vrijdag 23 december 2011

Het cadeau.

Woedend keek ze hem aan. Er sprongen vonken uit haar ogen.
Ik wil nu naar huis, riep ze. Haar hoge schreeuwstem klonk snerpend als een wagen die met gierende banden de bocht nam. Haar armen had ze stijf over elkaar geslagen. Ze maakte geen grapjes. Ze meende het.
Het gezicht van de kleine gedrongen man met de grijze leren jas en het kale hoofd liep rood aan. Ook hij was woedend.
Je hebt zelf gevraagd of je mee mocht. En nu wil je opeens naar huis? Wat is dat voor een onzin?
Zijn woorden maakten weinig indruk. Het meisje met de rode strikjes in haar vlechtjes en het fijn gevormde gezichtje, ouder dan tien jaar was ze beslist niet, gooide meer volume in haar stem. Ik wil naar huis, naar huis, naar huis, krijste ze.
De voorbijgangers liepen haastig voorbij met hun volle tassen en leken geen aandacht aan het stel te besteden. Ze waren teveel met zichzelf bezig. Nog anderhalve dag te gaan en er moest nog van alles worden gedaan. Sommigen van hen hadden de voorafgaande dagen nog gewerkt en moesten nu in allerijl op het laatste nippertje hun boodschappen doen. Gelukkig waren de kerstkaarten verstuurd en was de boom opgetuigd. Maar de wc en de badkamer moesten nog schoon worden gemaakt, de rommel in de huiskamer opgeruimd, het huis gestofzuigd en er moest natuurlijk een mooie volle bos bloemen op tafel, want dat stond zo gezellig.
Anderen waren al dagen aan het winkelen en bijna in een soort trance geraakt van vermoeidheid. Knettergek waren ze inmiddels geworden van de drukte. De rijen bij de kassa’s leken maar niet korter te worden, de kerstliedjes tolden door hun hoofd en nergens konden ze dat ene speciale cadeau vinden dat ze zo graag hadden willen kopen. Tot overmaat van ramp bleken de pinautomaten het weer eens niet te doen. En overal massa’s en massa’s mensen. Er was geen door komen aan.
Uit een loodgrijze lucht viel een zachte motregen. Vorig jaar om deze tijd sneeuwde het, wisten ze. Maar dat het nu minder koud was maakte hen er niet vrolijker op.
Dat stomme cadeau wil ik helemaal niet. Ze spuwde de woorden bijna in zijn gezicht.
Hij pakte haar bij de schouders en drukte zijn neus bijna in haar gezicht. Welk stom cadeau, waar heb je het over? Waar maak je je zo druk over?
Die stomme DVD. Die rot film. Ik had je gezegd dat ik die film niet wilde.
Die stomme DVD? Die is helemaal niet voor jou. Als je zo blijft brullen krijg je helemaal niks.
Ik hoef helemaal niks. Ik wil naar huis.
Je weet helemaal niet wat ik voor je gekocht heb. Je weet helemaal niet wat ik in de kelder heb staan.
Nu had hij haar aandacht. In de kelder? Hij had het cadeau in de kelder gezet. Maar waarom in de kelder? Was het dan zo groot dat het niet onder de boom kon?
Wat heb je in de kelder staan? vroeg ze opeens met zachte stem.
Dat zou jij wel willen weten, hè? Hij grijnsde bijna boosaardig. Luister. Je gaat nu met me mee. Je houdt op met schreeuwen. Ik wil het niet meer horen. Straks gaan we wat eten bij Mc Donalds en daarna breng ik je bij je moeder. Ik beloof je dat als zij je op tweede kerstdag bij mij brengt dat je een heel mooi cadeau krijgt. De film is voor je broertje. Die wou hem wèl graag hebben. Maar je mag hem niks zeggen. Beloof je dat?
Ze zweeg. Haar woede was gezakt. Toen de man een hand uit stak pakte ze hem vast. Samen liepen ze vanonder de overkapping de regen in. Toen ze langs me kwamen gaf de man me een vette knipoog.
Fijne feestdagen, riep ik hen beiden lachend na.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten