zaterdag 17 december 2011

Nogmaals de kerstboom.

Gelukkig is er tenminste één in huis die het leuk vindt om de kerstboom op te tuigen.
Nee, dat ben ik niet. Dat mag je van mij niet verwachten. Ik denk wel vaak aan God als ik het ding van de vliering haal en weer eens mijn knie of hoofd stoot wanneer ik tussen de tenten en koffers een doos met ballen of andere kerstversiering vandaan vis. Maar dan op de wijze waar de bond tegen het vloeken zo fel tegen gekant is.
Ik zet de boom ook nog in elkaar en maak meestal een beginnetje met het bevestigen van de lampjes. Als ik dan bemerk dat Paula jeukende vingers krijgt omdat ik dat toch weer net even anders doe dan zij graag ziet, ruim ik zonder morren het veld, zodat zij zich verder op het groene plastic monster kan uitleven. Teamwork heet zoiets.
Dit jaar wilde ik haar ontzien. Nog geen week geleden heeft ze immers met haar fiets een doodssmak gemaakt en ze zit nog steeds onder de blauwe plekken. Maar het is een taaie, zoals de meeste vrouwen. En omdat ik zag dat ze bijna begon te kwijlen toen ik licht morrend en met een donkere blik begonnen was aan het karwei waar zo menig huisgezin de gezelligheid mee in huis tracht te halen, bedacht ik mij geen ogenblik en maakte plaats voor haar. Zo’n bal maakt het niet uit wie hem ophangt.


Denk nou niet gelijk dat ik de gezelligheid in huis niet waardeer. Met veel plezier kan ik naar de boom kijken, die goed tot zijn recht komt in onze ruime huiskamer, zoals je op bijgevoegde foto zien kunt. Het heeft wel iets genoeglijks. Als het echter na zo’n week of drie tijd is om alles weer op te ruimen is dat zonder spijt en besef ik des te beter dat we de feestdagen weer achter de rug hebben.

Het had allemaal erger gekund. Heel de Kerst had erger gekund. Nee, ik denk nu niet aan die arme daklozen die straks weer bij het leger des Heils uit de ruif van de barmhartigheid mogen vreten, terwijl een fotograaf dit gebeuren vereeuwigt zodat heel Nederland de volgende dag kan zien dat wij een gastvrij volkje zijn. Of die sloebers te beklagen zijn vind ik moeilijk te beoordelen. Als ik nu een dakloze was geweest zou ik naar het zuiden getrokken zijn, samen met de trekvogels.
En ik heb recht van spreken want ik was weliswaar pas twintig en recht van lijf en leden toen ik als dakloze naar Israël vertrok, maar ik zie zoiets niet als een zaak van leeftijd maar van mentaliteit. Al moet je natuurlijk niet al te krakkemikkig zijn.
Als ik denk aan een vreselijke Kerst dan zie ik een groot huis voor me met een boom van drie meter hoog. Iedereen in zijn netste kleren, opgefokt glimlachend naar elkaar en een vrome smoel trekkend boven de kribbe in de hoek, die zo liefdevol door de kinderen in elkaar is gezet.
Ik denk aan een grote vette kalkoen, kerstliedjes uit de speakers, het zalvende gekwezel voordat de dode vogel wordt aangesneden en straks als verrassing met z’n allen kijken naar een mooie kerstfilm op het megascherm, met de happers en snappers in bakjes op tafel. Aan zelfgenoegzaam gevoerde conversatie waarin we ons gelukkig prijzen dat wij het zoveel beter hebben dan al die arme stakkers die het niet zo goed maatschappelijk hebben gemaakt. Kortom een kerstfeest uit de modebladen. Yughh. Wat zielig.
Paula gaat met de Kerst weer eens een maaltijd uitproberen. Zoals ik al eerder liet weten moeten we afwachten wat het worden gaat en of het smaken zal. Ik heb er vertrouwen in. Het lijkt me heel leuk als straks de kinderen met hun aanhang en mijn kleinkind op eerste kerstdag langs komen. Het zijn allemaal heel fijne mensen. Lekker ongedwongen en vooral geen kapsones. En net als vorige jaar zal het waarschijnlijk heel gezellig zijn. Voorlopig heeft de crisis nog niet bij ons op de deur geklopt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten