Op weg naar huis stap ik een halte eerder uit om bij de
patatboer een portie bitterballen te halen.
Als ik dichterbij de patatkraam kom zie ik haar al staan met
haar rooie haren, waar een enkele blauwe streep door loopt. Ze is tenger gebouwd en heeft twee mooie
amandelvormige ogen. Haar gezichtje is
mooi symmetrisch en als ze me vriendelijk toelacht kun je zien dat ze het
meent. Ze is nog jong. Ik schat haar op twintig.
“Met mosterd?” , vraagt ze als ik mijn bestelling plaats.
Haar stem is prettig om naar te luisteren.
Ze vindt het altijd leuk om mij indringend aan te kijken als
ik zo af en toe langs kom voor een warme hap. Al kwam ik niet voor haar maar
voor de bitterballen, ik vind het wel fijn dat ze vandaag werkt.
“Ja, graag” , antwoord ik haar.
“Tot hoe laat zijn jullie open?”, vraagt een vrouw naast me.
De rooie zegt haar dat ze vanavond tot zeven uur open zijn. Tot voor kort was
dit tot acht uur en stonden ze met z’n tweeën. Maar nadat ze twee keer overvallen
zijn sluiten ze een uurtje eerder en staan ze er nu met z’n drieën.
Ik hoor dat er de laatste tijd nog meer overvallen geweest
zijn. Ze weet precies te vertellen hoe vaak, wanneer en waar. Ze wijst op de
camera’s. “Die hangen er ook sinds kort”.
“Met die crisis zal het aantal overvallen ook wel toenemen”,
zegt de vrouw. Ze wendt zich tot mij en zegt “Mijn zoon gaat sinds kort met de
trein naar school en heeft al twee keer mee gemaakt dat er iemand voor de trein
was gesprongen”. Eerst heb ik niet door wat het verband is met de overvallen,
maar dan voegt ze er aan toe “De mensen doen gekke dingen als het crisis is”,
daarmee suggererend dat de crisis zowel verantwoordelijk is voor de toename van
het aantal overvallen als het aantal zelfmoorden.
Ik weet niet anders dan te reageren met “Ja, het leven
is hard. Maar een trein is harder”. Einde conversatie.
Ik krijg mijn bitterballen met mosterd. Dan, alsof ze de
behoefte heeft om persoonlijk te worden, zegt de rooie opeens tegen mij “Toen u
laatst hier was zag ik u ineens op het bankje springen”.
Ik herinner het mij nog. Dat was minstens vier weken
geleden. Ik bloos. Hoe kan het nu dat ik haar ben opgevallen en dat zij zich
dit nog herinnert, vraag ik mij verward af. “Vond je dat leuk?”, vraag ik haar.
“Ik moest er wel om lachen”, antwoordt ze me en ik zie nu toch duidelijk het
glinsteren van de neonverlichting in haar ogen. “Dat komt omdat ik altijd veel
te veel energie heb”, zeg ik lachend.
Ik draai mij om en loop weg met de bitterballen. Ik voel haar ogen in mijn rug.
Dan spring ik op het bankje, ren er over heen en spring weer op de grond. Ik
hoor hoe ze lacht en zonder om te kijken steek ik mijn hand in de lucht en wuif
naar haar. Wat kan een beetje flirten leuk zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten