zaterdag 3 december 2011

Geloof

In de ogen van religieuze mensen ben ik net zo betrouwbaar als een verkrachter.
Dat blijkt uit een studie in Canada, waar aan 770 religieuze Amerikanen en Canadezen om beschrijvingen gevraagd werd van onbetrouwbare personen.
Atheïsten, waarvan er op aarde van de 7 miljard slechts zo’n 500 miljoen zouden zijn, scoorden volgens onderzoeker Ara Norenzayan behoorlijk hoog op onbetrouwbaarheid.
Na het lezen van dit toch wel schokkende nieuws is mijn hele avond verpest.
Ik geef toe dat ik mij in mijn gedrag niet door Gods woord leiden laat. Dat ik niet het geloof maar mijn verstand gebruik om in het doolhof dat leven heet met wisselend resultaat mijn weg te zoeken. Ik wil toegeven dat dit verstand altijd minder onfeilbaar is dan het geloof, want je kunt immers in alles geloven. Dit in tegenstelling tot het weten, want je kunt niet alles weten en wat je denkt te weten kan ook nog eens onjuist blijken te zijn. Maar geloof kent geen grenzen en dat zou een verklaring kunnen zijn dat er zoveel meer gelovigen zijn dat niet-gelovigen.
Ik zal niet ontkennen dat ik mij zelf tot dwaallicht ben in de schemering en duisternis. Dat ik het risico neem dat ik straks voor eeuwig en nog veel langer zal branden boven een laag vuurtje tot ik lekker knapperig ben, waarna ik een nieuwe huid krijg en de barbecue opnieuw begint. En na dit grapje zullen er nog wel een paar jaren bij komen of wordt het vuurtje wat hoger opgestookt.
Ik wil nog veel meer toegeven als mij daarom vraagt. Vraag daarom maar niets. Ik ben al te openhartig geweest.
Zouden de gelovigen, als men door had gevraagd, ook nog iets aardigs over de atheïsten hebben gezegd?
Voor mijn gelovige medemens, die zijn kracht ontleent aan een handboek voor pech onderweg waarin staat hoe men moet leven, opdat men aan het eind hiervan zijn niet geringe beloning op kan strijken, bestaat er geen twijfel dat wat zij geloven juist is. En mocht de pech onderweg zo dramatisch zijn dat er desondanks toch twijfel ontstaat, dan biedt het zelfde handboek troost. En een duidelijke en eenvoudige weg uit de ellende: Geloof.
Maar ik als atheïst, die vaak twijfelt en het soms ook niet meer weet (Deze aarde gaat immers naar de kloten, we maken er met z’n allen een potje van en vullen de dagen van ons leven met trivialiteiten terwijl we weten dat de afgrond steeds dichter bij komt) waar kan ìk troost vinden?
Wat heb ik anders dan slechts mijn krakkemikkige botten, bekleed met wat schamel vlees en het vooruitzicht dat de aarde straks mij terug eist?
Geloof ik dan helemaal niet? Het kan toch niet zo zijn dat ik helemaal nergens in geloof? Is er dan slechts duisternis in mijn hart? Sta ik hierin helemaal eenzaam en alleen?
Bij nader inzien valt het gelukkig wel mee. 500 miljoen atheïsten. Menig religieuze beweging mocht willen dat zij zoveel gelovigen had. Ik sta niet alleen. Er is gelukkig hoop. Oh ja, en geloof en liefde.

Sam en Moos hadden het tijdens hun leven vaak met elkaar over de hemel. Ze beloofden elkaar dat degene die het eerste dood zou gaan met de ander contact op zou nemen om hem te vertellen hoe de hemel was.
Moos stierf als eerste. Een jaar later kreeg Sam een telefoontje. Het was Moos. Sam vroeg opgewonden hoe het daar was.
“Geweldig”, antwoorde Moos. “Je zou het bijna niet geloven. We beginnen de dag met uitslapen, hebben een verrukkelijk ontbijt van de lekkerste groente die je je maar kunt voorstellen, en de rest van de ochtend bedrijven we de liefde. Dan is er ’s middags een heerlijke lunch, waarna we opnieuw de liefde bedrijven. ’s Avonds is er weer een erg lekkere maaltijd en daarna bedrijven we opnieuw de liefde totdat we moe zijn en gaan slapen.”
Sam is laaiend enthousiast. “Prachtig”, roept hij. “De hemel lijkt me een fantastische plek.”
“De hemel?” zegt Moos. “Ik ben een konijn op de Veluwe.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten