika lag. Want dat was mijn volgende bestemming.
Gelukkig waren ze het hier met elkaar over eens en beiden wezen naar het Oosten. ”Je kunt ook wel naar het Westen gaan, dan kom je er ook”, zei Yang. “Maar de kortste weg is naar het Oosten”. Ik bedankte hen voor hun hulp en nam afscheid. Terwijl ik verder reed hoorde ik hen achter mij vrolijk verder kibbelen. ”Het is waar”, dacht ik. “Of je nu naar het Westen of het Oosten gaat maakt weinig uit. Heb je haast dan neem je kortste weg. En heb je naar je gevoel meer tijd dan kies je voor de toeristische route. Uiteindelijk leiden alle wegen naar Rome. Bij wijze van spreken dan.”
Door mijn ontmoeting met Ying en Yang was ik in een filosofische stemming gekomen.
Ha, daar zag ik Amerika al liggen.
Een grote gele emoticon kwam mij grijnzend tegemoet. Ik vond hem er een beetje luguber uit zien.
“Waarom loop jij zo te grijnzen?” , vroeg ik hem.
“Omdat ik in het rijkste land ter wereld woon. In het land of the free. And the home of the brave.”
Ik hoorde op de achtergrond het geluid van het Amerikaanse volkslied, wilde mijn hoed afnemen maar ontdekte dat ik deze vergeten was, boog eerbiedig het hoofd, legde mijn rechterhand op mijn hart en wachtte tot de laatste klanken waren weg gestorven.
“Dan heb je reden om te lachen”, beaamde ik. “Alleen heb ik wel eens gehoord dat jullie hier per duizend inwoners meer mensen in de gevangenis hebben zitten dan waar ook ter wereld. En dat er zo'n 650.000 daklozen zijn.
Daarnaast zijn er 46 miljoen Amerikanen die leven onder de armoedegrens, 41 miljoen Amerikanen kunnen zichzelf en hun gezin niet voeden zonder gratis voedselbonnen; 30 miljoen basisschoolkinderen kunnen op school ontbijten dankzij het National Breakfast Program; 10 miljoen kinderen krijgen ook een gratis of goedkope lunch op school; 48 miljoen Amerikanen hebben geen ziektekostenverzekering; 38 miljoen Amerikanen zijn onderverzekerd voor ziekte of arbeidsongeschiktheid; 2 miljoen Amerikanen moesten dit jaar hun huis veilen; 5 miljoen huiseigenaren hangt dit boven het hoofd; 14 miljoen Amerikanen hebben volgens de officiële cijfers geen baan,maar deskundigen schatten het werkelijke cijfer op 25 miljoen werklozen. Dus helemaal tof is het niet bij jullie.
De emoticon keek me met toegeknepen ogen aan. "Wij hebben jullie destijds bevrijd van de Nazi's. Hun kinderen komen nu naar Scheveningen waar jullie hen veel te veel laten betalen voor een zakje patat of frikandel. Zonder ons zaten jullie nu allemaal in kampen en waren jullie kinderen lid van de Hitler Jugend geweest." Hij lachte triomfantelijk. "Schaakmat", hoorde ik hem denken.
Gelukkig zag ik een vredesactivist voorbij komen. Nee, ik moest niet alle emoticons op een hoop gooien. Er waren er genoeg die het beste wilden en die zich schaamden voor de eerder genoemde schokkende cijfers in de statistieken. De vloek van het ongebreidelde kapitalisme raakte iedereen.
"Hi," riep ik naar hem. Dat is de manier waarop Amerikanen elkaar groeten. Een eenvoudig "Hi". Nee, niet "High". Dat is weer wat anders. Daar zullen we het een andere keer over hebben.
zaterdag 8 oktober 2011
Reis over de taart (1.)
Met de zoete geur van marsepein in mijn neus werd ik die ochtend wakker. Vijfentwintig september tweeduizend-en-elf. Eindelijk zestig. Voor mijn gevoel had ik er wel honderd jaar op moeten wachten.
Paula was natuurlijk al naar beneden om een kopje koffie te zetten en een vers glaasje sinaasappelsap voor me uit te persen. De lieverd. Dat deed ze bijna elke ochtend. Behalve als ik als eerste op stond. Wat helaas door mijn rooster sinds het begin van het nieuwe schooljaar het geval was. En daarom zette ìk nu meestal ’s morgens voor ons beiden een kopje koffie.
Je moet namelijk weten dat ik leraar ben aan een heel grote school. Samen met anderen leid ik daar jonge mensen op tot dienstverlener. Een dienstverlener is iemand die andere mensen helpt die zichzelf niet kunnen helpen zonder eerst zelf geholpen te zijn. Snap je? Mensen die teveel geld hebben uitgegeven en nu niets meer te eten hebben bijvoorbeeld. Of mensen die hun baan zijn kwijt geraakt en nu weer op zoek zijn naar werk.
Een dienstverlener geeft ze dan geld of zorgt dat ze weer kunnen werken. Als het geld tenminste niet op is. En er werk is. Dit moet je altijd maar afwachten. Zo zit dat.
Kwiek als een jonge oude man sprong ik uit bed, trok mijn mooie blauwe duster aan (“Die moet je maar weer eens in de was gooien”, had ze me vorige maand nog gezegd. “Hij ruikt een beetje.”) en liep neuriënd de trap af. De geur van marsepein was nu zo indringend dat ik er een beetje weeïg van werd.
Halverwege de trap stond ik stil. Ik kon mijn ogen niet geloven. In de ruime huiskamer stond een Volkswagenbus op ware grootte, helemaal gemaakt van marsepein.
Verbijsterd liep ik verder. Hoe was dit mogelijk?
Paula was nergens te bekennen maar op de keukentafel lag een briefje. Er stond maar één woord op geschreven. Maar wel in heel grote letters. “HELP” stond er. Dat zag ik al van verre. Ik herkende het sierlijke handschrift van Paula. “Zij heeft mijn hulp nodig”, dacht ik geschrokken. Want iemand die “HELP” heeft opgeschreven en nergens te bekennen is zit in moeilijkheden.
Maar waar was ze? Waar moest ik beginnen te zoeken? En wat deed die enorme Volkswagenbus van marsepein hier in de huiskamer? Wat een vreemd begin van een verjaardag. Ik snapte er niets van.
Nieuwsgierig liep ik op de Volkswagenbus af en deed de deur open. Van binnen was het een gewone auto. In het dashboardkastje vond ik een plattegrond. Maar het was wel een vreemde plattegrond. Links in een hoekje stond met kleine lettertjes “HELP” geschreven. Ik keek nog eens goed. Dit was een afbeelding van het briefje dat Paula aan mij geschreven had. Nu wist ik waar ik mij op deze plattegrond bevond. Helemaal aan de andere kant van de kaart stond in dezelfde kleine lettertjes geschreven “HIER BEN IK”. Daar moest ik dus naar toe.
Maar hoe? Ik besloot eerst om de dikke laag marsepein van de ramen van de wagen weg te vegen. Dan kon ik immers wat zien. Met een ramenwisser haalde ik de lichtblauwe marsepein weg, die overal tegen het glas geplakt zat en at deze gelijk op. Want sinds ik wakker was had ik nog niets gegeten. Tjongejonge, wat smaakte dat lekker. Ik kroop hierna weer achter het stuur en moest zowaar een stevige boer laten.
Het autosleuteltje stak in het slot en ik startte de wagen. Na enig gerochel en gehoest sloeg de motor aan. Op het dashboard sloeg er een wijzertje uit en ik zag dat de tank vol zat…met limonade.
“Logisch. Een wagen van marsepein rijdt op limonade”, dacht ik nog. Daar is niets vreemds aan.Voorzichtig reed ik de wagen door de tuindeur naar buiten. Het ging maar net, maar het ging.
Nu ik buiten stond voelde ik mij wat meer op mijn gemak. Ik denk dat iedereen die een auto in zijn kamer tegen zou komen een beetje in de war zou zijn.
De tuin was bedekt met een dikke laag blauwe marsepein. Het was dezelfde kleur als op de ramen van de wagen had gezeten. De zon scheen volop, maar aan de horizon zag ik donkere wolken waaruit een stevige regenbui viel. Plotseling verscheen er recht boven mijn hoofd een prachtige regenboog. Zo ontzettend mooi, dat er tranen van ontroering in mijn ogen sprongen. ‘Ontroering’ is het gevoel dat je hebt als je niet weet of je moet lachen of huilen van blijdschap. Daarom lachte ik, terwijl de tranen over mijn wangen liepen.Ik besloot om gewoon de regenboog te volgen en reed via het tuinhek de weg op. Ook deze was van marsepein gemaakt. “Het lijkt wel of ik over een grote taart rijd”, dacht ik nog, want alle huizen om mij heen waren van marsepein. Als ik een vogel was geweest en ik had mezelf daar beneden in die Volkswagenbus gezien, dan had ik geweten dat dit niet zomaar een gedachte was. De hele wereld was in een marsepeinen taart veranderd en ik reed in mijn marsepeinen busje het avontuur tegemoet. Ik ging mijn Paula bevrijden uit de handen van een onzichtbaar monster zonder naam dat haar ontvoerd had naar “HIER BEN IK”. Want wie zou het anders gedaan hebben?
Paula was natuurlijk al naar beneden om een kopje koffie te zetten en een vers glaasje sinaasappelsap voor me uit te persen. De lieverd. Dat deed ze bijna elke ochtend. Behalve als ik als eerste op stond. Wat helaas door mijn rooster sinds het begin van het nieuwe schooljaar het geval was. En daarom zette ìk nu meestal ’s morgens voor ons beiden een kopje koffie.
Je moet namelijk weten dat ik leraar ben aan een heel grote school. Samen met anderen leid ik daar jonge mensen op tot dienstverlener. Een dienstverlener is iemand die andere mensen helpt die zichzelf niet kunnen helpen zonder eerst zelf geholpen te zijn. Snap je? Mensen die teveel geld hebben uitgegeven en nu niets meer te eten hebben bijvoorbeeld. Of mensen die hun baan zijn kwijt geraakt en nu weer op zoek zijn naar werk.
Een dienstverlener geeft ze dan geld of zorgt dat ze weer kunnen werken. Als het geld tenminste niet op is. En er werk is. Dit moet je altijd maar afwachten. Zo zit dat.
Kwiek als een jonge oude man sprong ik uit bed, trok mijn mooie blauwe duster aan (“Die moet je maar weer eens in de was gooien”, had ze me vorige maand nog gezegd. “Hij ruikt een beetje.”) en liep neuriënd de trap af. De geur van marsepein was nu zo indringend dat ik er een beetje weeïg van werd.
Halverwege de trap stond ik stil. Ik kon mijn ogen niet geloven. In de ruime huiskamer stond een Volkswagenbus op ware grootte, helemaal gemaakt van marsepein.
Verbijsterd liep ik verder. Hoe was dit mogelijk?
Paula was nergens te bekennen maar op de keukentafel lag een briefje. Er stond maar één woord op geschreven. Maar wel in heel grote letters. “HELP” stond er. Dat zag ik al van verre. Ik herkende het sierlijke handschrift van Paula. “Zij heeft mijn hulp nodig”, dacht ik geschrokken. Want iemand die “HELP” heeft opgeschreven en nergens te bekennen is zit in moeilijkheden.
Maar waar was ze? Waar moest ik beginnen te zoeken? En wat deed die enorme Volkswagenbus van marsepein hier in de huiskamer? Wat een vreemd begin van een verjaardag. Ik snapte er niets van.
Nieuwsgierig liep ik op de Volkswagenbus af en deed de deur open. Van binnen was het een gewone auto. In het dashboardkastje vond ik een plattegrond. Maar het was wel een vreemde plattegrond. Links in een hoekje stond met kleine lettertjes “HELP” geschreven. Ik keek nog eens goed. Dit was een afbeelding van het briefje dat Paula aan mij geschreven had. Nu wist ik waar ik mij op deze plattegrond bevond. Helemaal aan de andere kant van de kaart stond in dezelfde kleine lettertjes geschreven “HIER BEN IK”. Daar moest ik dus naar toe.
Maar hoe? Ik besloot eerst om de dikke laag marsepein van de ramen van de wagen weg te vegen. Dan kon ik immers wat zien. Met een ramenwisser haalde ik de lichtblauwe marsepein weg, die overal tegen het glas geplakt zat en at deze gelijk op. Want sinds ik wakker was had ik nog niets gegeten. Tjongejonge, wat smaakte dat lekker. Ik kroop hierna weer achter het stuur en moest zowaar een stevige boer laten.
Het autosleuteltje stak in het slot en ik startte de wagen. Na enig gerochel en gehoest sloeg de motor aan. Op het dashboard sloeg er een wijzertje uit en ik zag dat de tank vol zat…met limonade.
“Logisch. Een wagen van marsepein rijdt op limonade”, dacht ik nog. Daar is niets vreemds aan.Voorzichtig reed ik de wagen door de tuindeur naar buiten. Het ging maar net, maar het ging.
Nu ik buiten stond voelde ik mij wat meer op mijn gemak. Ik denk dat iedereen die een auto in zijn kamer tegen zou komen een beetje in de war zou zijn.
De tuin was bedekt met een dikke laag blauwe marsepein. Het was dezelfde kleur als op de ramen van de wagen had gezeten. De zon scheen volop, maar aan de horizon zag ik donkere wolken waaruit een stevige regenbui viel. Plotseling verscheen er recht boven mijn hoofd een prachtige regenboog. Zo ontzettend mooi, dat er tranen van ontroering in mijn ogen sprongen. ‘Ontroering’ is het gevoel dat je hebt als je niet weet of je moet lachen of huilen van blijdschap. Daarom lachte ik, terwijl de tranen over mijn wangen liepen.Ik besloot om gewoon de regenboog te volgen en reed via het tuinhek de weg op. Ook deze was van marsepein gemaakt. “Het lijkt wel of ik over een grote taart rijd”, dacht ik nog, want alle huizen om mij heen waren van marsepein. Als ik een vogel was geweest en ik had mezelf daar beneden in die Volkswagenbus gezien, dan had ik geweten dat dit niet zomaar een gedachte was. De hele wereld was in een marsepeinen taart veranderd en ik reed in mijn marsepeinen busje het avontuur tegemoet. Ik ging mijn Paula bevrijden uit de handen van een onzichtbaar monster zonder naam dat haar ontvoerd had naar “HIER BEN IK”. Want wie zou het anders gedaan hebben?
vrijdag 7 oktober 2011
Kleine man.
Vandaag voelde ik mij ongemeen blij. Bijna euforisch. Mogelijk omdat mijn keelpijn minder wordt en mijn verkoudheid aan het verdwijnen is. Dank voor alle goed adviezen. Van het slikken van pottertjes tot het maken van een dans bij volle maan in het bos, natuurlijk in mijn blote gat en met een veer in mijn reet. Dit laatste advies volg ik pas op als ik dan nog niet echt beter ben.
Ik denk dat de gemberdrank met citroen en thymhoning mij het meest geholpen heeft.
Nu het zulk lekker onstuimig weer is en winterse buien dagelijks het land en al het daar op zich bevindende krioeliserende mensenras geselen, verheug ik mij op de naderende winter. Ik hoop dat deze erg streng zal zijn, zodat ik mij ook weer kan verheugen op de komst van de lente.
Gisteravond trok ik een oude verzamelband van ‘Bres’ uit de boekenkast en vond daar tot mijn blije verrassing een artikel in over Wilhelm Reich, een bekende adept van Freud.
Maar die net als Jung later zijn eigen weg is gegaan en een grote invloed heeft gehad op het denken van hele generaties.
In Amerika was men niet zo blij met zijn opvattingen en nadat Reich in 1954 in de gevangenis was overleden werd op last van de federale regering een groot deel van zijn werken door de barbaren verbrand. Boekenverbranding in Amerika. Het was niet de eerste keer en het zou niet de laatste keer zijn.
Pas in de zestiger en zeventiger jaren, de tijd waarin ik ben opgegroeid, stond er een generatie op die hem naar juiste waarde wist te schatten. Geïnteresseerden raad ik aan om “Luister, kleine man” te lezen. Als je tijd hebt (En ook als je geen tijd hebt...) lees dan de volgende inleiding en het slot uit dit 'manifest', dat ik op internet vond. Lees het desnoods in twee of drie keren. De tekst is in een andere tijd geschreven. In een wereld die verdwenen is. Maar 'de kleine man' is er nog steeds. Geef hem een uurtje van je tijd. Het is minder, veel minder dan hij verdient. En hou hem in de gaten...
Ik denk dat de gemberdrank met citroen en thymhoning mij het meest geholpen heeft.
Nu het zulk lekker onstuimig weer is en winterse buien dagelijks het land en al het daar op zich bevindende krioeliserende mensenras geselen, verheug ik mij op de naderende winter. Ik hoop dat deze erg streng zal zijn, zodat ik mij ook weer kan verheugen op de komst van de lente.
Gisteravond trok ik een oude verzamelband van ‘Bres’ uit de boekenkast en vond daar tot mijn blije verrassing een artikel in over Wilhelm Reich, een bekende adept van Freud.
Maar die net als Jung later zijn eigen weg is gegaan en een grote invloed heeft gehad op het denken van hele generaties.
In Amerika was men niet zo blij met zijn opvattingen en nadat Reich in 1954 in de gevangenis was overleden werd op last van de federale regering een groot deel van zijn werken door de barbaren verbrand. Boekenverbranding in Amerika. Het was niet de eerste keer en het zou niet de laatste keer zijn.
Pas in de zestiger en zeventiger jaren, de tijd waarin ik ben opgegroeid, stond er een generatie op die hem naar juiste waarde wist te schatten. Geïnteresseerden raad ik aan om “Luister, kleine man” te lezen. Als je tijd hebt (En ook als je geen tijd hebt...) lees dan de volgende inleiding en het slot uit dit 'manifest', dat ik op internet vond. Lees het desnoods in twee of drie keren. De tekst is in een andere tijd geschreven. In een wereld die verdwenen is. Maar 'de kleine man' is er nog steeds. Geef hem een uurtje van je tijd. Het is minder, veel minder dan hij verdient. En hou hem in de gaten...
Ze noemen je 'de kleine man', 'de gewone man', 'common man'.
Ze zeggen dat jouw tijd gekomen is, het 'Tijdperk van de gewone man', 'The age of the common man'.
Dat zeg JIJ niet, kleine man. Dat zeggen ZIJ, vice-presidenten van grote naties, opgeklommen vakbondsleiders, berouwvolle zonen uit bourgeios-families, staatslieden en filosofen. Ze geven jou je toekomst maar vragen niet naar je verleden. Je bent erfgenaam van een afschuwelijk verleden. Je erfenis is een gloeiende diamant in je hand. Dat zeg ik je!
Iedere dokter, schoenmaker, monteur of opvoeder moet zijn tekortkomingen kennen als hij zijn werk wil doen en zijn brood verdienen. Enige tientallen jaren geleden ben je begonnen een heersende rol op deze aarde te spelen. Van jouw denken en handelingen hangt de toekomst van de mensen af. Maar je leermeesters en superieuren vertellen je niet hoe je echt denkt en bent; niemand durft die enige kritiek over jou te uiten die jou in staat zal stellen je lot in eigen handen te nemen en daarin te blijven volharden. Je bent slechts in één enkele betekenis 'vrij': vrij van de opvoeding je leven zelf te leiden, vrij van zelfkritiek!
Ik heb je nooit horen klagen: 'Je maakt me tot toekomstige meester over mijzelf en mijn wereld, maar je vertelt me niet hoe je meester over jezelf bent, en je vertelt me niet wat de fouten in mijn denken, doen en laten zijn.'
Je laat machthebbers macht 'voor de kleine man' opeisen. Maar jijzelf blijft zwijgen. Je geeft mensen aan de macht meer macht of machteloze mensen kwade bedoelingen om jou te vertegenwoordigen. Als het al te laat is ontdek je dat je steeds weer bedonderd wordt. Ik begrijp je wel. Want ik heb je vele duizenden keren lichamelijk en geestelijk naakt gezien, zonder masker, zonder partij, zonder stembiljet, zonder je 'populariteit'.
Naakt als een pas geborene, naakt als een veldmaarschalk in zijn ondergoed. Je hebt bij mij gehuild, geklaagd, je hebt over je verlangens gesproken, en je liefde en verdriet onthuld. Ik ken je en ik begrijp je.
Ik ga je vertellen hoe je bent, kleine man, want ik geloof oprecht in jouw grote toekomst. Die behoort aan jou, daar is geen twijfel aan. Dus kijk eens in de allereerste plaats naar jezelf. Zie jezelf zoals je werkelijk bent. Luister naar wat geen van je Führers en vertegenwoordigers je durft te zeggen:
Je bent een 'klein, gewoon mannetje'. Begrijp de dubbele betekenis van deze woorden: 'klein' en 'gewoon'...
Loop niet weg! Heb de moed naar jezelf te kijken!
'Welk recht heb je om mij de les te lezen?'
Ik kan deze vraag in je angstige ogen zien. Ik hoor deze vraag uit je onbeschaamde kleine mond komen, kleine man! Je bent bang naar jezelf te kijken, je bent bang voor kritiek, kleine man, precies zoals je bang bent voor de macht die ze je beloven. Je zou niet weten hoe die macht te gebruiken. Je durft er niet aan te denken dat je jezelf ooit anders zou kunnen ervaren: vrij inplaats van krom van angst; open in plaats van taktisch; in het volle daglicht liefhebbend in plaats van als een dief in de nacht. Je veracht jezelf, kleine man. Je zegt 'Wie ben ik dan om een eigen mening te hebben, mijn eigen leven te bepalen en te verklaren dat de wereld van mij is?' Je hebt gelijk: wie ben je om aanspraak te maken op je eigen leven?
Ik zal zeggen wie je bent:
Je verschilt in slechts een opzicht van de werkelijk grote man: de grote man was eens zelf ook een erg kleine man, maar hij ontwikkelde één belangrijke eigenschap: hij leerde zien waar hij klein en beperkt was in zijn denken en daden. Onder druk van de een of andere taak die hem na aan het hart lag leerde hij steeds beter voelen wanneer zijn bekrompenheid en kleingeestigheid een bedreiging vormden voor zijn geluk. De grote man weet dus wanneer en waarin hij klein is. De kleine man weet niet dat hij klein is en hij is bang het te weten. Hij verbergt zijn kleingeestesheid en beperktheid achter illusies van kracht en grootheid, van kracht en grootheid van anderen. Hij is trots op zijn grote generaals maar niet trots op zichzelf. Hij bewondert de gedachten die hij niet had en niet de gedachten die hij wel had. Hij gelooft des te dieper in dingen hoe minder hij ze begrijpt. En hij gelooft niet in de juistheid van die ideeën die hij het gemakkelijkst begrijpt.
Ik zal beginnen met de kleine man in mijzelf:
Vijfentwintig jaar pleit ik in woord en geschrift voor jouw recht op levensgeluk in deze wereld; beschuldig je van je onvermogen te nemen wat van jou is; veilig te stellen wat je hebt veroverd in de bloedige gevechten van de Parijse en Weense barrikades, met de Amerikaanse emancipatie of in de Russische revolutie.
Jouw Parijs eindigde met Pétain en Laval, jouw Wenen met Hitler, jouw Rusland met Stalin, en jouw Amerika zou kunnen eindigen met het regiem van een K.K.K.!
Je hebt beter begrepen je vrijheid te veroveren dan haar voor jezelf en anderen te beschermen. Ik wist dit allang. Wat ik niet kon begrijpen was waarom, telkens nadat je je aan het ene moeras had ontworsteld, je in een nog erger wegzonk.
Toen vond ik, heel geleidelijk, voorzichtg tastend als in het donker, wat van jou een slaaf maakt: JE BENT JE EIGEN SLAVENDRIJVER! Niemand anders - zo luidde de waarheid - dan jijzelf draagt de schuld voor jouw slavermij. Niemand anders, zeg ik!
Dit is nieuw voor je, nietwaar? je bevrijders vertellen je dat jouw onderdrukkers, Willem, Nikolaas, Paus Gregorius de 28e, Morgan, Krupp of Ford heten. En jouw bevrijders dragen de namen Mussolini, Napoleon, Hitler en Stalin.
Ik zeg je: alleen jijzelf kan je eigen bevrijder zijn!
Ik houd me vast aan deze zin. Ik beweer een strijder voor zuiverheid en waarheid te zijn. En nu, wanneer het erom gaat jou de waarheid over jezelf te vertellen aarzel ik omdat ik voor jou en je houding ten aanzien van de waarheid ben. De waarheid over jou te zeggen is gevaarlijk voor het leven.
Waarheid is ook levend-reddend, maar het wordt de vrijbuit van iedere boeventroep!
Als dat niet zo was zou je niet zijn waar je bent en wat je bent.
Mijn verstand zegt me: spreek de waarheid uit, tegen iedere prijs! De kleine man in mij zegt: het is dom jezelf aan de kleine man bloot te geven, jezelf in zijn macht te brengen. De kleine man wil de waarheid over zichzelf niet horen. Hij wil de grote verantwoordelijkheid die hem toekomt, die hij al dan niet tegen zijn zin heeft, niet. Hij wil een kleine man blijven, of een kleine grote man worden. Hij wil de grote verantwoordelijkheid die hem toekomt, die hij al dan niet tegen zijn zin heeft, niet. Hij wil een kleine man blijven, of een grote man worden. Hij wil rijk worden, of partijleider, of leider van de oorlogsveteranen, of sekretaris van de bond voor de verheffing van de openbare moraal. Maar hij wil niet de verantwoordelijkheid voor zijn werk, voor de voedselvoorziening, huisvesting, verkeer, opvoeding, onderzoek, adminsitratie of exploitatie van bodemschatten op zich nemen.
De kleine man in mij zegt:
"je bent een groot man geworden, ze kennen je in Duitsland, Skandinavië, Engeland, Amerika, Palestina; de kommunisten bestrijden je; de "redders van de kulturele waarden" haten je. Je studenten houden van je. Je voormalige patiënten bewonderen je. De pestlijders vervolgen je. Je hebt twaalf boeken en 150 artikelen over de misère van het leven, de misère van de kleine man geschreven. Je theorieën worden aan universiteiten gedoceerd; andere grote en eenzame mannen zeggen dat je een zeer groot man bent. Je wordt in één adem genoemd met de intellektuele reuzen. Je hebt de grootste ontdekking sinds eeuwen gedaan, want je hebt de kosmische levensenergie ontdekt en daarmee de wetten van het leven. Je hebt kanker begrijpelijk gemaakt. Ze hebben je daarom van land tot land verjaagd omdat je de waarheid zei. Rust nu uit! Geniet van je successen, van je roem! Over een paar jaar zal je naam op ieders lippen liggen. Je hebt genoeg gedaan. Blijf ook rusten en wijd je aan je functionele natuurwet!
Zo praat de kleine man in mij, die bang voor jou, kleine man, is.
Lange tijd had ik nauwe voeling met je omdat ik uit eigen ervaring je leven kende en omdat ik je wilde helpen. Ik bleef in nauw contact met je omdat ik zag dat ik je echt hielp en dat je mijn hulp graag en vaak met tranen in je ogen aannam.
Langzamerhand leerde ik zien dat je in staat was mijn hulp aan te nemen maar niet haar te verdedigen. Ik verdedigde haar en vocht, in jouw plaats, voor je. Toen kwamen jouw leiders en maakten mijn werk kapot. Jij bleef zwijgen en volgde hen. Ik hield nu het contact met je om te leren hoe je geholpen kon worden zonder aan jou als leider of als jouw slachtoffer kapot te gaan. De kleine man in mij wilde je veroveren, je 'redden', met hetzelfde ontzag door jou bekeken worden, dat je voor 'hogere wiskunde' hebt omdat je geen flauw idee hebt waar het allemaal omgaat. Hoe minder je begrijpt, hoe meer verering je bereid bent te tonen. Je kent Hitler beter dan Nietzsche, Napoleon beter dan Pestalozzi. Een koning betekent meer voor je dan Sigmund Freud. De kleine man in mij zou je graag willen veroveren op de voor jou gebruikelijke manier, met alle middelen die een leiderschap meebrengen. Ik ben bang voor je wanneer je de kleine man in mij graag tot de vrijheid zou willen 'voeren'. Je zou jezelf in mij en mij in jou kunnen ontdekken, bang kunnen worden en jou in mij doden. Daarom ben ik tot voor kort opgehouden om voor jouw vrijheid ieders slaaf te zijn, te willen sterven.
Ik weet dat je nog niet begrijpt wat ik net gezegd heb: 'vrijheid om ieders slaaf te zijn' is helemaal niet eenvoudig.
Om niet langer trouw slaaf van een enkele meester te zijn, om tot ieders slaaf bevorderd te worden moet je eerst die ene onderdrukker verslaan, laten we zeggen de tsaar. Deze politieke moord kan men niet zondere hoge vrijheidsidealen en revolutionaire motieven begaan. Er wordt dus een revolutionaire vrijheidspartij opgericht onder leiding van een werkelijk groot man, bv. Jezus, Marx, Lincoln of Lenin. De echte grote man meent het met jouw vrijheid doodernstig. Als hij haar in de praktijk wil doorzetten moet hij zich met vele kleine mannen omringen, hulpjes en handlangers, omdat hij het gigantische werk niet alleen af kan.
Bovendien zou je hem niet begrijpen en hem links laten liggen als hij niet kleine grote personen om zich heen verzameld had. Omringd door vele kleine groten verovert hij macht voor jou, of een stuk waarheid, of een nieuw beter geloof. Hij schrijft geloofsgetuigenissen, vaardigt vrijheidswetten uit en rekent op jouw hulp, serieusheid en hulpvaardigheid. Hij trekt je uit je sociale moeras waar je tot over je oren insteekt. Om de vele kleine grote personen bij elkaar te houden, om niet jouw vertrouwen te verliezen moet de echte grote man steeds een deel van zijn grootheid opofferen, die hij alleen in de diepste geestelijke eenzaamheid, ver weg van jou en je dagelijkse lawaai maar toch in nauw kontakt met jouw leven kon verwerven. Om jou te leiden moet hij dulden dat jij hem tot een ongenaakbare God verheft. Je zou geen vertrouwen in hem hebben wanneer hij eenvoudig de man was gebleven die hij was, die dus laten we zeggen van een meisje hield zonder trouwakte.
Op deze manier breng jijzelf je nieuwe meester voort. De grote man verliest, tot nieuwe meester bevorderd, zijn grootheid die uit oprechtheid, eenvoud, moed en echt kontakt met het leven bestond. De kleine grote personen de hun grootheid aan de grote man ontleenden nemen de hoge posten van financieën, diplomatie, bestuur, wetenschap en kunst op zich... en jij blijft waar je was, in de modder! Jij gaat verder in lompen gehuld terwille van de 'socialistische toekomt' of van het "Derde Rijk'. Je blijft in krotten met strodaken, waarvan de muren met koeiestront besmeurd zijn, wonen. Maar je bent trots op je paleis van volkskultuur. Je bent tevreden met de illusie dat jij regeert... Tot de volgende oorlog en de val van de nieuwe meesters.
In verre landen hebben kleine mannen jouw verlangen om ieders slaaf te zijn ijverig bestudeerd en eruit geleerd hoe men met weinig geestelijke inspanning een kleine grote man kan worden. Deze kleine mannen komen uit jouw midden, en niet uit de paleizen. Ze hebben honger gehad en geleden zoals jij. Ze verkorten het proces van het wisselen van de meester. Ze hebben geleerd dat honderd jaar van zware geestelijke arbeid voor jouw vrijheid, van zware persoonlijke offers voor jouw levensgeluk, zelfs het opofferen van het leven in het belang van jouw vrijheid veel te veel waren om het doel van een nieuwe slavermij te bereiken. Wat echte grote vrijheidsdenkers hebben uitgedacht en geleden in honderd jaar kon in de loop van nog geen vijf jaar vernietigd worden.
De kleine mannen uit jouw midden verkorten dus het proces: ze doen het openlijker en brutaler. Ja, ze zeggen je ronduit dat jij en jouw leven, je familie en je kinderen niets betekenen, dat je stom bent en volgzaam, dat men met je kan doen wat men wil. Ze beloven je geen persoonlijke vrijheid maar nationale vrijheid. Ze beloven je geen menselijk zelfrespect maar respect voor de staat, geen persoonlijke grootheid maar nationale grootheid. Omdat 'persoonlijke vrijheid' en 'grootheid' vreemde woorden voor je zijn, terwijl 'nationale vrijheid 'en 'staatsbelangen' je doen watertanden zoals een been dat bij een hond doet, bejubel je ze. Geen van deze kleine mannen betaalt de prijs voor echte vrijheid, die Giordano Bruno, Jezus, Karl Marx of Lincoln moest betalen. Ze verachten je, ze houden niet van je, omdat je jezelf veracht, kleine man. Ze kennen je precies, veel beter dan Rockefeller of de Tories je kennen. Ze kennen je grootste zwakheden zoals jij ze zou moeten kennen. Ze hebben jou opgeofferd aan een symbool en jij geeft ze macht over jou. Je meesters zijn door jou zelf aan de top gebracht en worden door jou gevoed hoewel of juist omdat ze alle maskers lieten vallen. Ze hebben het je vaak en duidelijk gezegd: je bent een minderwaardig mens zonder verantwoordelijkheid, en je zal zo blijven. En jij noemt ze "Nieuwe Verlossers" en juicht: Heil, Heil en Viva, Viva!
Daarom ben ik bang voor je, doodsbang. Want van jou hangt het lot van de mensheid af. Ik ben bang voor je omdat je voor niets zo erg vlucht als voor jezelf. je bent ziek, erg ziek, kleine man. Het is niet jouw schuld. maar het is jouw verantwoordelijkheid van deze ziekte af te komen. Je zou allang je ware onderdrukkers van je afgeschud hebben als je onderdrukking niet getolereerd en haar vaak ondersteund had. Geen politie ter wereld zou machtig genoeg zijn om je te onderdrukken als je alleen maar in het praktische dagelijkse leven een greintje zelfrespect zou hebben. Als je diep in je binnenste werkelijk zou weten dat zonder jou het leven nog geen uur verder zou gaan. Heeft jouw bevrijder je dat verteld? Hij noemde je de 'proletariërs aller landen' maar hij vertelde je niet dat jij, en alleen jij verantwoordelijk bent voor jouw leven en niet voor de 'eer van het vaderland'.
Je moet je er bewust van worden dat je jouw kleine mannen tot je eigen onderdrukkers verheven hebt en dat jij je ware grote mannen tot martelaren gemaakt hebt; dat je ze kruisigde, vermoordde en liet verhongeren; dat je je om hen en hun zorgen om jou niet bekommerde; dat je geen idee hebt aan wie je het weinige waarvan je geniet te danken hebt.
"Ik wil je levensfilosofie weten, voordat ik je vertrouw'.
Wannneer je mijn levensfilosofie hoort zal je naar je officier van justitie rennen, of naar het 'Komitee voor on-amerikaanse aktiviteiten' of naar de F.B.I. of naar de G.P.U., of de 'sensatiepers', of naar de K.K.K., of de enig ware "Leider aller proletariërs van de wereld", of je zal eenvoudig wegrennen.
Ik ben geen rode, of zwarte, of blanke, of gele. Ik ben geen Christen, en geen Jood en geen Mohammedaan en geen Mormoon, en geen polygamist en geen homosexueel en geen anarchist en geen bokser.
Ik neem een vrouw in mijn armen omdat ik van haar hou en naar haar verlang en niet omdat ik een trouwakte heb of omdat ik sexueel uitgehongerd rondloop.
Ik sla geen kinderen, ik vis niet en ik jaag niet op herten of konijnen, maar ik ben een goed schutter en hou ervan in de roos te schieten.
Ik speel geen bridge en geef geen party's om mijn theorieën te verspeiden.
Ik onderwerp mijn werk aan geen enkele kontrole van een gezondheidsinspekteur, wanneer hij het niet beter beheerst dan ik. En ik bepaal wie de kennis van mijn ontdekking bezit, en wie niet.
Ik hou me nauwkeurig aan ieder wettelijk voorschrift, wanneer het zinvol is, maar ik bestrijdt het, wannneer het niet langer nut heeft, of zinloos is. (Ren niet naar de officier van justitie, kleine man, want hij doet hetzelfde als hij een fatsoenlijk men is.)
Ik wil dat kinderen en jongeren hun lichamelijk liefdesgeluk ervaren en ongestoord genieten.
Ik geloof niet dat je, om religieus te zijn in de goede, ware zin, je liefdesleven kapot moet maken en lichamelijk en geestelijk rigide moet worden, moet verschrompelen en moet verrotten.
Ik weet dat wat jij 'god' noemt werkelijk bestaat, maar anders dan je denkt: als kosmische oerenergie in het universum, als de liefde in je lichaam, als je eerlijkheid en je gevoel van de natuur in je en buiten je.
Ik zou ieder mijn huis uitgooien, wie het ook mag zijn, die, onder welk vaag voorwendsel ook, mij mijn medische of opvoedkundige werk met de patient of het kind zou willen belemmmeren.
En ik zou hem in iedere rechtszaal een paar simpele en duidelijke vragen stellen, die hij niet zou kunnen beantwoorden, zonder zich voor altijd te schande te maken. Want ik ben een werkend mens die weet wat een mens werkelijk innerlijk is, die weet dat hij iemand is, en die wil dat het werk de wereld regeert en niet de opvatting over het werk. Ik heb mijn eigen opvatting, en ik kan de leugen van de waarheid onderscheiden, die ik ieder uur van de dag gebruik als een stuk gereedschap en die ik, na gebruik, schoonmaak en schoonhou.
Ik ben ontzettend bang voor je, kleine man. Dat is niet altijd zo geweest. Ikzelf was een kleine man, temidden van miljoenen kleine mannen. Toen werd ik een natuuronderzoeker en psychiater, en ik leerde zien, hoe erg ziek en hoe gevaarlijk jij in je ziekte bent. Ik leerde zien dat het jouw ernstige geestelijke stoornis is, en niet een niets ontziende macht van buitenaf, die jou ieder uur van de dag onderdrukt, ook in afwezigheid van uitwendige drang.
Je zou je tirannen allang overweldigd hebben als je innerlijk levend en gezond van zinnen geweest zou zijn. Je onderdrukkers stammen vandaag de dag uit je eigen rijen, zoals ze in het verleden uit de hogere lagen van de maatschappij stamden. Het zijn nog kleinere mannetjes dan jij, kleine man. Want er is een flinke hoeveelheid kleingeestigheid voor nodig jouw nood uit eigen ervaring te kennen en jou met deze kennis nog beter en nog sterker te onderdrukken.
Je hebt geen gevoel, geen oog voor de waarachtig grote man. Zijn wezen, zijn lijden, zijn verlangen, zijn zorgen, zijn strijd voor jou zijn verre vreemde zaken voor je. Je begrijpt niet dat er mannen en vrouwen zijn die niet in staat zijn je te onderdrukken of uit te buiten. Mannen en vrouwen die willen dat je vij bent, echt, waarachtig vrij. Je houdt niet van deze mannen en vrouwen, want ze zijn jou wezensvreemd. Ze zijn eenvoudig en eerlijk; voor hen is de waarheid wat voor jou levenstaktiek is. Ze zien door je heen, niet met minachting, maar met pijn over het menselijk lot; maar jij voelt dat er door je heen gekeken wordt en ervaart een gevaar. Je erkent ze pas dan, kleine man, wanneer vele andere kleine mannen je zeggen dat ze groot zijn. Je bent bang voor de grote man, zijn dicht bij het leven staan en zijn liefde voor het leven. En de grote man houdt simpel van je als een levend dier, als een levend wezen. Hij wil je niet zien lijden, zoals je al duizenden jaren lijdt. Hij wil je geen onzin horen praten, zoals je al duizenden jaren praat. Hij wil je niet als een werkpaard beleven, omdat hij van het leven houdt en het vrij van lijden en smart wil.
Je drijft de echte grote mannen ertoe, je te verachten, vol smart, voor jou en je kleinzieligheden weg te kruipen, je te mijden, en het ergste van alles, medelijden met je te hebben. Ben je, kleine man, toevallig psychiater, laten we zeggen een Lombroso, dan bestempel je de grote man tot een soort misdadiger of mislukt misdadiger, of psychische gestoorde.
Want de grote man ziet rijkworden of een huwelijk van stand voor zijn dochters, of een politieke carrière, of akademische titels niet als het doel van het leven, zoals jij. Je noemt hem daarom een 'genie' of een 'zonderling', omdat hij niet is zoals jij is. Hij is echter bereid te zeggen dat hij geen genie maar een gewoon levend wezen is. Je noemt hem asociaal wanneer hij liever met zijn gedachten alleen is, dan op jouw lege kletserige 'fuifjes'. Je noemt hem krankzinnig, wanneer hij zijn geld aan wetenschappelijk onderzoek uitgeeft, in plaats van het, zoals jij, in aandelen te beleggen. In je afgrond-diepe degeneratie waag je het de eenvoudige, eerlijke man als 'abnormaal' tegenover jezelf te plaatsen, het prototype van 'normaalheid'.
Je meet hem naar jouw kleingeestige maatstaven en je vindt dat hij niet voldoet aan de eisen van jouw normaliteit. Je ziet niet en weigert te weten, kleine man, dat je hem die vol liefde en en hulpvaardigeheid voor jou is, uit het sociale leven drijft, omdat je het onverdragelijk gemaakt hebt, zowel in de kroeg als in de feestzaal. Wie heeft hem gemaakt tot wat hij, na vele tientallen jaren dodelijk lijden, schijnt te zijn? Jij hebt hem zo gemaakt met je afschuwelijkheid, met je benauwdheid, je foute denken, je 'rotsvaste' overtuigingen die geen tien jaar sociale ontwikkeling lang meegaan. Denk maar even aan alles wat je alleen al in de jaren tussen de eerste en de tweede wereldoorlog beweerd en als juist gezworen hebt. Hoeveel heb je daarvan teruggenomen, eerlijk ervan ingezien dat het onjuist was? Helemaal niets, kleine man! Wel, de echte grote man denkt voorzichtig, maar ver in de tijd vooruit, wannneer hij eenmaal een gedachte gevormd heeft. Jij bent het, kleine man, die de grote man tot paria maakt, wannneer zijn gedachte juist en blijvend is, en jouw gedachte kleingeestig is en tekort schiet.
Terwijl; je hem tot paria maakt, plant je de verschrikkelijke kiem van de eenzaamheid in hem. Ik bedoel niet de kiem van de eenzaaamheid die grote daden voortbrengt, maar de kiem van de angst, door jou verkeerd begrepen en mishandeld te worden. Want jij bent 'het volk' 'de publieke opinie', 'het sociale geweten'.
Heb je, kleine man, ooit eerlijk erover nagedacht, welke reusachtige verantwoordelijkheid deze woorden inhouden? Heb je je ooit (wees nu eens eerlijk!) afgevraagd, of je, gezien vanuit het standpunt van het sociale gebeuren op lange termijn, of van de natuur, of van grote menselijke daden zoals bv. van Jezus, goed of fout denkt? Je hebt je niet afgevraagd, wat je buurman ervan zeggen zal, of, of je eerlijkheid je geld zal kosten. Dit, kleine man, en niets anders, heb je je afgevraagd.
Nadat je nu de grote man in de eenzaamheid gedreven hebt, ben je vergeten wat je hem aandeed. Je hebt zelfs nog eens onzinnigheid gezegd, nog eens een klein gemeenheidje uitgehaald, nog eens diep gekwetst. Jij vergeet, maar het behoort tot het wezen van de grote mensen, niet te vergeten, zich niet te wreken maar te BEGRIJPEN, WAAROM JIJ ZO LULLIG DOET. Ook dit is je vreemd, ik weet het. Maar geloof van me: Wanneer je honderden, duizenden, miljoenen keren pijn doet, wonden aanbrengt, die niet te helen zijn, ook wanneer je het in het ogenblik na de kleine misdaad niet meer weet, wat je deed, lijdt de grote mens in jouw plaats voor jouw misdaden, niet omdat ze groot, maar omdat ze kleingeestig zijn. Hij zou willen begrijpen, welke drijfveren je hebt om je huwelijkspartner te bezoedelen, wanneer hij of zij je teleurgesteld heeft, je kind te kwellen, omdat het niet aardig tegen de boze buurman is, je vriend te bedriegen, de vriendelijke mens spottend te bekijken en hem uit te zuigen, je voor de zweep te buigen, te nemen waar gegeven, en te geven waar geëist wordt, maar nooit te geven, waar liefdevol gegeven wordt; de gevallenen of de vallenden nog een laatste trap na te geven; te liegen, waar de waarheid op zijn plaats is, en de waarheid i.p.v. de leugen te vervolgen. Je staat altijd aan de kant van de vervolger, kleine man, om jouw waardeloze vriendschap te verwerven, moet de grote mens zich aan jou aanpassen, jou naar de mond praten, zich met jouw deugden tooien. maar hij zou niet groot en waar zijn en eenvoudig, wanneer hij jouw deugden, jouw taal, jouw vriendschap zou hebben!! Je kan je er makkelijk van overtuigen, dat je vrienden die je naar de mond praten, nooit grote mensen waren: ik bewijs wat ik net gezegd heb.
Je gelooft het niet, dat jouw vriend iets groots zou kunnen presteren. Je veracht jezelf in het geheim, ook dan, en juist dan wanneer je je waardigheid toont; en daar je jezelf veracht, kan degeen die je vriend is niet achten. Je kan niet geloven dat zomaar iemand met wie je aan tafel zat of in een huis samenwoonde een grote prestatie kan leveren. Daarom waren alle grote mensen eenzaam. In jouw nabijheid kan je niet goed denken, kleine man.
Alleen over jou en om jou kan je denken. Niet met jou. Want jij verstikt iedere grote, vergaande gedachte. Als moeder zeg je tegen je kind dat nadenkt: 'Dat is niets voor kinderen."Als professor in de biologie zeg je: 'Dit is niets voor behoorlijke studenten! Twijfelen? Aan de kiemen in de lucht?' Als leraar zeg je: 'Kinderen moeten stil en braaf en niet eigenwijs zijn.'
Als echtgenote zeg je: 'Ontdekking! Een ontdekking heb je gedaan? Waarom ga je niet netjes naar kantoor en verdien je het levensonderhoud voor je gezin!' Maar wanneer het in de krant staat, kleine man, geloof je het, of je het nu bgrijpt of niet.
Ik zeg je, kleine man: je hebt het gevoel voor het beste in je verloren. Je hebt het verstikt, en je vermoordt het, overal waar je het in anderen ontdekt, in je kinderen, in je vrouw, je man, je vader en je moeder. Je bent klein en je wilt klein blijven, kleine man.
Je vraagt, hoe ik dit alles weet? Ik zal het je zeggen: ik heb je meegemaakt, met je meegemaakt, jou in mezelf meegmaakt, je als dokter van je kleinzieligheden bevrijd, je als opvoeder vaak op het pad van de openheid en eerlijkheid geleid. Ik weet hoezeer je tegen de openheid was, welke doodsangst je overvalt wanneer je je echte aard volgen moet.
Je bent niet alleen maar klein, kleine man. Je hebt, ik weet het, je 'grote ogenblikken' in het leven, je kent 'verheffing' en 'verlichting'. Maar je hebt de volharding niet, steeds hoger en hoger te stijgen, door je 'verlichting' steeds hoger te worden gedragen. Je bent bang om te stijgen, je bent bang voor hoogte en diepte. Dat heeft Nietzsche je al veel beter dan ik gezegd. Maar Nietzsche zei je niet waarom je zo bent. Hij wilde je tot 'Übermensch' verheffen, om boven het menselijke in je uit te stijgen. Zijn Übermensch werd tot jouw Führer Hitler. En jij bleef de 'Üntermensch'.
Ik wil dat je ophoudt Untermensch te zijn en dat je jezelf wordt. 'Jezelf', zeg ik!
Niet de krant, die je leest, niet de mening van de boze buurman, die je hoort, maar 'jezelf'. Ik weet en jij weet niet, wat en hoe je werkelijk in het diepst van je wezen bent. Je bent heel diep wat een ree, je God, je dichter, je wijze man is. Maar jij gelooft alleen dat je lid van de vereniging van oorlogsveteranen, van de kegelklub of van de K.K.K. bent. En omdat je dat gelooft, handel je zoals je doet. Ook dit heeft Heinrich Mann in Duitsland je vijfentwintig jaar geleden al gezegd; dit hebben Upton Sinclair en Don Passos in Amerika je gezegd.
Maar jij hebt noch Mann, nog Sinclair gekend. Je kent alleen de bokskampioen en Al Capone. Als je voor de keuze wordt gesteld om een bibliotheek of een knokpartij te bezoeken, zal je ongetwijfeld de knokpartij kiezen,
Je bedelt om geluk in het leven, maar zekerheid is belangrijker voor je, ook wannneer het je ruggegraat, ja, je hele leven kost. Omdat je nooit geleerd hebt geluk te scheppen, te genieten, te beschermen, ken je de moed van de oprechten niet. Je wilt weten, kleine man, hoe je bent? Je luistert naar de reclame voor laxeermiddelen of voor tandpasta of voor schoensmeer of voor deodorants op de radio. Maar je hoort de muziek van de propaganda niet. Je hoort de bodemloze domheid en de walgelijke smakeloosheid van de loktonen niet, die bestemd zijn jouw oor te bereiken. Heb je ooit aandachtig de grappen gehoord, die de grappenmaker in de nachtklub over je maakt? Over jou, over zichzelf, over jouw hele, kleine, miserable wereld? Luister naar je laxeermiddelen-reklame en je zal vernemen wie en hoe je bent.
Luister, kleine man: De ellende van het menselijk bestaan wordt door iedere kleingeestige misdaad van jou extra benadrukt. Elk van jouw kleingeestigheden laat de hoop op verbetering van je lot nog een stukje meer vervliegen. Dit is een aanleiding voor verdriet, kleine man, tot diepe, hartversheurende droefheid. Om dit verdriet niet te voelen, maak je kleine, idiote moppen, en je noemt het 'volkshumor'.
Je hoort de mop over jou, en je lacht hartelijk mee. Je lacht niet omdat je vol humor met jezelf spot. Je lacht om de kleine man, maar je vermoedt niet dat je om jezelf lacht, dat men om jou lacht. En de miljoenen kleine mensen weten niet dat men om ze lacht. Waarom lacht men om jou, kleine man, zo hartelijk, zo vaak, zo vol leedvermaak en al die eeuwen lang? Is het je wel eens opgevallen, hoe belachelijk men het volk in de film voorstelt?
Ik zal je zeggen, kleine man, waarom men om je lacht, want ik neem je zeer, zeer serieus!
Je denkt altijd een eeuwig aan het ware voorbij zoals een speelse scherpschutter steeds weer haarscherp naast de roos van de schietschijf schieten kan. Je ontkent dat je dat doet? Ik lever het bewijs:
Je zou je allang tot meester van je bestaan verheven hebben, wanneer je in de richting van de waarheid zou denken. maar jij denkt zo: De joden zijn van alles de schuld' 'Wat is een jood?' vraag ik je.
Mensen die joods bloed hebben', is je antwoord. 'Hoe onderscheidt je joods bloed van een ander bloed'? Deze vraag overbluft je. Je aarzelt, raakt in de war en antoordt:
'Ik bedoel het joodse ras'. 'Wat is ras?' vraag ik. 'Ras? Dat is toch heel duidelijk! Zoals er een Duits ras bestaat, bestaat er ook een joods ras'. 'Welke kenmerken heeft het joodse ras?' 'Een jood is donker, heeft een lange kromme neus en scherpe ogen. De joden zijn gierig en kapitalistisch.' 'Heb je ooit een Zuidfransman of een Italiaan met een jood samen gezien? Kan je ze van elkaar onderscheiden?' '...Nee, eigenlijk niet...
'Wat is nou een jood? Wat het bloed betreft is er geen verschil met ander menselijk bloed. Naar uiterlijk bestaat er gen verschil met fransen of italianen. En heb je wel eens Duitse joden gzien?' 'Ze zien er als Duitsers uit.' 'En wat is een Duitser?' 'Een Duitser hoort tot het noord-arische ras.' 'Zijn Indiërs Ariërs?' 'Ja' 'Zijn ze noords?' 'Nee' 'Zijn ze blond?' 'Nee.' 'Zie je, je weet niet wat een Duitser en wat een jood is.' 'Maar er zijn toch joden!' 'Zeker er zijn joden zoals er christeren en mohammedanen zijn.'
'Ik bedoel de joodse religie.' 'Was Roosevelt een Hollander?' 'Nee.'
'Waarom noem je dan een afstammeling van David een jood, wannneer je Roosevelt geen Hollander noemt?' 'Met de joden ligt het anders.' Wat is anders?' 'Wat is anders?' 'Ik weet het niet.'
Zo zwam je, kleine man. uit je geklets vorm je gewapende formaties en deze formaties doden 10 miljoen mensen als 'joden', hoewel je niet weet aan te duiden, wat een jood is. Daarom lacht men je uit, mijdt men je, wanneer men ernstige dingen te doen heeft, daarom steek je tot je nek in de modder. Wanneer je 'jood' zegt, voel je je verheven. Je voelt je meer, omdat je je ellendig voelt. Je voelt je ellendig, omdat jezelf precies dat bent, wat je in de zogenaamde joden uitmoordt.
Dat is maar een klein stukje waarheid over jou, kleine man.
Je voelt je kleingeestigheden minder, als je verachtelijk of hoogmoedig 'jood' zegt. Dat heb ik pas kortgeleden ontdekt. Je noemt alleen die geen 'jood' die jou teveel of te weinig respekt betoont. En je wil geheel eigenmachtig, als door een hogere macht, als door een hogere macht naar de aarde gezonden, bepalen, wie 'jood' is. Maar ik ontzeg jou dat recht, kleine ariër en jood. Ik ben de enige op de wereld die te bepalen heeft, wie ik ben en niemand anders. Ik ben biologisch en kultureel van gemengd ras en ik ben er trots op het geestelijk en lichamelijk resultaat te zijn van alle klassen en rassen en naties, en niet zuiver van ras zoals jij, noch zuiver van klasse zoals jij, nog chauvinistisch zoals jij, kleine fascist van alle naties, rassen en klassen. Ik hoorde dat je een joodse techicus niet in Palestina wilde hebben, omdat hij niet besneden was. Ik heb bijgevolg ook met de joodse fascist niets, totaal niets gemeen. Ik raak niet bewogen door de joodse taal, de joodse goderij en joodse cultuur. Ik geloof evenmin in de joodse als in de christlijke of indische god, maar ik begrijp waar jij je god vandaan haalt. Ik geloof niet dat het joodse volk het 'enige' of 'uitverkoren' volk van god is.
Ik geloof dat het joodse volk zich eens in de massa mensdieren van deze planeet zal verliezen, in zijn eigen voordeel en dat van zijn kleinkinderen. Dat hoor je nou niet graag, kleine joodse man, want je geeft zo hoog op van je jodendom, omdat jij jezelf als JOOD veracht, en ieder die je nastaat. De ergste jodenhater is de jood zelf. Dit is een oude waarheid. Toch veracht ik je niet en haat ik je niet. Ik heb alleen met jou niets gemeen, of niet meer gemeen dan een chinees met een wezel in Amerika, namelijk de gemeenschappelijke oorsprong uit het heelal. Waarom ga je maar tot Sem en niet tot het protoplasma terug, kleine jood? Voor mij begint het leven met de plasma beweging, en niet met jouw rabbinaat.
Het duurde vele miljoenen jaren om jou van een zeekwal in een viervoetig landdier te ontwikkelen. Jou biologische afwijking in de vorm van rigiditeit duurde slechts zesduizend jaar. Het zal honderd of vijfhonderd of vijfduizend jaar duren, totdat je de zeekwal in je ontdekt.
Ik heb de zeekwal in je ontdekt en haar in klare taal beschreven. Toen je dit voor de eerste keer hoorde, noemde je me een genie. Je herinnert je nog goed, het was in Skandinavië toen je naar een nieuwe Lenin zocht. Ik had echter belangrijker dingen te doen en liet het afweten. Je hebt me ook tot een nieuwe Darwin, of Marx, of Pasteur of Freud uitgeroepen. Ik zei toen al tegen je, dat je precies zo spreken en schrijven kon als ik, wanneer je niet steeds Heya, heya, heyaya riep, jij uitverkorene! Want dit overwinningsgebrul doodt je geest en verlamt je scheppende natuur...
De slotpagina's
Zeg ze, dat je geen tijd hebt voor hun oorlog, dat je belangrijker dingen te doen hebt. Baken bij iedere grote stad op aarde een veld af met hoge bakstenen eromheen en laat de diplomaten en maarschalken elkaar persoonlijk neerknallen. Dit, kleine man, zou je moeten doen eigenlijk als je niet meer Heya, heya, heyaya schreeuwen zou en niet meer geloven zou dat je helemaal niemand bent en geen eigen mening hebt, en wie zou je dan wel zijn, om...!
Het ligt allemaal in jouw hand, je leven, en dat van je kinderen net zo goed als je hamer of je stehoskoop! Ik weet, je schudt je hoofd, gelooft dat ik een utopist ben... of wel een 'rooie'?
Je vraagt wanneer jouw leven goed en zeker zal zijn, kleine man; het antwoord is jou wezensvreemd.
Jouw leven zal goed en zeker zijn als het leven meer voor je betekenen zal dan zekerheid, liefde meer dan geld, je vrijheid meer dan partijmening of de openbare mening; als de stemming van de muziek van Beethoven of Bach de stemming van jouw totale bestaan wordt (je hebt haar in je, kleine man, ergens diep verborgen in een hoekje van je wezen!); als je denken in harmonie, en niet meer in tegenspraak met je gevoel zal funktioneren; als je je gaven bijtijds begrijpen en je ouder worden bijtijds erkennen zal; als je naar de gedachten van de grote wijzen en niet langer naar de wandaden van grote krijgers zal leven; als de leraren van je kinderen en niet de politici door jou beter beloond zullen zijn, als je een trouwboekje niet langer hoger zal schatten dan de liefde tussen man en vrouw; als je je denkfouten bijtijds, en niet te laat zoals nu, erkennen zult; als je verlichting bij het aanhoren van waarheden, en afgrijzen bij de aanblik van formailiteiten zult voelen; als je met je kollega's in vreemde landen direkt en niet meer via diplomaten kontakt zal hebben; als het liefdesgeluk van je opgroeiende dochter je hart van vreugde zal doen zwellen en niet meer zoals nu van woede zal doen beven; als je alleen maar hoofdschuddend aan de tijd waarin men de kleine kinderen het aanraken van hun geslachtsorganen verbood en bestrafte zal kunnen denken; als de gezichten op de straten vrijheid, bewegelijkheid, vreugde en niet meer droefheid en ellende zullen uitdrukken; als hun lichamen niet meer zoals nu met teruggetrokken, verstijfde bekkens en koudgeworden geslachtsorganen op deze aarde zullen wandelen.
Je wilt leiding en advies, kleine man. Je had leiding en advies voor duizenden jaren heen, zowel goede als kwade. Het lag niet aan de kwade adviezen maar aan jouw kleinheid dat je nog steeds in de ellende zit. Ik zou je goede adviezen kunnen geven maar jij zou niet in staat zijn, zoals je denkt en bent, om ze ook daadwerkelijk tot het welzijn van allen om te zetten.
Raadde ik je soms aan alle diplomatie opeens te stoppen en in haar plaats jouw vak en persoonlijke broederschap met alle schoenmakers, smeden, schrijvers, machinisten, technici, artsen, opvoeders, meubelmakers, journalisten, administrateurs, mijnwerkers en boeren van Engeland, Duitsland, Rusland, Amerika, Argentinië, Brazilië, Palestina, Arabië, Turkije, Scandinavië, Tibet, Indonesië, enz. te zetten, alle schoenmakers van de wereld zich laten beraden over de vraag, hoe men op zijn best de Chinese kinderen van schoenen voorziet; alle mijnwerkers zelf laten uitvinden, hoe men overal het bevriezen van mensen uitroeit; de opvoeders van alle landen laten begrijpen, hoe men alle pasgeborenen voor latere impotentie en geestesziekten behoedt enz.; wat zou je dan doen, kleine man, gekonfronteerd met deze vanzelfsprekendheden van een menselijk leven?
Je zou mij met zekerheid zelf of door de mond van een of andere vertegenwoordiger van jouw partij- kerk- regerings- of vakorganisatie tegenhouden (als je me niet direkt als 'rooie' zou opsluiten)
'Wie ben ik dan wel om het internationale diplomatieke verkeer door het internationale verkeer van de arbeid en van de sociale prestatie te vervangen?'
Of:
'Wij kunnen nationale verschillen in de ontwikkeling van de ekonomie en kultuur niet opheffen!'
Of:
"Moeten we ons met de fascistische Duiters of Japanners en met de kommunistische Russen of met de kapatilistische Amerikanen inlaten?'
Of:
'Ik ben allereerst een in mijn Russische, Duitse, Amerikaanse, Engelse, Joodse en Arabische vaderland geïntresseerd burger.'
Of:
'Ik heb genoeg aan mijn hoofd met het ordenen van mijn eigen leven met mijn kleermakers vakbond. Laat iemand anders voor de kleermakers van ander naties zorgen.'
Of :
'Luister niet naar deze kapitalisten, bolsewieken, fascisten, trotzkisten, internationalisten, seksualisten, dromers, utopisten, opstokers, fantasten, dwazen, individualisten en anarchisten! Hebben jullie dan geen Amerikaans, Russisch, Duits, Engels of Joods zelfbewustzijn?"
Je zou met absolute zekerheid één van deze of andere slagzinnen gebruiken voor je gebrek aan verantwoordelijkheid voor het menselijk verkeer.
'Ben ik dan helemaal niets waard? Je laat geen enkele fatsoenlijke karakertrek aan mij bestaan! Je trapt me tot moes. Ik ben toch een mens die hard werkt, zijn vrouw en zijn kinderen voedt, zijn leven fatsoenlijk probeert vorm te geven, zijn land dient! Zo heel slecht kan ik dus niet zijn!'
Ik weet dat je een fatoenlijk, solidair, werkzaam levend wezen bent zoals een bij of een mier. Ik heb ook alleen de kleine man in je onthuld, die je leven kapot breekt en door de duizenden jaren heen kapot brak. Je bent GROOT, kleine man, als je niet klein en kleingeestig bent. Je grootheid, kleine man, is de enige joop, die ons overblijft. Je bent groot, als je je handwerk doet, het liefdevol bedrijft, vreugde vindt in het houtsnijden, in het bouwen en schilderen en dekoreren en het zagen en in de hemel en in het blauw en in de zee en in de morgendauw en in de muziek en dans, in je opgroeienden kinderen en in mooie lichamen van je vrouw en van je man; als je naar het planetarium gaat, om jouw sterrenhemel te begrijpen, naar een bibliotheek om te horen wat andere mannen en vrouwen over het leven denken. Je bent groot als je als bejaarde grootvader je kleinkind op je schoot houdt en hem uit verre voorbije tijden vertelt; als je met zijn lieve kinderlijke nieuwsgierigheid in de ongewisse toekomst kijkt. Je bent groot, moeder, als je je pasgeborene in slaap neuriet; als je met tranen in je ogen diep uit je hart voor het geluk van zijn toekomst bidt, als je ieder uur aan deze toekomst van je kind bouwt, door de jaren heen.
Je bent groot, kleine man, als je de goede, warme volksliederen zingt, of als je op de klank van een harmonika in een kring draait, want de volkliederen zijn goed en heilzaam en ze zijn overal op deze aarde gelijk. En je bent groot, als je tegen je vriend zegt:
'Ik dank mijn lot dat het mij vergund was om mijn leven vrij van vuil en begerigheid te leven, het groeien van mijn kinderen, hun eerste stamelen, grijpen, lopen, spelen, vragen, lachen en minnen te beleven; dat ik mijn gevoel voor de lente en zijn milde wind, voor het ruisen van de beek thuis en het zingen van de vogels in het bos zuiver en vrij bewaarde; dat ik me verre hield van het gezwam van boze buren; dat ik in de omarming van mijn echtgenote gelukkig was en de stroom van het levende in mijn lichaam voelde; dat ik het levende in mijn lichaam voelde; dat ik in verwarde tijden de richting van mijn wezen niet verloor en dat mijn leven zin en bestendigheid had. Want ik heb altijd naar mijn binnenste geluisterd en ik heb steeds de zachte manende stem gevolgd, die me zei: 'Er is niets buiten dit: het leven dat goed en gelukkig is om te leven! Volg je hart, ook als het je van het pad van beschroomde zielen afleidt. Word niet hard, ook als het leven je eens kwelt. En als ik op stille avonden, na gedane arbeid, met mijn geliefde, of mijn kind op het erf voor mijn huis zit, het ademen van de natuur voel, dan stijgt het lied in mij op, dat ik zo graag hoor, het lied van de velen, het lied van de toekomst: ... Ik omarm je, miljoenen...!' Dan smeek ik dit leven om op zijn rechten te staan, de verharden en de angstigen te bekeren die de muziek van de kanonnen laten klinken. Ze doen het alleen maar, omdat het leven hun ontvlood. En ik omarm mijn kleinzoon die mij vraagt: 'Vader! De zon is ondergegaan! Waarheen is de zon ondergegaan? Zal ze spoedig terugkomen?' En ik zeg hem: 'Ja, mijn zoontje, de zon zal spoedig terugkomen en ons vriendelijk verwarmen".
Ik ben aan het slot van mijn gesprek met jou gekomen, kleine man, maar wat ik je nog te zeggen heb is zonder eind. Als je mijn rede eerlijk en opmerkzaam hebt gelezen, zal je je ook daar als kleine man ontdekken, waarheen ik je niet gevoerd heb. Want het is altijd dezelfde toon, die al je kleingeestige handelingen en gedachten doortrekt.
Wat je mij nu altijd hebt aangedaan, of nog zal aandoen, of je me nu als redder aanbidt of als spion hangt of radbraakt, vroeger of later zal je uit nood begrijpen, dat ik de wetten van het levende ontdekte, en je het gereedschap gaf om je leven met wil en doel te besturen zoals je tot nu toe alleen machines kon besturen.
Ik was een trouw ingenieur van je organisme voor je. Je kindskinderen zullen mijn sporen volgen en goede ingenieurs van de menselijke natuur zijn. Ik heb het oneindig uitgestrekte rijk van het levende in je, van je kosmische wezen voor je geopend. Dit is mijn grote beloning.
De diktators en tirannen echter, de sluwen en de giftigen, de mestkevers en de hyena's roep ik de woorden van een oude wijze toe:
Ik plantte de banier van het heilige woord in
aarde.
Als de palmboom allang verdord is, de rots
ineengestort, als allang de stralende monarchen als
verrot gebladerte in stof uiteenwaaien:
Dragen door iedere zondvloed duizend arken mijn
woord: het zal standhouden!
Abonneren op:
Reacties (Atom)






