Ik ben net zestien, werk als jongste bediende voor een handelsfirma en heb het lelijkste meisje van Rotterdam en omstreken tot vriendin. Zij is ook zestien. We hebben elkaar een week eerder ontmoet op een feestje van familie en kennissen.
Aan weerszijde gezeten van een tafeltje met limonade en gebak kruisten onze blikken elkaar toen haar vader, een stevige dakdekker, net verteld had dat een olifant 21 jaar zwanger is. We schoten allebei in de lach en dat was het begin van onze vriendschap.
Het is een mooie najaarsdag en we wandelen hand in hand in de buurt van haar ouderlijk huis. Gelukkig kent niemand mij hier en hoef ik niet op mijn hoede te zijn. Ik zou nu niet graag mijn vrienden tegen komen. Want dan had ik wel wat uit te leggen.
Ik ben blij dat ik weer een meisje heb, al is ze dan ook erg lelijk. Ik heb behoefte aan iemand die naar mijn gezwam wil luisteren. Of tenminste doet alsof. Als ik later groot ben word ik misschien wel docent.
Ze heeft me een stevige hand gegeven, alsof ze mij hiermee duidelijk wil maken dat er geen ontsnappen mogelijk is. Niet dat ik dat nu wil. Nog niet. Ik wil alleen maar bij haar zijn. Om zo af en toe wat aan haar te kunnen friemelen of haar een zoentje te geven.
Ik kijk haar aan. Er valt aan mijn nieuwe vriendinnetje heel wat af te friemelen, want ze is zo dik als een gezond varken. Haar kleine oogjes liggen diep teruggetrokken in haar oogkassen en als ze lacht, wat ze veelvuldig doet want ze is ontzettend blij met me, klinkt dit als een vrolijk en goedaardig geknor.
“We hebben nu al een week verkering”, zegt ze stralend. Ik knik. Bij mij is drie weken wel het maximum en ik denk “Nog twee weken te gaan”, maar zeg haar niets.
“Heb je wel eens eerder verkering gehad?”, vraagt ze. ”Eerlijk zeggen ,hoor.”
“Ik heb jou nu toch”, antwoord ik haar, zonder verder op haar vraag in te gaan. Ik geef haar een kus op haar wangen.
We wandelen al een uur. Dat ben ik niet zo gewend. Eigenlijk zijn we het huis van haar ouders uit gevlucht. Ik begin me nu al te vervelen. Ik kijk op mijn horloge.
“ Het is al vier uur”, zeg ik. “Laten we terug gaan”. Gewillig drentelt ze met me mee.
Ik breng haar thuis, neem afscheid van haar en van haar ouders en stap op mijn brommer.
“Het was leuk”, zegt ze. “Jammer dat je al weg moet.”
“Ik zal je bellen”, lieg ik tegen haar. We zoenen. Als ik mijn ogen sluit is het best lekker.
Dan geef ik een dot gas, zwaai nog eens naar haar en rij zo hard weg als ik maar kan.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten