zondag 16 januari 2011

Het hiernamaals.

Ik had mezelf een biertje beloofd en schonk dit in. In mijn gulzigheid nam ik een grote hap, verslikte me, kreeg het vreselijk benauwd en ging de pijp uit. De dood was onverwachts gekomen, al had ik hem met mijn aids en kanker wel verwacht. Maar pas over drie maanden of zo en dit kwam dus niet erg gelegen. Nu zullen sommige van jullie denken “Kan dit niet wat minder?” en natuurlijk hebben zij gelijk. Zowel kanker als aids hebben is toch een vorm van overkill en ontneemt een mens wel alle hoop. Om je dan te verslikken in een biertje is een tegenvaller. Dan had je net zo goed gezond kunnen zijn. Maar Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, al had ik wel door dat hij het de hoogste tijd vond om mij bij hem te ontbieden. Dus daar stond ik dan opeens aan de hemelpoort. En laat me je dit vertellen, dan voel je jezelf wel heel erg nietig.
Het was zo’n ouderwetse poort, met een ophaalbrug en een valhek om degenen tegen te houden die er niet hoorden. Daarnaast was om de hemel een hoge muur gebouwd om nieuwsgierige blikken te weren.
Met al die spionagesatellieten is dit tegenwoordig natuurlijk niet zo zinvol meer. Iedereen weet dat er engelen in de hemel zijn. En dat ze de hele dag op een harpje spelen. Daar kwam nog bij dat de meeste hemelgangers helemaal niet eens van harpmuziek hielden. Ja, het was bepaald geen dankbaar werk.
Daar stond ik dan in mijn eentje. Ik was verbaasd. Waar waren al die anderen? En wat deed ik hier? Gezien mijn levenswijze op de aarde toen ik nog niet dood was maar me af en toe wel zo voelde, zou ik hier niet moeten zijn. Hier was vast een vergissing gemaakt.
Aarzelend liep ik op een poortwachter toe. Het was een engel met een vlammend zwaard.
“Mooi weertje, hè?” probeerde ik voorzichtig. Ik voelde me opgelaten omdat ik niet goed wist wat ik moest zeggen.
De engel keek me liefdevol aan. ”Johannes?”, vroeg hij vriendelijk. “Hier, hou eens vast”. Hij gaf mij het vlammend zwaard zodat hij zijn handen vrij had om een groot boek door te bladeren.
Ik stond daar wat ongemakkelijk met het zwaard en zwaaide er een paar keer mee door de lucht. Woeeeiiiii, woeiiiiiii, ging het. “Kijk je een beetje uit voor mijn vleugels”, sprak de engel mij toe. “Ik heet overigens Gabriel” en hij bladerde verder.
“Zou een computer niet handiger zijn?” vroeg ik hem.
“Daar is geen geld voor. Bovendien zijn we bang dat een virus onze bestanden zouden kunnen beschadigen. Nee, er gaat niets boven het gewone schrijfwerk. Ah, hier heb ik je al…” Hij vouwde een bladzijde keurig recht en begon zachtjes mompelend te lezen. Daarna keek hij mij verbaasd aan.
“Ik ben bang dat er een fout is gemaakt”, zei hij verontschuldigend.
“Daar was ik ook al bang voor”, reageerde ik. Met mijn levenswandel zou het op zijn minst merkwaardig zijn geweest om mij maar zelfs toe te laten tot de toegangspoort van de hemel. Rechtsreeks naar Beëlzebub, lord of the flies. Koning van de duisternis. Dat was mijn bestemming. Eeuwig branden boven een laag pitje zonder ooit echt aan te branden.
“Je had nog drie maanden moeten lijden. Pas als je bijna gecrepeerd was en je om vergeving had gesmeekt, dan had je hier moeten staan. Dat doen ze namelijk altijd. Om vergeving vragen en als we ze dan een tijdje hebben laten zweten dan mogen ze toch binnen komen.”
“Maar ik heb niet eens de tijd gehad om vergeving te vragen”, reageerde ik.
“Ja, dit is nu weer typisch zo’n geval waarin niet is voorzien. Ik zie wel dat je er tijdens je leven een zooitje van hebt gemaakt. Ik zie ook dat je niet in mij of mijn meester hebt geloofd.”
“Dat was tijdens mijn leven. Maar nu ik dit zie allemaal… Wat is er eigenlijk aan de andere kant van die muur?”
“Daar is de eeuwigheid en oneindigheid. En je vindt er natuurlijk de beste harpisten. Het puikje van de zalm, mag ik wel zeggen.”
“Waarom sta ik hier in mijn eentje. En bovendien ten onrechte. Waar zijn de anderen?”
“De anderen?” vroeg Gabriel smalend. “Had je nog anderen hier verwacht?”
Gabriel lachte. “Jij hebt nooit in God geloofd. Je leefde als een beest, een nietsnut, een lamzak. Tjonge, wat heb jij er een zooitje van gemaakt. Maar je vroeg je nooit af of je hiermee God of de Duivel een plezier deed. Als je goed was, dan kwam het uit je hart en niet uit berekening. En als je slecht was, dan vreesde je alleen de mensen maar niet de goden. Ook dan was je jezelf. Nee mannetje, nu je dood bent zie je dat God wel degelijk bestaat. Had je niet verwacht zeker? Je mag naar binnen, als je wilt.”
“Zou ik niet eerst even in de hel mogen kijken?” vroeg ik aarzelend. “Niet dat ik het niet waardeer dat ik zomaar wordt toegelaten tot de oneindigheid en eeuwigheid. Maar ik heb zo’n idee dat ik de hel ook wel interessant vind”
Gabriel lachte. “Jij denkt dat je aan de hemelpoort staat. Maar zeg nou zelf, lijkt jou het eeuwig luisteren naar harpmuziek nu iets waar je als mens naar verlangt? Dit is toch een kwelling. Nee, hoor. Deze poort biedt je regelrecht toegang tot de hel,” en hij deed een stap opzij om mij naar binnen te laten.

3 opmerkingen:

  1. Was er een tunnel met licht aan het eind?
    Was de rest van de tunnel ook naar behoren verlicht?
    Was jij verlicht?
    Maakte je op de terugweg gebruik van
    dezelfde tunnel als op de heenweg ?
    Zo ja: Hoeveel rijstroken had eerder genoemde tunnel en had je veel tegenliggers??

    BeantwoordenVerwijderen