maandag 31 december 2012

De beste wensen?


Ja, natuurlijk de beste wensen aan iedereen die dit leest. Ik waardeer het dat je zo af en toe kennis neemt van mijn prozaïsche oprispingen.  Als deze een glimlach of een andere, voor mijn part negatieve reactie aan je ontlokken, dan is dat mooi.  
Moge in 2013 bijna al je wensen uitkomen en dat je het eind van het komend jaar in goede gezondheid mag afsluiten met voldoende nieuwe wensen voor 2014.
Vooral jou, je weet wie ik bedoel, jou wens ik nog het meest van iedereen het allerbeste.
Vergeet niet dat het met goede wensen zo is dat je er zelf ook wat aan zult moeten doen om ze uit te laten komen. Op je krent zitten en wachten tot de engelen gouden keutels op je hoofd schijten is er niet bij. Je zult ze je enthousiasme en je inzet moeten laten zien. Daar zijn ze dol op.
Daarnaast wens ik alle galbakken die ik ken en die ik niet ken, inclusief de nors kijkende trambestuurder die vandaag de deur niet even voor me open wilde maken, van harte de tyfus.
Ik wens hen verder toe wat vele anderen hen ook toewensen, tenzij het iets goeds is.
Zoals bekend komen slechte wensen meestal makkelijker uit dan goede. De galbakken hoeven alleen zichzelf te blijven. Vaak is dat voldoende om ze uiteindelijk de builenpest of een variatie daarop te bezorgen. Of, als dit teveel gevraagd is, op zijn minst jeuk aan hun anus.
En mocht jij ook nog een galbak voor ogen hebben die je hetzelfde toewenst als ik, weet dan dat ik achter je sta en hoop dat jouw wens in vervulling gaat. Tenzij je mij natuurlijk een galbak vindt.
Ik denk dat we  af moeten van die begripvolle, vergevingsgezinde mentaliteit die elke galbak altijd maar afschildert als een slachtoffer dat zelf niet verantwoordelijk is voor zijn onacceptabele daden of ideeën. Oog om oog, tand om tand.
En heb ik nog wensen voor mezelf? Niet bepaald. Of het zou moeten zijn dat het mij en degenen die ik lief heb voor de wind moge blijven gaan. We wachten het rustig af.

zondag 23 december 2012

Kerstverhaal.

Zelf dacht hij nu alles in huis te hebben, maar toen hij zich languit op de bank achter de TV wilde installeren ontdekte hij dat het bier bijna op was.
Dat was een tegenvaller. Gelukkig dat de winkels deze zondag geopend waren, al was het bijna vijf uur. Met enige tegenzin besloot hij daarom om snel naar het winkelcentrum toe te fietsen om nog een paar sixpacks te kopen.
Uit een loodgrijze lucht viel een druilerige motregen met zo af en toe een paar grote koude druppels er tussen. Het leek er op dat de weerman gelijk had gehad toe hij voorspelde dat het dit jaar vermoedelijk geen witte Kerst zou worden.
Ondanks de crisis was het onvoorstelbaar druk in de supermarkt. Er was bijna geen doorkomen aan. Iedereen wilde vandaag de laatste boodschappen in huis halen. Dan kon men het misschien morgen wat rustiger aan doen.
Opgewekt strooiden de luidsprekers kerstliedjes over de apathisch voor zich uitstarende massa.
Toen hij eens goed keek naar de kriskras door elkaar staande karretjes en zich afvroeg hoe hij het beste bij het bier kon komen zag hij Agnes, zijn buurvrouw, achter een volle boodschappenkar voorbij strompelen in de richting van een van de vele kassa’s. Als kind uit een streng gereformeerd gezin had zij polio gehad en daarom kon zij niet normaal lopen. Dit had haar erg verbitterd.
Hun blikken kruisten elkaar maar ze deed alsof ze hem niet zag. Onbewogen keek ze voor zich uit.
Wat had hij een hekel aan het mens. Altijd chagrijnig. Slechts een keer had hij haar zien lachen en pas toen had hij gezien hoe mooi ze kon zijn. Ze was net als hij begin vijftig. Twee jaar geleden was haar man bij een auto-ongeluk om het leven gekomen en sindsdien leed ze een teruggetrokken bestaan.
Alleen als het echt nodig was kwam ze de deur uit. Hij had haar al in weken niet gezien. Dat hij haar juist hier moest tegenkomen. Waarom ze zoveel boodschappen had begreep hij niet. Ze woonde net als hij alleen en had verder geen familie. Mogelijk waren het voorraden die ze had ingeslagen.
Toen hij eindelijk zijn biertjes had bemachtigd en afgerekend was zij nergens meer te bekennen.
Hij stapte op zijn fiets en bemerkte dat de regen was overgegaan in natte sneeuw. Over vijf minuten zou hij thuis zijn en hierna hoefde hij gelukkig de deur niet meer uit.
Aan het begin van het landweggetje, dat door de polder voerde naar de Vinex wijk waar hij woonde, zag hij haar voorovergebogen haar brommer met de zware boodschappentassen voort duwen. Hij stopte naast haar met zijn fiets en vroeg haar wat er aan de hand was. Het zweet stond op haar gezicht van het gezwoeg. “Een lekke band”, antwoordde ze nors. Haar adem ging piepend.
“Ik help je wel even”, was zijn reactie. Hij stapte af. “Pak jij mijn fiets, dan pak ik jouw brommer”.
Ze keek hem dankbaar aan. Nu hij eens goed keek zag hij hoe uitgeput ze was.
“Als je wilt dan kun je naar huis fietsen. Ik kom wel achter je aan.” Omdat het een damesfiets was gaf haar dit geen problemen.  Slingerend reed ze weg en verdween in het duister.
Inmiddels vielen grote vlokken sneeuw naar beneden en begon het zacht te waaien. Een kilometertje was het hooguit. Maar hij deed er ruim een kwartier over.
Ze stond al op hem te wachten, met de schuurdeur open. Zijn fiets had ze tegen zijn schuur gezet. Met enige moeite lukte het hem om haar brommer over de drempel naar binnen te krijgen.
“Ik heb koffie gezet. Kom binnen” Ze keek hem vriendelijk aan. “Ze heeft een mooi gezicht”, dacht hij. “Eerst even mijn fiets opruimen. Dan kom ik.”
“Je komt toch echt?” Hij was verbaasd over de bijna kwetsbare toon in haar stem. ”Natuurlijk kom ik.”
Even later zaten ze samen aan de koffie. De sneeuw die nu viel was zwaar en dik. De weerman had zich vergist. Het zou een mooie witte Kerst worden, dat wist hij zeker.

vrijdag 21 december 2012

Een beetje in de war


Ik kon mijn ogen niet af houden van die heerlijke billen van de bisschop. Ah. Wat werd ik toch op de proef gesteld door God. “Domine, ignosce mih”, prevelde ik. “God vergeef het me. Waarom ik God? Waarom ik?”
Met een gelaten uitdrukking op zijn gezicht sloeg hij zijn ogen op naar de hemel en zuchtte diep.

“Zijne Heiligheid…” Ik aarzelde. Hij zat daar zuchtend tegenover me. De man had het moeilijk en zat duidelijk met zichzelf in de knoop. Moest ik hem nu confronteren met zijn homoseksuele gevoelens of kon hij dit beter zelf ontdekken? Ik probeerde het nog eens.
“Zijne Heiligheid. Wat voelde u op dat moment? Behalve dan dat u erg in de war was?”
“Wat ik voelde? Wat denk je? Ik had een paal in mijn broek van zeker een halve meter.”
“Zo groot?”, vroeg ik hem verbaasd.
“Nu ja, bij wijze van spreken dan. Omdat u gebonden bent aan uw zwijgplicht mag ik wel verklappen dat ik hier beneden niet zo veel heb zitten. Zou dit misschien ook een reden zijn dat ik mij bij andere mannen niet op mijn gemak voel? Ik vertrouw die priesters van me niet zo erg. Natuurlijk weet ik wel dat voor velen van hen het celibaat een te zware opgave is. Ze zijn niet allemaal zo klein als ik geschapen…” Ik knikte als teken dat ik hem begreep en dat hij door moest gaan.
“Weet u…”, hij wenkte mij met zijn wijsvinger en toen ik met mijn hoofd dicht bij hem zat fluisterde hij vertrouwelijk in mijn oor “Ik verdenk hen er van dat ze ‘het’ met me willen doen”.
Het hoge woord was er uit. Typisch een geval van ontkenning en projectie met paranoïde trekjes.
“Met u? Maar u bent 85 jaar.”
Hij grijnsde vriendelijk “Het gaat er niet om dat ik 85 ben, maar hun baas. En wie wil zijn baas niet af en toe een stevige beurt geven?”
Ik keek op de klok. Het half uur was voorbij.
“Het is tijd. Volgende week verwacht ik u om dezelfde tijd. Ik geef u wat huiswerk mee. Mocht u de komende dagen weer het gevoel hebben dat ze u willen naaien hou dit dan niet voor u, maar maak dit bespreekbaar. Zeg gewoon wat u op het hart heeft en wacht de reacties af. Achteraf maakt u een verslag en dat wil ik een dag voor de sessie in mijn bezit hebben. U kunt het gewoon mailen. De verbinding is beveiligd. Is er nog iets wat u de komende dagen gaat doen dat van invloed zou kunnen zijn op onze gesprekken?”


Paus haalt opnieuw uit naar homo's

AMSTERDAM - Paus Benedictus XVI heeft zich vrijdag opnieuw negatief uitgelaten over homoseksuelen. 
Volgens de kerkvorst manipuleren homo's de rol die God hen heeft gegeven en vernietigen ze daarmee 'de essentie van het menselijk wezen'.
De paus deed zijn uitlatingen in zijn jaarlijkse kersttoespraak voor medewerkers van het Vaticaan. Het is een van de belangrijkste speeches voor de paus en hij sprak dit jaar vooral over het uitdragen van 'gezinswaarden'.

dinsdag 18 december 2012

Wij Nederlanders.

In oktober 2007 zei ze bij de presentatie van een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over de nationale identiteit: “De Nederlander bestaat niet”. Nou, onze lieve prinses Maxima heeft geweten dat ze dit zei. Want al bedoelde ze dit alleen positief, de Nederlander vond dat hij wel degelijk een te herkennen eigen identiteit had.
Nederlander zijn betekent immers bemoeizuchtig zijn, kortzichtig, naïef en gierig. En natuurlijk vreselijk intolerant.  In een klein land, waar tot halverwege de vorige eeuw hele volksstammen geïsoleerd van elkaar leefden, waar onder de gewone bevolking veel armoede heerste en de mensen het katholieke of protestantse geloof met de paplepel ingegoten kregen, kun je verwachten deze typisch Hollandse eigenschappen aan te treffen.
Verder houdt de Nederlander van bloemen, stille tochten, schelden op regeringspartijen, stiekeme seks, het trekken van een vrome smoel als men verontwaardigd is, roddelen en het geven van geld aan goede doelen. Bijvoorbeeld aan de postcodeloterij, want dan kan hij zich even over geven aan de illusie dat hij binnen afzienbare tijd ongestraft op het bureau van zijn baas kan poepen.
Kortom, de Nederlander is een bijzonder mens. Als Maxima dat destijds had gezegd was iedereen tevreden geweest.
Denk nu niet dat ik met deze kort door de bocht opsomming alles gezegd heb wat ik vind van de Nederlander. Want als dit het enige was zat ik al lang in Lapland. En dat land schijnt het hoogste zelfmoordcijfer van Europa te hebben, dus zo gezellig is het daar blijkbaar niet.

Dus ondanks mijn gescheld op mijn medelander is er geen land ter wereld waar ik liever zou willen wonen dan hier in dit kutlandje.
De vriendelijkheid van de mensen, de hulpvaardigheid, ons gedoogbeleid, het eigenzinnige van velen.
Het is beslist een voorrecht om Nederlander te zijn. Alleen, wat zijn het vaak vreselijke zeikerds.
Zo is jeugdzorg van plan om een 15-jarige jongen bij zijn moeder weg te halen omdat zij hem alleen rauwkost te eten geeft en ze hem sinds twee jaar thuis houdt en zelf les geeft.
De jongen zelf vond het prima en zei dat hij een goede band met zijn moeder had. Iets wat heel veel jongeren niet kunnen zeggen, maar hen laat de jeugdzorg met rust. Die zelfde jeugdzorg heeft jaren lang zijn hoofd weg gedraaid (en doet dat nog steeds) toen haar pupillen in de pleeggezinnen waar zij door hen waren ondergebracht werden verkracht of anderszins seksueel misbruikt.
Die opgefokte trut van jeugdzorg maakte zich er op het journaal erg druk over dat de jongen thuis les kreeg en niet naar school ging. Want nu zou de knul nooit weten wat het is om schoolvriendjes te hebben.
Ik ben natuurlijk bevooroordeeld, want ik meen de mentaliteit van het wereldje van de hulp- en dienstverlening redelijk te kennen. Als je ergens de kans loopt om van die bevoogdende typetjes tegen te komen is het daar. Net als in het onderwijs, waar ik overigens zelf ook in zit. Ik zeg het zachtjes, want anders worden mijn lieve collega’s straks boos op me. En eerlijk is eerlijk, ik ben zelf ook niet helemaal vrij van een zekere evangelisatiedrift. Want dat is ook typisch Nederlands: de Nederlander voedt zijn naaste heel graag op.
Kortzichtig zijn we natuurlijk ook. Zo denken we bijvoorbeeld dat het bouwen van meer wegen de fileproblematiek oplost. Of dat het verplicht stellen van een aantal contacturen in het onderwijs de kwaliteit van het onderwijs ten goede zal komen. 
Hoe bekrompen we zijn kon je gisteren nog in de krant lezen, waarin stond dat leerlingen van een school na het behalen van hun diploma nog zestig uur les moesten volgen omdat de school niet aan de urennorm had voldaan. Regels zijn immers regels, zei de vertegenwoordiger van de inspectie. Wat een zieke geest heb je dan.
Dat we allemaal naïef zijn blijkt telkens weer uit het overdreven optimisme dat wij ten toon spreiden. 
Tenslotte zijn we een hardwerkend en spaarzaam volkje.
En als we deze goede eigenschappen van de Nederlander maar hoog in het vaandel dragen kan het niet verkeerd gaan.
We snappen dan ook helemaal niet waarom het zo slecht met de economie gaat. Dat schoolbestuurders en andere bobo’s in de eerste plaats aan hun eigenbelang denken en dan pas aan de belangen van de organisaties waar zij verantwoordelijk voor zijn. 
Dat het CBS en SCP voor 2012 een stijging tot 588.000 arme huishoudens (8,5 procent van alle huishoudens) voorziet. Hoe kan dit nu in ons rijke land?
We denken in onze naïviteit dat we leven in een land met eerlijke mensen, maar wist je bijvoorbeeld dat 30% van alle faillissementen het gevolg is van fraude? Het afgelopen jaar gingen zo'n 12.000 bedrijven failliet. Dus zo' 3600 daarvan hebben de boel opgelicht.
Nog sterker; wist je dat Nederland in de wereld bekend staat als fraudeland bij uitstek? Waarom dacht je dat zoveel buitenlandse bedrijven zich hier vestigen? Voor het weer?
En wij maar denken dat we in zo’n beschaafd landje wonen. Altijd klaar staand met commentaar op alles en op iedereen. Hoe naïef kun je zijn.

Zondag schreef ik een stukje over de kerstboom. Natuurlijk zullen er genoeg mensen zijn die vinden dat er niets boven een echte boom gaat. Vrijheid blijheid zou ik zo zeggen. Ik schat dat ik inmiddels al een paar honderd euro heb uitgespaard, vele uren bekijken, uitzoeken en sjouwen van een boom gemist heb en hiermee de ergernissen die dit met zich meebrengt. Maar koop volgend jaar gerust weer een echte boom. Ik haal de mijne wel van de vliering af.
De kerstboomverkoper moet natuurlijk ook wel een kans krijgen om een schamele boterham te verdienen.
Het was dan ook een genoegen om vanavond op tv te zien dat er ergens een gezin in Nederland is dat 34 echte kerstbomen in huis heeft staan, die allemaal volgens de laatste mode in ‘silent white’ waren versierd. Dat wil ik ook nog even kwijt over de identiteit van Nederlanders. Ze zijn knettergek. Vijftig man in een stille tocht voor een dode walvis…

zondag 16 december 2012

Kerstboom

Hij staat. Met een blik op oneindig en mijn verstand op nul ben ik de vliering op gegaan en heb de dozen met ballen, kleedjes, kersthuisjes en kerststukjes naar beneden gehaald. En de kerstboom natuurlijk, want daar was het me vooral om te doen.
Al jaren hoef ik mij niet druk te maken over het kopen van een boom. Deze ligt immers gewoon tussen de vakantiespullen op de vliering. Eén keer per jaar, als het bijna midwinter is, mag hij voor een paar weken naar beneden. Om te vieren dat vanaf nu de nachten weer korter en de dagen langer worden.

Al zie je dat het gewoon wordt om een kunstboom te hebben, er zijn genoeg mensen die zweren  bij een echte boom. Deze zou sfeervoller zijn dan een kunstboom en veel en veel gezelliger. Onzin natuurlijk. Waarom zou in een nepwereld als de onze de kerstboom echt moeten zijn?
Om te beginnen is het altijd een heel gedoe om een betaalbaar boompje te vinden dat mooi vol in zijn naalden zit en dat ook nog eens qua vorm voldoet. En als je er dan eindelijk een gevonden hebt moet je hem heelhuids thuis zien te krijgen. In de auto, achter op de fiets of lopend, gedragen door pa en ma, met pa natuurlijk voorop. Thuis gekomen moet hij meestal door de voordeur naar binnen.
Als zo’n boom te breed is zit er soms niks anders op om hem alvast hier en daar te snoeien.
De onderkant moet nog even mooi recht worden afgezaagd en ook de top moet worden bijgewerkt zodat de piek er goed op past.
Zo’n echte boom is behoorlijk zwaar en daarom moet hij stevig  worden vastgezet. Het leed is immers niet te overzien als hij om dondert.
Met niets van dit soort malle fratsen heb je te maken bij een kunstboom. Binnen een kwartier heb je hem in elkaar gezet.
Nu nog de ballen en andere versiersels er in. Een klusje dat de stemming er helemaal in kan brengen, vooral als pa en ma verschillende opvattingen hebben over hoe de boom het best kan worden versierd.
Net als bij de mode wil de commercie ons altijd laten geloven dat je er echt pas bij hoort als je de boom hebt versierd volgens de laatste mode. Dit jaar is dit ‘silent white’. Veel wit, ijzig wit.
Maar onze boom is vaak een echte ballenboom, al heeft Paula zich dit jaar keurig ingehouden. Silent white is niet aan ons besteed.
Van mijn jeugd herinner ik mij de zilveren trompetjes en vogeltjes in de boom. Die zie je nergens meer. Ook herinner ik mij dat er echte kaarsjes in de boom zaten. Voor mijn geestesoog zie ik vaag een geblakerde witte muur in de hoek bij het raam. Maar of de boom bij ons thuis ooit echt in de fik heeft gestaan weet ik niet zeker meer. Ik lijd aan selectieve jeugdamnesie en kan mij, op een enkele uitzondering na, nagenoeg niets meer van mijn jeugd herinneren.
Als de boom dan eindelijk staat is het verschil met een goeie kunstboom soms nauwelijks te zien. Dat verschil wordt pas echt duidelijk na enkele dagen.
Dan begint de echte boom uit te vallen, met als hoogtepunt het moment dat hij moet worden afgetuigd. Met een beetje pech vind je met Pasen nog wat bruine naalden terug in het kamerbrede tapijt.

Ik zou liegen als ik zei dat onze kunstboom een mooie boom is. Na zo’n tien jaar is het nieuwe er inmiddels wel van af. Ook kunstnaalden vallen uiteindelijk uit. Bij het opzetten van de boom stond ik zelfs ineens met een losse tak in mijn hand. Omdat ze zo dicht op elkaar staan weet ik niet eens waar hij precies gezeten heeft. En hoewel hij dan al wat op leeftijd is heeft Paula er toch wat moois van weten te maken.
Maar zo’n boom is natuurlijk pas echt af als er bloemen, fruit en cadeautjes onder liggen.
Al moeten die verdomde cadeautjes eerst worden gekocht en winkelen is niet mijn grootste hobby. Wat heb ik een gruwelijke hekel aan dat zinloze geshop. Ik ben blij dat mijn kinderen ons vorig jaar verzocht hebben het wat rustiger aan te doen. Morgenavond ga ik kijken of ik niet in één keer alles via internet aan kan schaffen. Waarbij ik natuurlijk eerst ga kijken op de website “duurzaam december”, want daar staan een aantal sympathieke tips op. Want als ik mijn geld toch moet uitgeven dan liever aan rommel die het milieu minder zwaar belast en aan clubjes of aan idealistische mensen die ik het gun.

vrijdag 14 december 2012

Oom Leen

Mijn oom Leen had ik al een tijdje niet gezien. Met zijn 87 jaar is hij de jongste niet meer en omdat hij een aantal jaren geleden z’n heup heeft  gebroken is hij niet meer zo mobiel.
Hij is de enige oom die ik nog wel eens zie. Vroeger kwam hij vaak bij mijn (stief)moeder langs en misschien doet hij dat nog. Alleen ga ik zelf niet zo vaak naar haar toe, dus de kans dat ik hem daar aantref is klein. Omdat het op het moment erg slecht met mijn moeder gaat, ga ik wat vaker langs bij haar de komende tijd.  Wie weet kom ik hem dan ook weer tegen
Mijn vader had meerdere broers en zussen, maar volgens mij zijn die inmiddels allemaal dood. Alleen oom Leen, die de jongste was, leeft nog.

Vanavond kwam ik net even na zessen thuis en gooide gewoontegetrouw gelijk het nieuws op.
Net als zovelen anderen heb ik na een lange werkdag nu eenmaal de behoefte aan het horen en zien van veel narigheid. Dat plaatst mijn eigen leventje weer even in een ander perspectief.
Zelf maak ik gelukkig niet zoveel narigheid mee. Op mijn werk is het altijd een groot feest, zelfs nu er straks weer zo’n 150 fte’s moeten worden ingeleverd en er ruim 200 mensen op straat komen te staan.   
Nadat er op de tv diverse vreselijke gebeurtenissen de revue waren gepasseerd werd er opeens gezegd dat er eindelijk een film gemaakt is over het bombardement van Rotterdam.
En wie werd er tot mijn grote verrassing door de verslaggever in de bioscoop geïnterviewd?  Jazeker, mijn eigen oom Leen. Hij zag er goed uit en vertelde dat zijn ervaringen van het bombardement weliswaar anders waren, maar dat hij toch de bibbers gekregen had van de film.
Het bombardement had vele honderden levens gekost. Eén van de slachtoffers was een tante van me. Ze kreeg een granaatscherf in haar lies en is hieraan door bloedverlies overleden.
Mijn oma heeft hier haar hele verdere leven verdriet over gehad.

Volgens mijn oom Leen heeft hij zijn leven te danken aan mijn vader. Hoe het precies in elkaar zit weet ik niet. Maar toen hij als soldaat in Indonesië gelegerd was tijdens de Bersiap periode (1945-46) raakte hij gewond. Mijn vader was gelukkig daar ook in de buurt gelegerd.
Hij zou op zijn paardje in zijn eentje naar hem toegegaan zijn om net zo lang voor hem te zorgen tot hij weer beter was. En zoiets doen in je eentje in die tijd was beslist niet zonder gevaar. Als ze je te pakken kregen ging je er aan. Menig soldaat hebben ze z’n scrotum afgesneden en in z’n mond gepropt. Maar mijn pa maakte zich zoveel zorgen over zijn jongste broer dat hij wel moest gaan.
Mijn pa, die overigens ook al vele jaren dood is, was vroeger een taaie. Aan hem heb ik mijn eigenzinnigheid te danken.

Ja, die oom Leen. Still going strong. Mijn kinderen vinden hem ook allemaal een aardige man. Het zou leuk zijn als zij hem straks een kerstkaartje zouden sturen en hem laten weten dat ze gehoord hebben dat hij op het journaal was. Het zou hem zeker goed doen. Dus kinders, mochten jullie dit lezen dan weet je wat je te doen staat.

maandag 3 december 2012

Halal plofkip

Laat me leven, jammerde de kip. Maak me niet dood. Met haar schele kippenogen keek ze me smekend aan. Ik had haar stevig vast tussen mijn knieën en hield haar nek achterover gedrukt met mijn linkerhand terwijl ik het scherpe mes, waarmee ik op het punt stond haar keel door te snijden, in mijn rechterhand hield.
Haar vriendinnen aten onverstoorbaar verder. Slechts een enkeling keek belangstellend toe, tuk op een verzetje.
De dood was voor hen geen onbekende. Grote zwarte ratten slopen ’s nachts het hok in om zich tegoed te doen aan zo’n weerloos kuiken. En ook andere rovers wisten het malse vlees te waarderen.
’ s Morgens vond je vaak de afgekloven kadavers in het stro liggen.
Dan had je de bedrijfsongelukjes. Zo af en toe bleef er namelijk een kip vastzitten aan een van de haken waar de rode plastic kerstklokvormige drinkbakken aan bevestigd werden. Natuurlijk probeerde ze dan los te komen, maar door het gespartel drong de haak alleen maar dieper in het vlees. Haar soortgenoten begonnen haar nu te pikken met hun scherpe snavels. De volgende dag vond je dan een uitgeholde kip aan zo’n haak hangen, half opgevreten door de andere kippen.
Op een ochtend lagen er honderden kuikens te stoven onder de kap van een gaskachel. Een drinkbak was ’s nachts van zijn haak gegleden en daardoor was het water, dat anders in de rand van de drinkbak bleef staan, het hok binnengestroomd. De kuikens, die bijeen gekropen waren onder de kap van de gaskachel om lekker warm te blijven, werden nat en door de hitte langzaam gesmoord.   Geen prettige dood. En een financiële strop voor de baas.
Ik bracht mijn hoofd dicht bij dat van de kip die ik vast had. Waarom zou ik jou laten leven? Kippen zijn gedoemd te sterven. Ze eindigen bijna allemaal in de maag van de mens. Ik had jou voor de barbecue van vanavond bestemd. Terwijl ik je kop naar Mekka laat wijzen snij ik in één keer je aders, je luchtpijp en je slokdarm door. Wat kun je als Halal plofkip nog meer verlangen?
Maar ik wil nog niet dood, sputterde de kip. Waarom zou je mij dood maken? Ik heb jou toch niets gedaan?
Nee, maar je smaakt zo lekker en morgen zou je toch met je vriendinnen naar de slachterij gaan. Vind je het niet prettig om misschien als enige apart geslacht te worden in plaats van dat je aan je eind komt aan de lopende band?
Ik zag haar nadenken en omdat ik wist dat het even kon duren eer ze ten volle zou beseffen welke eer haar te beurt viel haalde ik met een vloeiende beweging het vlijmscherpe mes over haar keel. Ze spartelde nog wat voor de vorm na met haar vleugeltjes maar hield daar al snel mee op.
Van mijn gasten kreeg ik ’s avonds complimenten voor de lekker malse kip die ik op de barbecue gelegd had.

zaterdag 1 december 2012

Alles is anders nu


Men heeft vandaag per decreet bepaald
dat het voeren van oorlog is achterhaald
Dat armoede en honger vanaf nu is verboden
En ook kinderarbeid is voortaan uit de mode

Behoeftigen moet men naar vermogen helpen
Zieken met liefdevolle aandacht overstelpen
We staan opeens weer aan een nieuw begin
‘Haat’ is helemaal uit en ‘liefde’ is in

Voortaan moet men minder geloven
Het is regen en geen zegen die er komt van boven
Zie daar een nieuwe wereld naar ons wenken
Goedgelovigheid maakt ten leste plaats voor denken

Een nieuwe en betere tijd is aangebroken
Vreugdevuren worden overal aangestoken
‘Hebben’ is uit en ‘zijn’ helemaal in
Vanaf vandaag is niemand meer te min

Vanaf nu leven wij volgens nieuwe geboden
Eren we de levenden zowel als de doden
Mijn liefste, jij bent en blijft  mijn beste makker
Laat mij nog even dromen, maak me niet wakker

vrijdag 30 november 2012

Herfstsonate

De regen valt zoals verwacht
En valt daarom niet tegen
Het regent nu al heel de nacht
Al uren valt een koude regen

Tegen het bewasemd zolderraam
klinkt monotoon ritmisch getik
fluisterzacht tikt het jouw naam
Steeds opnieuw, tik…tik…tik…tik

Verheugd duw ik het raam omhoog
Geen Tik in velden of in wegen
Hier binnen is het lekker warm en droog
Tegen ’t bewasemd glas valt koude regen

donderdag 29 november 2012

Ongeloof.

Gisteren had ik het over wonderen. En de goedgelovigheid van de mens. Ik zou het er elke dag wel over kunnen hebben. Wat een fascinerend verschijnsel. Wat een mooi thema om over na te denken.
Afgezien van de tijd dat ik nog naar de zondagsschool ging heb ik nooit gelooft. Door de jaren heen ben ik zelfs een fervent atheïst geworden. Nee, niet een agnost, maar iemand die gewoon niet gelooft. 
Er is namelijk gewoon geen God. Punt, uit. En daar mogen we heel blij mee zijn. Want als je in de bijbel of ander gebedenboek leest waar zo’n almachtig opperwezen toe in staat is, dan lopen de rillingen je langs de rug. Ook zijn tegenhanger, de Grote Beëlzebub himself, bestaat alleen maar in de hoofden van veel mensen. En dat is al net zo’n creep.
De mens is een fantasierijk wezen. Als je daarbij kunt accepteren dat mensen het blijkbaar nodig hebben om hun innerlijke hemel of hel te projecteren op de wereld buiten hen, en dat zij daarbij niet of heel moeilijk los kunnen komen van hun opvoeding, dan begrijp je dat de exotische innerlijke wereld van gelovigen vele bizarre vormen aan kan nemen.

Ik denk dat iemand die gelovig is heel vaak oprecht is in zijn geloof. Alles waarin men ons immers heeft leren geloven, of dit nu de troostrijke gedachten van een godsdienst zijn of de zegeningen van de consumptiemaatschappij, maakt deel uit van ons zelf. Vormt onze identiteit.
Ik heb er dan ook totaal geen moeite mee dat mensen geloven. Het willen dienen zit nu eenmaal in de menselijke aard. Hij is immers een kuddedier. Als hij deze behoefte niet zou hebben gehad zouden wij al lang zijn uitgestorven. Nee, oprechte gelovigen die vanuit hun hart hun geloof belijden zijn prima mensen. Als zij tenminste zelf niet voor God willen spelen en overwegen om andersdenkenden kwaad te doen, omdat zij er blijkbaar geen vertrouwen in hebben dat hun God machtig genoeg is om zelf tijd en plaats te bepalen.

Mensen die geloven doen er verstandig aan om bij dat geloof te blijven. Sterker nog, ik denk dat een oprecht gelovige sterk in het leven staat en zijn ramen op de wereld altijd open heeft staan.
Ik denk ook dat iemand die gelooft niet eens zou moeten overwegen om de weg te willen volgen van een ongelovige zoals ik. Het zou hem of haar doodongelukkig maken.
Ik heb door het leven geleerd om mijn troost en vertrouwen uit andere dingen te halen.
Verder heb ik geleerd om te accepteren dat alles is zoals het is. En daarbij hoort ook dat wij allen een andere kijk hebben op hoe wij het beste zouden kunnen leven. Een zaak van geschiedenis, maatschappij, tijdsbeeld, geografie, de dikte van je portemonnee  en vele andere variabelen.
Ik voel mij een geluksvogel omdat niemand mij een geloof heeft bijgebracht en omdat mijn vader zei dat ik daar zelf maar een keuze in moest maken als ik volwassen was.

In mijn optiek zijn veel gelovigen misleide mensen die niet geleerd hebben dat je kracht en troost kunt putten uit de wereld om je heen en uit je zelf.
Hoe? Door meditatie en door gebed. Probeer het maar eens. Het is een door de eeuwen heen beproefde techniek die rust van binnen schept. Daar heb je geen liefde voor God of angst voor de Duivel voor nodig.
Mediteren en bidden. Ik doe het graag. Net als het typen van deze letters. Dat geeft ook een fijn gevoel. Ik noem dit auto-communicatie. Communicatie op jezelf gericht. Selftalk.
Iedereen kent de kracht van selftalk. Vandaar ook het belang van positief denken. Dat geldt ook voor pessimisten zoals ik.

Ach, ongelovigen zijn door de eeuwen heen vervolgd als zij het waagden hun opvattingen over God en zijn volgelingen uit te dragen. Dus hielden zij maar beter hun mond. 
Uit de diepste duisternis,na eeuwen van vervolging en onbegrip, komen we nu aan in de schemering van het bestaan. Of we ooit, vrij van onze onnodige angsten en vrij van ons wantrouwen in andersdenkenden, in het volle licht zullen komen staan of voor die tijd in oblivion zijn verdwenen moeten we maar afwachten. Zelf zie ik het somber in.
Zo is het helaas nog steeds zo dat als je publiekelijk een grapje maakt over Allah of Mohammed je een grote kans loopt om ernstige problemen te krijgen. Dus vertel ik dit soort grapjes alleen aan het kleine onzichtbare kaboutertje dat achter de plint bij de deur woont. Bovendien, waarom zou ik mensen beledigen omdat zij anders in het leven staan dan ik.

De behoefte om te dienen heeft de mens veel moois gebracht. Maar ook veel ellende.
Afsluitend wil ik als een oprecht atheïst nog eens wijzen op de kracht van het gebed. Het maakt onvoorstelbare krachten in je los. Krachten die je ook als atheïst goed gebruiken kunt om van dit leven voor jezelf en voor anderen iets moois te maken. En daarnaast is een beetje geluk of wat minder pech ook nooit weg.

woensdag 28 november 2012

Wonderen.

Soms krijg ik wel eens de vraag of wat ik op mijn weblog heb gezet echt is gebeurd. Is dit dan zo belangrijk? Is een spannend fantasieverhaal niet veel interessanter dan de soms saaie werkelijkheid?
De laatste maanden had ik, net als in het echte leven, niet veel te vertellen. Kranten en televisie herhaalden zichzelf in een eeuwig geleuter met weinig diepgang. Rampje hier, oorlogje daar, frauderende wetenschappers, corrupte politici. Wat is er nieuw?
Aan al die oppervlakkige shit had ik niets toe te voegen en misschien is dit nog steeds zo.
Ik blowde teveel, want anders bleven mijn gedachten maar door mijn hoofd malen over niets en van alles. Ik ging veel te laat naar bed, was gestopt met sporten en vrat me bij vlagen ongans aan chocolade, nootjes en chippies. Maar aan alle goede dingen komt helaas een eind en nu blow ik weer een tijdje niet, eet gezond en ren twee keer per week zo’n 10 kilometer door de polder. Gelukkig ben ik uiterst zwak van karakter en ik verwacht nog voor het eind van de maand december een stevige terugval.

Nu mijn tijd even niet meer helemaal wordt opgeslokt door trivialiteiten als geld verdienen om de hypotheek te kunnen betalen of het op orde brengen van mijn administratie, die helaas nog steeds een puinhoop is, nu ik er voor gekozen heb om de vele klusjes die op mij wachten opnieuw nog enkele maanden uit te stellen, nu ontstaat er weer even ruimte voor het woord.
En dat schenkt mij een gevoel van genot.
Ja, mijn ijdelheid streel ik het liefst zelf. Enig narcisme is mij niet vreemd. Wie kietelt je als je jezelf niet kietelt?
Schrijven is leuk en de voldoening die ik ervaar als het me weer eens gelukt is om de juiste woorden te kiezen voor wat ik zeggen wil is een beloning op zich. Dat anderen mij hiermee soms complementeren is meegenomen, maar hoeft van mij niet. Alleen echte schrijvers verlangen er naar dat hun lezers hen zien als iemand met een bijzondere gave. Nee, ik ben een gewoon manneke en hoop dit nog lang te blijven.

Vandaag heb ik zin om een verhaaltje te vertellen. Een soort bekentenis over hoe ik jaren geleden de Kerst heb gevierd in Bethlehem. Je hebt toch wel eens van Bethlehem gehoord? Koning David en Jezus zouden er geboren zijn. Wanneer? Dat weet ik niet. Heel erg lang geleden.
Het was in een tijd dat er nog wonderen gebeurden. Zoals maagdelijke geboortes en rotsen die wit werden nadat Maria een druppel melk had verloren. Nooit van gehoord? Christenen bezoeken nog steeds de Kerk van de Melkgrot. Niet omdat ze goedgelovig zijn. Juist niet. Maar omdat zij er geen moeite mee hebben om werkelijkheid en fantasie in dat zelfde kleine kopje van hen naast elkaar en door elkaar heen onderdak te bieden. Water of wijn. Het is voor hen allemaal één pot nat. Over water lopen, huilende Mariabeelden, vis vermenigvuldigen, Hans Kazan, Marcel Kalisvaart, uit de dood opstaan…Er komt geen eind aan de dingen waarin je kunt geloven.
Tussen haakjes, in mijn werkkamer woont een klein kaboutertje achter een plint bij de deur. Eerst dacht ik nog dat ik een muis zag wegschieten, maar bij nader inzien was het een kleine wijze kabouter. Soms voer ik hele gesprekken met hem en hij beweert dat de wereld NIET zal vergaan eind december. Esoterische kennis. Illuminatie. Het bijzondere van deze kleine kabouter is dat hij zich onzichtbaar maken kan. Alleen ik kan hem zien. Als dat geen wonder is.
Van wonderen in Bethlehem is al een tijd geen sprake meer. De stad schijnt te zijn omgetoverd in een soort van vesting met een acht meter hoge afscheidingsmuur en je kunt er alleen binnen komen via zware metalen poorten.
Gelukkig was dat nog allemaal niet zo toen ik er een bezoek aan bracht met Kerst in 1972.
Ik verkeerde in het gezelschap van drie vrouwen. En had het prima met hen naar mijn zin.
Nu verkeer ik al mijn hele leven liever in het gezelschap van vrouwen dan dat van mannen. Het zal hun geur wel zijn. Ik weet het niet.
Eén van hen was mijn vriendin. De anderen waren haar zus en een vriendin van haar zus.
We waren pas enkele maanden in Israël en de kans om Kerst te vieren in Bethlehem wilden we niet laten schieten.
Als enige man in het gezelschap had ik mij voorgenomen hen tegen ongewenste avances van de lokale mannengemeenschap te beschermen. Ha, ik was een wat groot uitgevallen krielkip van 164 centimeter en dacht eventuele opdringerige kerels met mijn indrukwekkende postuur wel af te kunnen schrikken.
Gelukkig voor mij werden de dames niet lastig gevallen. En omdat er op mijn rol als beschermheer toch geen beroep werd gedaan besloot ik een fles Arak te kopen. Hoe het kan dat je in een Islamitisch land zo gemakkelijk een fles van die naar anijs smakende godendrank krijgen kan is mij nog steeds een raadsel.
De Geboortekerk, die staat op de plek waar Jezus geboren zou zijn, was de ideale plek om de fles aan te spreken. Ik kan mij niet meer herinneren of de dames ook meegedronken hebben. Eerlijk gezegd kan ik mij nauwelijks nog wat herinneren. Mijn God, wat ben ik die eerste kerstavond bezopen geworden. Vaag staan mij beelden bij van natte sneeuw, lachende Arabieren, oude bekenden die wij aan boord hadden ontmoet en die nu ook Kerst in Bethlehem kwamen vieren.
Nee, erg behoorlijk heb ik mij die avond niet gedragen. Denk ik achteraf.
De dames hebben zich gelukkig over mij ontfermd. Hadden zij niet op mij gepast, dan zou het waarschijnlijk slecht met mij zijn afgelopen.
Na al die jaren wil ik hen vergeving vragen voor mijn onbehoorlijke gedrag van toen en bedanken dat ze zo goed voor mij zijn geweest. Wat waren het een lieve meiden. Het zal een wonder zijn als zij dit ooit lezen.

woensdag 21 november 2012

Feestdagen?

We leven in een tijd waarin alles heel snel gaat. Zelfs de feestdagen halen elkaar in. Zo heeft de gruttersmentaliteit van de, in deze donkere dagen vaak wanhopige kleine neringdoenden en die van de brutale grootgrutters er voor gezorgd, dat we ons nu al weer moeten voorbereiden op het geboortefeest van de kleine Jezus, terwijl de Sint  het land nog niet uit is.
Een ontwikkeling die al een aantal jaar geleden is ingezet. Zelf zag ik onlangs in een warenhuis in een klein hoekje een uitnodiging om cadeautjes te kopen voor het feest van Sinterklaas, terwijl nog geen vijftien meter verderop te midden van een groot assortiment van kerstspullen een vrolijke Kerstman ons maande vooral onze dierbaren met de Kerst niet te vergeten.
Ja, het is bijna Kerst en Jezus is weer even in ons midden. Dat kleine manneke dat zo kwetsbaar in zijn kribbeke ligt en dat, zo staat het tenminste in de overleveringen vermeld, zo zijn best gedaan heeft om de harten van de mensen te openen voor de liefde van het onnoembare, dat dappere knulleke  doet ons die oude man met zijn lange grijze haren vergeten voordat we zelfs maar aan hem gedacht hebben. Zo zie je maar dat God zelf machtiger is dan een oude bisschop. Met een beetje hulp van de commercie, dat wel.

Het moge dan donkere dagen zijn, in onze harten is het zeker niet kil. Het zijn ook dagen waarin wij onze emoties soms de vrije loop laten. Waarbij ik als kanttekening wil plaatsen dat sommigen daarvoor eerst een  borrel gedronken moeten hebben. Want pas dan worden ze echt sentimenteel en omdat dit gebeurt nadat zij een stevige slok op hebben zal niemand hen dit kwalijk nemen.
Wat zijn we blij met onze vrienden, onze familie, onze kennissen en onze cadeautjes.
Wat zijn we droevig als degenen die wij lief hebben er niet bij kunnen zijn.
Maar niet voor iedereen is het feest. Voor velen zijn het beroerde dagen. Zij hopen dat het allemaal weer snel voorbij is.
Juist omdat het een feest is waar we vooral bij elkaar kruipen, een gewoonte die ik niet verkeerd vind als het koud is, zullen er ook velen zijn die er weer aan herinnerd worden dat ze zo alleen zijn.
Misschien zou ik hier het woord ‘alleen’  moeten vervangen door ‘eenzaam’.
Sommigen zouden daarom nu het liefst in een gat in de grond willen kruipen om er pas in het voorjaar weer uit te komen.
Terwijl anderen, die mogelijk meer geluk gehad hebben in hun leven, reikhalzend uitkijken naar de feestdagen, zodat ze degenen die hen lief zijn eens extra lekker kunnen verwennen en daarbij hopen dat dit wederzijds is.

We leven in een tijd waarin alles heel snel gaat. Nog maar een paar maanden en dan is het gelukkig weer lente.

maandag 12 november 2012

Kleine blijdschap en grote hufterigheid.

Gedeeld geluk is toch zo mooi. Of het nu met z’n tweeën is, of in een grotere groep, het is altijd mooi om te zien als mensen hun blijdschap met elkaar delen. Maar ik vind dat je het veel te weinig ziet. Toch zag ik het laatst weer.  Ik zat wat verveeld te zappen toen ik haar toevallig zag. Ze was net vol in beeld.  Daar stond een aantrekkelijke en goed geklede vrouw van top tot teen te stralen van geluk. En zij was niet de enige. Om haar heen nog meer aantrekkelijke vrouwen die keken of onze Lieve Heer een half uurtje eerder persoonlijk aan hen verschenen was.
Volgens hen die er verstand van menen te hebben leven we in een tijd dat dit zomaar zou kunnen gebeuren, dus vreemd zou dit niet zijn geweest.  Maar omdat er geen “Breaking News” door het beeld flitste besefte ik dat er wat anders aan de hand moest zijn. En ik vroeg mij nieuwsgierig af wat deze dames zo gelukkig maakte.
Je begrijpt dat ik enigszins teleurgesteld was toen ik bemerkte dat zij allen zo blij waren omdat zij net een nieuw wasmiddel hadden ontdekt. Als zij hier al zo enthousiast over waren, hoe zouden zijn dan wel niet reageren als er in hun kerstpakket een nieuw lingeriesetje en een op afstand bestuurbare dildo zou zitten? Zouden ze dan misschien helemaal uit hun dak gaan?

Ja, het leven kan mooi zijn. Maar ook erg wreed. En de hufterigheid van sommigen onderstreept dit nog eens. Zo hoorde ik van een vrouw die kanker had en die voor haar genezing naar het buitenland vertrok omdat haar oncoloog hier haar had opgegeven. Je hoort zoiets wel vaker. De dokter hier zegt dat je er maar in moet berusten omdat er toch niets meer aan te doen valt en dat dan de wanhopige patiënt zijn of haar laatste hoop heeft gevestigd op een behandeling over de grens.
Deze vrouw genas, maar moest voor controle weer langs bij de oncoloog die haar gezegd had dat zij niet meer te genezen was.
Toen zij hem verweet dat hij haar destijds had opgegeven reageerde hij met “U moet niet zeuren. Ik ga hier niet met u over discussiëren, want u had al lang onder de grond moeten liggen.”
Ja, ook onder artsen heb je er genoeg die niet tegen hun verlies kunnen.
Zo zou een andere arts, die een patiënt had die al jaren aan de chemo was  en die klaagde dat zij altijd zo lang moest wachten voordat zij geholpen werd en dat zij daar zo moe van werd, tegen haar hebben gezegd “U denkt zeker dat u de enige bent met kanker”.   
En ineens moet ik denken aan de berichten over een samenzwering van artsen tegen een collega longarts, die zij in diskrediet wilden brengen door hem er toe te verleiden om een zware operatie uit te voeren in strijd met het protocol. De patiënt lag al onder narcose toen opeens de collega met wie hij de operatie zou uitvoeren er zogenaamd niet bleek te zijn. Wat te doen?
Gelukkig blies de arts de operatie af. Later bleek dat zijn collega er wel was.
Het lijkt er op dat men bereid was om iemand een hak te zetten zonder rekening te houden met de gevaren voor de patiënt. Lekker fris.
De zaak ligt nu voor bij de Inspectie en die heeft inmiddels alle betrokkenen aan de tand gevoeld.

Kennen we niet allemaal van dit soort verhalen?  Ik wil afsluiten met het goede nieuws dat een zeer gewaardeerde collega van mij haar stoute schoenen heeft aangetrokken en is begonnen met joggen. Nee, ik noem geen namen. Maar mocht jij toevallig ook een collega van mij zijn, dan zul je wel merken wie het is als zij straks, over  zeven maanden en voordat het weer zomer is, zo’n prachtig rank figuurtje heeft. Bij deze wens ik haar heel veel succes toe.

zondag 11 november 2012

Klagen is blijkbaar fijn.

Mocht je misschien denken dat het in deze ellendige tijden alleen maar kommer en kwel is, dan kon je daar wel eens gelijk in hebben. Gelukkig genoeg redenen om te klagen en zichzelf te beklagen.
Klagen over van alles en nog wat, want veel mensen zijn van nature over zichzelf of over hun situatie ontevreden en kunnen met deze onvrede het beste om gaan als zij deze projecteren op de wereld om zich heen. Dan hoeven ze immers hun eigen problemen niet echt aan te pakken en hebben ze toch een uitlaatklap voor hun ongenoegen. Als je dit met anderen delen kunt lucht dit wel wat op. Wat het leven soms weer wat dragelijker voor hen maakt. Ja, klagen schept gevoelens van welbehagen.
Omdat het in mijn persoonlijke leventje en dat van degenen die ik lief heb volgens mij redelijk goed gaat zul je mij dan ook niet veel  horen klagen. Helaas, want bij tijd en wijle zit ook ik vol opgefokte spanning.  Om mij dan wat prettiger te voelen zal ik naar andere oplossingen moeten zoeken. Gelukkig lukt me dat meestal wel. Ik heb het klagen daarvoor niet nodig.  

Mij zul je bijvoorbeeld  niet over de hoge brandstofprijzen horen klagen, want ik heb geen auto. Ik word er alleen maar opgewekt van als ik zie dat de benzine en diesel alweer duurder zijn geworden. In stilte hoop ik tegen beter weten in dat de automobilist nu wat vaker zijn of haar wagen zal laten staan. Goed voor het milieu, goed voor de portemonnee.
Natuurlijk gaat dat niet gebeuren. Maar ook ik heb mijn dromen.
Je zult mij ook niet horen klagen over de slechte situatie op de woningmarkt, want de hypotheek op mijn huis is beduidend lager dan de marktwaarde. Van het verschil kunnen we makkelijk een splinternieuwe B&W of Mercedes kopen en dan houden we nog over.  Maar dat gaan we niet doen. Want al zijn wij allebei net zo hebberig als iedereen, wij maken andere keuzes. Zo overwegen we bijvoorbeeld om binnenkort wat extra af te lossen.
Net als zovele anderen ben ik dol op autorijden. Maar als ik op zoek zou zijn naar redenen om te kunnen klagen zouden wij van ons spaargeld een auto moeten aanschaffen. Want dat is vragen om moeilijkheden.
Files, dure brandstof, hoge parkeerprijzen, onderhoudskosten voor onderhoud dat slecht of niet is uitgevoerd, andere weggebruikers die natuurlijk niet zo goed kunnen rijden als jij zelf…redenen genoeg om te klagen. Maar nee, als ik mensen hoor mopperen over de hoge brandstofprijzen zit ik mij nu stilzwijgend te verkneukelen. Gooi er nog maar een kwartje bovenop zou ik zo zeggen.

Over de plannen van onze regering om straks te gaan nivelleren ga ik zeker niet klagen, want daar ben ik toevallig een groot voorstander van. Dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen is voor mij vanzelfsprekend. Een stevige belastingverhoging voor mensen zoals ik en voor hen die nog meer verdienen vind ik daarom wel op zijn plaats. Dit had al veel eerder moeten gebeuren. Het is sowieso al van de gekke dat de inkomensverschillen zo hoog zijn. En dan heb ik het niet eens over de enorme vermogensverschillen, want dat klopt natuurlijk ook niet. Klagen hierover heeft geen zin. Belastingmaatregelen wel.
Je zult me ook niet horen klagen over de problemen in het onderwijs en de gezondheidszorg.
Zelf werk ik, zoals bekend, in het onderwijs en in de bijna twintig jaar dat ik dat doe heb ik meestal heel fijne, bekwame en hardwerkende collega’s gehad, maar ook veel slecht functionerende en hardwerkende  managers en ik zie niet in waarom dit nu opeens anders zou gaan worden. Daar is veel meer voor nodig dan een cursus “managen uit de losse pols” of soortgelijke cursussen. Maar het schijnt er bij te horen. Dus waar zou ik mij druk over maken.  Al weet ik dat het slecht voor de organisatie is.
Ja, door slecht bestuur zijn er velen bij ons ontslagen en het eind is nog niet in zicht. Maar klagen is zinloos en als wij met elkaar accepteren dat ook slechte bestuurders een gouden handdruk krijgen van vele tonnen dan gaat dat mij niet aan. Ik vind het onjuist, maar daarover beslist men elders.

Zou ik dan misschien over de zorg moeten klagen? Mijn partner werkt in de zorg en het zware werk daar heeft haar gezondheid niet veel goeds gedaan. Het is niet voor niets dat ze volgend jaar, als ze zestig wordt, met pensioen gaat.
Net als in het onderwijs valt er veel te verbeteren in de zorg. Jaarlijks gaat er tachtig miljard naar toe.
Misschien zou de helft daarvan niet nodig zijn als een groot aantal van de zorgbehoevenden een andere levensstijl had gekozen en zich niet kapot had gerookt, zich niet een vet hart had gegeten,  zich niet lijp geslikt had aan de antidepressiva of hun hersens minder vaak op sterk water hadden gezet.
Het is echter zoals het is en zolang we vrijwillige euthenasie niet in het basispakket van de zorgverzekering opnemen zal het aantal wegkwijnende ongelukkigen de komende jaren alleen maar toenemen.  We moeten dan ook niet klagen dat de zorg onbetaalbaar wordt.

Nee, iedereen weet dat het ellendige tijden zijn en dat het alleen maar slechter wordt.  Maar wordt het beter door te klagen? ‘k Dacht het niet. Maar velen voelen zich er wel beter door.
Klagen is een strategie van de underdog. Zo ga je met je problemen om als je zelf niet in staat of bereid bent om het probleem aan te pakken.
Je klaagt vaak als je je een slachtoffer voelt. Als je denkt dat het niet jouw schuld zelf is dat het zo slecht met je gaat. Wanneer je overgeleverd voelt aan anderen en je geen invloed lijkt te kunnen uitoefenen op je eigen lot. Het enige wat er dan soms nog over lijkt te blijven is lekker klagen.

Klagen is niet afhankelijk van hoe je er werkelijk voor staat maar het gevolg van een levenshouding. Klagers voelen verwantschap met elkaar en zoeken elkaar graag op. Klagen schept een band. Er ontstaat een gevoel van valse solidariteit tussen de klagers.
“Wij de zieligen, die altijd gepakt worden. Wij de weerlozen, die ze steeds moeten hebben. Zie ons eens zielig zijn. En heus, dat we het zo slecht hebben is niet onze eigen schuld.”
Ik vind het een kuthouding, een mens onwaardig en erg onvolwassen. Maar als het mensen helpt om zich beter te voelen wie ben ik dan om daar zo negatief over te denken? Want ik weet als geen ander dat je je slachtofferrol niet zomaar van je afschudt. Dat vraagt tijd. Veel tijd en veel inspanning.

Iedereen die mij kent weet dat ik zelf ook wel eens klaag. Al geef ik het met tegenzin toe, ik ben natuurlijk soms net zo’n zeurpiet als de meeste andere mensen die ik ken. Geen haar beter.
Mijn klagen is dan weliswaar geen zelfbeklag, maar klagen is ook mij niet vreemd.
Gelukkig  heb ik veel andere en betere coping strategieën, d.w.z. manieren om met de spanning die mijn problemen oproepen om te gaan, dan klagen.  Ja, ik klaag zeker wel. Maar gelukkig weinig.
De God waar ik niet in geloof behoedde mij er voor dat ik een klager uit gewoonte wordt.
Als ik net zo op de proef zou worden gesteld als Job dan zou ik al veel eerder afhaken en er voor kiezen om een gelovig mens te worden. Want al zijn er betere coping strategieën denkbaar, alles liever dan een leven te leiden vol zelfbeklag. Ik krijg er geen harde van.

dinsdag 6 november 2012

Gezond leven.

Een van mijn collega’s was het opgevallen dat ik het wel erg vaak over blowen heb in mijn blog. En ze vroeg me of ik inderdaad zoveel blow.
Ik moest haar toegeven dat ik bijna de helft van het jaar voor het slapen gaan nog even een fijne stick opsteek. Overigens een gewoonte die me prima bevalt. Het liefst rook ik dan die zoete bubblegum.  Deze smaakt goed en is tamelijk stevig. Ik word er tenminste goed high van.
Natuurlijk kijk ik wel even hoe laat ik de volgende dag voor de klas sta en welke lessen ik moet geven.
Want ik vind wel dat mijn werk niet onder mijn slechte gewoontes mag lijden.
In de achttien jaar dat ik in het onderwijs zit heeft het blowen mij in ieder geval niet belemmerd om mijn werk goed te doen.  En mijn geheugen is ook nog steeds goed. En mijn geheugen is ook nog steeds goed.
Toch zijn er hele periodes geweest waarin ik niet blowde. Al ben ik vergeten wanneer dit was.
Waarschijnlijk als ik mij bijvoorbeeld moest voorbereiden op de marathon. Ik denk dan dat ik met blowen stopte totdat deze voorbij was en ik de fel begeerde medaille naast de anderen kon ophangen. En als ik een tentamen had haalde ik die troep ook vermoedelijk niet in huis. Sommige dingen gaan nu eenmaal niet goed samen.
Er zijn studenten die oprecht menen dat ze zich stoned op een toets kunnen voorbereiden, maar ik geloof dat ze dit zichzelf alleen maar wijs maken. Aan die gasten zou ik willen zeggen dat ze eerst maar eens een tijdje zouden moeten gaan werken, bij voorkeur in een ontwikkelingsland, en daarna weer school terug gaan. Misschien zijn ze dan wel gemotiveerd om zich in te zetten voor hun opleiding. Blowen en een opleiding gaan meestal niet goed samen. De lezer zij gewaarschuwd.

En dan de gezondheid. Blowen kan niet goed zijn voor je gezondheid. Ook al bestaat er zoiets als medicinale wiet, die zou helpen om de nare bijverschijnselen van vele kwaaltjes te onderdrukken. Gelukkig ben ik tot nu toe zelf gezegend met een goede conditie. Er zijn zeker genoeg 61-jarigen die een betere gezondheid hebben, maar er zijn er nog veel meer die last hebben van allerlei nare klachten.
Misschien voel ik mij zo gezond omdat ik altijd veel heb gesport, misschien omdat ik lang de borst heb gehad, misschien omdat ik van nature een blije gek ben en bijna overal de humor wel van kan inzien, misschien omdat ik verder heel gezond leef. Ik weet niet waar het aan ligt. Waarschijnlijk heb ik gewoon geluk gehad.

Nee, ik ben er zeker geen voorstander van dat iedereen maar gaat blowen. Het is natuurlijk gewoon troep wat je longen te verwerken krijgen. Net als de troep die je in je longen krijgt als je je in het verkeer begeeft. Of in de Rijnmond woont.
Helaas blijft het daar niet bij. Als je vlees eet of vis dan krijg je weer andere rotzooi naar binnen. Die is dan weer slecht voor andere organen.
En suiker. Dat weten we allemaal. Suiker is heel, heel erg slecht voor je. En wat dacht je van vet? Koffie? Of thee. Schijnt ook niet zo goed voor je te zijn. Over alcohol heb ik het nog niet gehad. Dat is echt een killer.
Enig idee hoe slecht televisie kijken voor je is? Of vaak draadloos bellen? En weet je wat ook fnuikend voor je gezondheid is? Je voortdurend ergeren, klagen en zielig doen, een slachtofferrol aannemen, roddelen, alleen maar aan jezelf denken, nooit doen wat je zelf wil maar alleen doen wat anderen van je verlangen, geen nee kunnen zeggen, je suf slikken aan de medicijnen, je…..
Ik zou nog wel even door kunnen gaan, maar ik laat het aan de fantasie van de lezer over om te bedenken wat er nog meer niet goed is voor de gezondheid en welke ongezonde gewoontes hij er zelf op na houdt.

Graag zou ik zelf ook blogs lezen waar mensen er geen moeite mee hebben om hun zwakheden te etaleren.  

Zoals die van een lieve moeder:
“Vandaag heb ik weer heerlijk karbonaadjes gemaakt voor al mijn lieve schatten en morgen krijgen ze allemaal kip. Overmorgen zalmsnippers van Foppe, want die zijn nu goedkoop. Ik heb de vriezer er mee vol liggen.”
Of een filerijder:
“Sinds ik mijn I-pad heb is het niet meer zo vervelend om in de file te staan. Elke dag vijftig kilometer naar je werk rijden en daarna weer terug is niet altijd even leuk. Ik ben er in ieder geval na vier jaar nog steeds niet aan gewend.”
Een dikke dame:
“Vanmorgen bij Etty op de koffie geweest. Sara was er ook. Ze had van die heerlijke slagroomsoezen mee genomen. Dit is nu al de derde keer deze week dat ik gebak eet en het is pas maandag. Op de weegschaal zag ik dat ik sinds vorige week weer een pondje ben aangekomen. Wel sneu.”
Een neuroot:
“ Afgelopen nacht weer slecht geslapen. Jan zegt dat ik teveel koffie drink, maar over de hele dag acht bakjes valt wel mee, vind ik. Bovendien moet ik mij op mijn werk kunnen concentreren anders val ik in slaap.”
Een alcoholicus:
“Gisteren weer strontlazerus naar bed gegaan. Ik kan gewoon niet tegen alcohol. Want wat is nou één fles whisky?”
Een meegaande vrouw:
“Mijn man is toch zo opdringerig. Het licht is net uit of hij begint al tegen mij aan te rijden. Ik zeg “Piet, stop daar eens mee. Ik wil slapen. Ik ben moe”. Maar hij trekt zich daar nooit wat van aan. Dus laat ik hem zijn gang maar gaan. Ik heb nu eenmaal moeite met ‘nee’ zeggen. En dan kan ik tenminste gaan slapen als het voorbij is. Anders blijft-ie bezig.”
Iemand nog een tip voor een blog waarin ik kennis kan nemen van al deze losers?

vrijdag 2 november 2012

Blijf met je handen van mijn portemonnee!

Ja, men is weer eens ouderwets boos in zekere kringen in Nederland. Wat is er gebeurd? Is er weer eens een asielzoeker, die al zo’n tien jaar in Nederland woonde met zijn gezin, met zijn hele hebben en houden op het vliegtuig naar nowhereland gezet? Zijn er schokkende feiten te vermelden over een door het Vaticaan gefaciliteerd pedofielennetwerk? Is Albert Heijn opeens gestopt met het verstrekken van dierenplaatjes bij de boodschappen?
Nee, veel en veel erger. We moeten met z’n allen genoegen nemen met minder geld in onze portemonnee, omdat we de laatste jaren op een te grote voet hebben geleefd en we nu onze schulden moeten gaan aflossen. Het huishoudboekje moet weer op orde worden gemaakt.
En, niet onbelangrijk, de sterkste schouders wordt gevraagd om de zwaarste lasten te dragen.
Of zij vanaf 2014 maar even een paar honderd per maand extra willen inleveren, want ons zorgstelsel wordt met meer dan 80 miljard per jaar onbetaalbaar en de laagste inkomens hebben toch al bijna geen stuiver meer om hun gat te krabben.

Rutte mag wel uitkijken. Straks is hij premier af. Hij heeft daar zomaar de liberale ideologie te grabbel gegooid. Waar moeten al die arme rijken straks heen als niemand meer zich bekommert om hun problemen? Want reken maar dat zij die hebben. Tweede huizen in het buitenland die nog niet zijn afbetaald. Net als de twee auto’s voor de deur. Een boot waarvan alleen het liggeld duizenden euro’s per jaar bedraagt. Kinderen die opleidingen volgen aan dure instituten. En geloof me, deze willekeurige voorbeelden zijn nog maar het topje van de ijsberg. Achter de ramen van al die kapitale woningen gaat groot leed schuil. Ik had de revolutie verwacht van het proletariaat, maar straks staan ze in Wassenaar en Bloemendaal op de barricaden.

Natuurlijk had ook ik een stukje geschreven over het schokkend bericht dat de zorgpremie inkomensafhankelijk wordt. Zo losjes uit de pols schat ik zelf in 2014  misschien 250 euro per maand meer kwijt ben. Kun je toch een stevige zak wiet van kopen. Of drie keer van uit eten gaan. En wat te denken van een bezoekje aan een musical met diner vooraf?
Tja, ik voorzie moeilijke tijden voor de financieel meer gefortuneerden en helaas schijn ik daar ook een beetje bij te horen.
Maar na het herlezen van wat ik geschreven had besloot ik toch maar om dit niet op mijn weblog te zetten. Het was immers alleen maar gezeur wat het toetsenbord van mijn laptop had geproduceerd.
Hetzelfde zinloze gemopper wat ik anderen vaak verwijt.
Daar heeft mijn toetsenbord wel vaker last van. Misschien zou ik een computer moeten aanschaffen waarvan het toetsenbord minder zeurt.
Helaas, dat kost weer geld en nu er zware tijden aanbreken en ik misschien mijn wiet weer zelf moet kweken of, ook heel erg, straks niet meer naar zo’n leuke musical van Joop van de Ende kan, doe ik er mogelijk verstandig aan om wat geld opzij te zetten voor mijn oude dag. De pensioenen worden immers ook al gekort. 
Zijn we nu de weg naar het einde ingeslagen? Ontstaan hier straks Griekse of Spaanse toestanden? Gaat Geert Wilders zich uit protest kaal laten scheren?
Gekscherend zei ik een paar jaar geleden nog tegen mijn leerlingen dat ook de gaarkeukens weer terug kunnen komen in Nederland. Nou, als het zo door gaat voorzie ik dat die tijd niet ver meer van ons af ligt. Nu maar hopen dat de wetenschap het tegen die tijd mogelijk heeft gemaakt om genetisch gemanipuleerde bloembollen te kweken die smaken naar worteltjes, sperziebonen of spinazie. Dan komen we ook deze donkere winter wel weer door. 

woensdag 24 oktober 2012

Kipkluifje.

Het was spitsuur. De trein was zoals altijd keurig op tijd.
Helaas waren alle zitplaatsen zo te zien bezet. 
Ik had me er net bij neergelegd dat ik het laatste stukje naar huis zou moeten blijven staan toen ik haar zag. Een struise donkere jonge dame uit  de Caraïben. Haar brede onderbouw nam bijna  de hele bank in beslag, maar omdat ik moe was besloot ik om toch naast haar te gaan zitten. Het was tenslotte voor hooguit een kwartiertje.
Ik perste me tussen de armleuning en haar kolossale lijf in en toen ze verstoord naar me keek en  de verontschuldigende blik in mijn ogen zag, schonk ze me als een gebaar van vergevingsgezindheid een grandioos mooie glimlach.
“Ik neem niet veel ruimte in”, lichtte ik de reden van mijn opdringerigheid aan haar toe.  “Bovendien ben ik moe.”
“Geeft niet, hoor.  Ik neem wel veel ruimte in.” En ze ging verder met het eten van de kipkluifjes uit de grote kartonnen beker  van KFC  op haar schoot.
De kruidige geur was me al opgevallen toen ik de coupé binnen stapte. Nu wist ik ook waar hij vandaan kwam.

De dame in kwestie leek me net aan haar schranspartij begonnen te zijn, want de beker was nog bijna vol. In de verder stille ruimte klonk het alsof er een koe aan het herkauwen was.
Het nagenoeg monotone kauwgeluid werd slechts onderbroken door  het gesmek en gesmak als zij aan een nieuw kluifje begon.
De mensen tegenover ons, een man in kantoorpak die een krantje las en een meisje dat naar het schermpje van haar Iphone zat te staren, deden alsof ze niets hoorden.
En ook alsof ze het komische tableau van de kleine benauwd kijkende man en de grote schransende vrouw voor zich niet gezien hadden.
Mijn armen zaten stevig tegen mijn lijf gedrukt en ik kon daarom het boek dat ik in mijn tas had en waarin ik mij had willen terugtrekken niet pakken. Er restte mij niets dan gelaten voor me uit te staren en te luisteren naar het geluid van de schranspartij.
Opeens viel er een stilte. Ik keek schuin omhoog, recht in de ogen van de jonge dame. Met haar rechterhand hield ze een kluifje omhoog. Heel even dacht ik dat ze hem aan mij wilde geven en ik bedacht hoe ik op een nette manier haar hiervoor zou bedanken.
Maar nee, mocht ze met de gedachte hebben gespeeld mij een kluifje te geven, dan was ze al snel van mening veranderd. En ook dit kluifje verdween tussen haar blinkend witte tanden.
Reken maar dat ik mij opgelucht voelde toen we even later Station Schiedam Centrum, waar ik uit moest stappen, binnen reden,  
Dat de kip, die ik thuis bij de avondmaaltijd kreeg, mij niet zo lekker smaakte als anders zal niemand die dit stukje gelezen heeft mij waarschijnlijk kwalijk nemen.

vrijdag 19 oktober 2012

Organisatieperikelen

Opnieuw heeft onze organisatie het nieuws in negatieve zin gehaald. En het zal de laatste keer niet zijn. Niet alleen zijn er duizenden vierkante meters overbodig, dit geldt ook voor enkele honderden collega’s.
''De overheid is verantwoordelijk voor goed onderwijs voor leerlingen, niet voor falende ROC-besturen'', zei VVD-Tweede Kamerlid Anoushka Schut. Het is een lieve vrouw, al lult zij natuurlijk ook maar wat uit haar nek en zegt ze alleen de dingen die haar achterban graag hoort.
Maar voor wat betreft haar opmerking dat ons ROC-bestuur heeft gefaald, al zei ze dit in algemene zin, hier heeft ze een punt. Al weigert onze nieuwe voorzitter van het CvB dit zo hard te stellen. En ik geef hem geen ongelijk.
Een beetje bestuurder zal immers nooit openlijk verwijten maken aan de bestuurder die hij heeft opgevolgd of zelfs maar toespelingen maken op diens bestuurlijk falen. Hij moet immers vooruit denken en zijn kansen om straks gevraagd te worden voor een mooie functie op bestuurlijk niveau bij een andere grote organisatie nemen af als men vermoedt dat hij bereid is om zijn eigen nest te vervuilen of de hand te bijten die hem gevoed heeft. Zoiets wordt gezien als ‘verraad’.
Er wordt in Nederland immers op grote schaal door bestuurders gefaald.  Iemand in huis halen die daar onomwonden voor uit komt doe je gewoon niet.
Gelukkig is wat er openlijk wordt gezegd over het falen van bestuurders vaak niet interessant. Veel interessanter zijn de geruchten op de werkvloer.
Bijvoorbeeld dat zo’n bestuurder alleen maar jaknikkers om zich heen verzamelde en zo elk contact met de werkelijkheid door de jaren heen kwijt raakte. En dat de meer capabelen en dapperen hun eigen plan trokken en elders hun geluk zijn gaan beproeven. Een soort van ‘braindrain’ dus.
Op de werkvloer heb ik gehoord dat dit speelde bij onze vorige voorzitter van het CvB en omdat de man op mij, toen ik hem eens persoonlijk aansprak, een autistische indruk maakte, ben ik geneigd om deze geruchten te geloven.

Er is een tijd geweest dat ik binnen de organisatie bekend stond als een lastig mannetje. Nog net niet als een querulant, maar wel iemand die ongewoon  irritant en kritisch kon zijn.
Nu ben je dit al snel in het onderwijs, dat immers de opdracht heeft om toekomstige burgers gehoorzaamheid bij te brengen. Dat verlang je dan ook van je personeel.
Veel van onze managers had ik graag het respect en bijbehorende lot gegund wat ze verdienden, maar velen zitten nog steeds op de plekken waar ze al jaren zitten en lijken niet weg te branden.
Met nog maar vier jaar van mijn pensioen vandaan heb ik geen zin meer om me over hen druk te maken. Ik troost me maar met de gedachte dat ze zelf wel weten wat ze waard zijn.

Al jaren geleden heb ik mij voorgenomen om al mijn energie alleen te steken in het onderwijsproces. En achteraf gezien ben ik heel blij dat ik deze keuze gemaakt heb.  Want van mijn inzet zie ik meestal alleen positieve resultaten en ik vrees dat veel leidinggevenden bij ons dit niet kunnen zeggen.
Ja, opnieuw zullen er weer veel collega’s uit moeten. Ik hoop dat onze nieuwe voorzitter van het CvB de guts heeft om de mensen aan te pakken die behoren tot de overhead van de organisatie en niet de hardwerkende mensen in het primaire proces. Ik heb al mijn vertrouwen in hem gesteld. Men zegt mij dat hij iemand is die zo dapper en verstandig is. We zullen het afwachten. Want geloof mij, deze soap is beslist nog niet ten einde.

maandag 8 oktober 2012

IJdel? Zeker! Dus nog meer foto's.

Vanmorgen (inmiddels gisteren, want het is weer na twaalven) ben ik voor dag en dauw opgestaan om de polder in te gaan met mijn nieuwe camera. Als je de resultaten zien wilt moet je de volgende link maar eens aanklikken.

Hier zijn een paar foto's van het album waarnaar ik verwijs.


Stemmig plaatje. En wat vind je van die ochtendpoes die zo geniet van haar eigen spiegelbeeld?


Bovenstaande foto's heb ik in Picasa bewerkt en daardoor zijn ze nog mooier geworden. Dat geldt ook voor de volgende foto.

Al is hij zo ook wel erg mooi. Niet dan?






donderdag 27 september 2012

Hoe je het beste een presentatie geeft.


Zal ik u eens helpen? De jongen keek me aan met de hulpvaardige blik die ik zo goed kende van de vele goeddoeners die ik in mijn leven was tegengekomen. Hij was een nieuwe leerling en zat pas twee weken bij mij in de klas. Het zal de vermoeidheid die je van mijn gezicht af kon lezen wel zijn geweest die hem er toe had gebracht om mij dit aanbod te doen.
Waarmee zou je mij dan willen helpen?, vroeg ik hem nieuwsgierig.
Ik wil de klas wel eens vertellen hoe zij het beste straks hun presentatie kunnen verzorgen.
Ik was aangenaam verrast. Een leerling die spontaan aanbood om zijn medeleerlingen wat tips aan de hand te doen zodat zij zich straks niet voor lul voelden staan als zij over enkele weken voor het eerst hun klasgenoten tijdens een presentatie toespraken. Zoiets had ik nog niet eerder meegemaakt.
Geweldig. Wat leuk dat je dat doen wil, reageerde ik.
Op zijn verzoek verhuisden we naar een lokaal waar het wat overzichtelijker was en de leerlingen gewoon in rijtjes in hun bankjes konden zitten.
Ik vroeg de klas om stilte, legde uit wat de bedoeling was en gaf de jongen het woord.
Deze keek even om zich heen, kuchte en begon.

Als je een presentatie houdt dan moet je er vanaf het begin voor zorgen dat je de aandacht hebt. Dat kun je het beste doen door degenen die zitten te kletsen meteen luid en duidelijk te zeggen dat het een stel uien zijn en ze zich maar beter stil kunnen houden, want dat je hen anders straks buiten op zult wachten. Ik verzeker dat je hiermee iedereen stil krijgt en nieuwsgierigheid bij ze opwekt.
Kleding is belangrijk. Zorg dat je fatsoenlijk gekleed gaat.
Draag het liefst een opvallend T-shirt, bij voorkeur citroengeel, waarop met grote rode letters iets geschreven staat in de trant van ‘Beware of my big mouth’ of ‘If you can’t fuck them, suck them’.
Ik ga jullie niet uitleggen wat dat betekent. Dat is Engels op B1-niveau en dat zullen de meesten van jullie nooit of pas aan het eind van de opleiding hebben.
Dan de voorbereiding. Veel sprekers zetten een glas water op tafel? Wie weet waar dat voor is?
Om te drinken als je een droge keel hebt, zei iemand.
Juist. En wat kun je er mee doen als het leeg is?
Er in pissen?, vroeg een jongen schuchter.
Helemaal goed. Jij hebt zelf zeker ook vaak presentaties gegeven? Nee? Nou, je hebt er wel kijk op.
Dan je taalgebruik. Het gaat er niet om wat je zegt, maar hoe je het zegt. Iedereen in de ruimte is toch met zijn eigen gedachten bezig en gefocusseerd op de presentatie die hij zelf straks moet geven.
Zo wil ik iets kwijt over het gebruik van moeilijke woorden.
Ik raad je aan zo’n drie tot vier moeilijke woorden te gebruiken. Het maakt niet uit wanneer. Niemand weet wat ze betekenen. Bijvoorbeeld; Het is belangrijk om respiratoir gefocusseerd te zijn als je een bewering doet. Of; Het raadplegen van een etymologiebank is een must als je op zoek bent naar curieuze informatie voor je onderzoek.
Zeg bijvoorbeeld dat de ruimte je respiratoir beklemt en dat dit het focusseren op je presentatie belemmert. Eindig met ‘toch?’ en knik de eerste de beste vriendelijk toe. De kans is groot dat hij of zij begint mee te knikken.

Dan de do’s en de don’ts. Wie weet wat je bij een presentatie nooit moet doen? Graag vingers omhoog. Jij daar. Nee, jij. Die dikke met dat petje. Je weet toch dat petjes verboden zijn? Nou, doe dat dan af. Mooi, wat moet je nooit doen?
Pissen in een leeg glas, antwoordde het meisje schuchter.
Klopt. Als vrouw doe je zo iets nooit. Dat geeft ontzettend veel geknoei. Nee, ik bedoel dat je nooit met je knieën en dijen tegen elkaar moet gaan staan en je handen bijeen gevouwen er tussen. Dat is geen gezicht en leidt af van wat je zegt. Als je als vrouw plassen moet zeg je gewoon "Sorry, ik moet even plassen. Praten jullie maar wat met elkaar, ik ga even naar de WC."
En de do’s?
Het bleef stil in de klas. Men keek hem aan of hij de verlosser was.
Je moet altijd laten zien dat je je publiek hoog schat. Dat je weet hoe geëngageerd ze zijn. Weten jullie wat ik bedoel?
Opnieuw zwijgen. Tot er opeens een meisje zacht zegt ‘dat ze verloofd zijn’?
Je kijkt bij de verkeerde betekenis op je smartphone meisje, reageert de jongen. Nee,  geëngageerd betekent maatschappelijk betrokken.
‘Ik zie het’, zegt het meisje. Ik vond het al zo vreemd.
Mooi. Zijn er nog vragen? Nee? Nou, dan hoop ik dat er straks een paar goede presentaties uit rollen. Ik moet er tenslotte ook naar luisteren.
Iedereen begon in zijn handen te klappen. Inmiddels was de les bijna voorbij. Nog maar een kwartier. Bedankt allemaal, riep ik. En jij bedankt voor je flitsende presentatie. Ik heb er geboeid naar zitten luisteren.

Vandaag was er inderdaad een jongen in de klas die mij vroeg of hij de klas wat mocht vertellen over hoe je het beste een presentatie kunt verzorgen. Ik vond zijn verrassende aanbod heel erg leuk en gaf hem hier de ruimte voor. Het bleek dat hij zelf een boeiende presentator was. De leerlingen hingen aan zijn lippen. De tips die hij gaf spraken iedereen aan. Een cadeautje, waarvan ik er met plezier veel meer zou willen ontvangen. 

maandag 24 september 2012

Vreetbui.


De regen klettert tegen de ruiten. In de bomen klinkt het huilen van de wind als het ruisen van de zee. Het stormt. Weer om in de kroeg te zitten, nippend aan een schelvispekeltje of een biertje.
De kroeg.  Wat is het lang geleden dat ik daar ben geweest. Nog in een tijd dat de rook te snijden was en je overal om je heen bekende gezichten zag. Melief Bender, de Schouw, de Drie Ballons, Dizzy.
Allemaal voordat ik mij tevreden settelde als burgerman. Over en voorbij. Komt nooit meer terug.
Nu ik niet meer word bediend schenk ik mezelf maar een Famous Grouse in.  En stop het laatste stukje knabbelspek in mijn mond.
Ik zit mezelf hier vol te proppen. Zoet is uit bij mij. Hartig is in. Na de knabbelspekjes is een zak chips aan de beurt. Zo’n grote zak met van die mooie goudkleurige gekreukelde  schijven.
Nu ik net gelezen heb dat het niet vet , maar juist zoet is dat ons zo dik maakt, en buiten de wind de pannen haast van het dak waait, krijg ik een onbedwingbare trek in iets hartigs. En dat terwijl ik net een bord met spaghetti heb gegeten.
In nog geen uur tijd werk ik voor twee dagen aan calorieën naar binnen. Eerst snel en gedachteloos, zodat ik nauwelijks proef wat ik eet. Maar allengs steeds langzamer. Totdat ik eindelijk stop met snaaien.  Langzaam en met tegenzin malen mijn tanden de laatste chippies fijn.  
Dan kom ik weer bij zinnen. Alsof ik ontwaak uit een roes. Wat ben ik toch aan het doen?  Zit ik me daar, onbespied aan mijn bureau,  helemaal dik te vreten.  Ben ik soms gek geworden?
Nu al voel ik dat mijn broek, die zo-even nog los om mijn middel zat, al wat strakker zit. In een razend snel tempo lijk ik er te zijn in gegroeid.
Ik pak met beide handen mijn love handles vast, til ze op en laat ze weer zakken. En nog eens. Mijn handen zijn kleiner dan ik dacht.
Nee John, zo spreek ik mezelf vermanend toe, zo zijn we niet getrouwd. Als jij je zo onrustig voelt, zijn er andere manieren om hier mee om te gaan. Een beetje zelfcontrole kan geen kwaad.
Morgenochtend zal als straf mijn stoelgang wel ontregeld zijn. Eigen schuld.
De wetenschap dat dit soort vreetbuien bij mij zeldzamer zijn dan bij ons de regenbuien schenkt me gelukkig weer wat troost. 

zondag 23 september 2012

Het meisje van de patatkraam.


Op weg naar huis stap ik een halte eerder uit om bij de patatboer een portie bitterballen te halen.
Als ik dichterbij de patatkraam kom zie ik haar al staan met haar rooie haren, waar een enkele blauwe streep door loopt.  Ze is tenger gebouwd en heeft twee mooie amandelvormige ogen.  Haar gezichtje is mooi symmetrisch en als ze me vriendelijk toelacht kun je zien dat ze het meent. Ze is nog jong. Ik schat haar op twintig.
“Met mosterd?” , vraagt ze als ik mijn bestelling plaats. Haar stem is prettig om naar te luisteren.
Ze vindt het altijd leuk om mij indringend aan te kijken als ik zo af en toe langs kom voor een warme hap. Al kwam ik niet voor haar maar voor de bitterballen, ik vind het wel fijn dat ze vandaag werkt.
“Ja, graag” , antwoord ik haar.
“Tot hoe laat zijn jullie open?”, vraagt een vrouw naast me. De rooie zegt haar dat ze vanavond tot zeven uur open zijn. Tot voor kort was dit tot acht uur en stonden ze met z’n tweeën. Maar nadat ze twee keer overvallen zijn sluiten ze een uurtje eerder en staan ze er nu met z’n drieën.
Ik hoor dat er de laatste tijd nog meer overvallen geweest zijn. Ze weet precies te vertellen hoe vaak, wanneer en waar. Ze wijst op de camera’s. “Die hangen er ook sinds kort”.

“Met die crisis zal het aantal overvallen ook wel toenemen”, zegt de vrouw. Ze wendt zich tot mij en zegt “Mijn zoon gaat sinds kort met de trein naar school en heeft al twee keer mee gemaakt dat er iemand voor de trein was gesprongen”. Eerst heb ik niet door wat het verband is met de overvallen, maar dan voegt ze er aan toe “De mensen doen gekke dingen als het crisis is”, daarmee suggererend dat de crisis zowel verantwoordelijk is voor de toename van het aantal overvallen als het aantal zelfmoorden.
Ik weet niet anders dan te reageren met “Ja, het leven is hard. Maar een trein is harder”. Einde conversatie.
Ik krijg mijn bitterballen met mosterd. Dan, alsof ze de behoefte heeft om persoonlijk te worden, zegt de rooie opeens tegen mij “Toen u laatst hier was zag ik u ineens op het bankje springen”.
Ik herinner het mij nog. Dat was minstens vier weken geleden. Ik bloos. Hoe kan het nu dat ik haar ben opgevallen en dat zij zich dit nog herinnert, vraag ik mij verward af. “Vond je dat leuk?”, vraag ik haar. “Ik moest er wel om lachen”, antwoordt ze me en ik zie nu toch duidelijk het glinsteren van de neonverlichting in haar ogen. “Dat komt omdat ik altijd veel te veel energie heb”, zeg ik lachend.
Ik draai mij om en loop weg met de bitterballen. Ik voel haar ogen in mijn rug. Dan spring ik op het bankje, ren er over heen en spring weer op de grond. Ik hoor hoe ze lacht en zonder om te kijken steek ik mijn hand in de lucht en wuif naar haar. Wat kan een beetje flirten leuk zijn.