woensdag 5 januari 2011

De kluizenaar

De oude man zat ingesloten door de sneeuw en kon nergens heen. Gelukkig was zijn comfortabele ruime blokhut goed verwarmd en had hij voldoende voedsel en drinken opgeslagen. Hier in het hoge noorden bleef de sneeuw wel vijf maanden liggen en hij zou zich moeten redden met wat hij had.
Het was nu kerstmis en hij had de huiskamer van zijn hut versierd met de kleine dennentakjes, die hij van de blokken hout had afgezaagd die in de schuur lagen. Bij het aanleggen van zijn voorraad had hij een aantal boomstammetjes met takken en al bij het hout gelegd en dat kwam nu goed van pas.
De oude man had het tot nu toe geweldig naar zijn zin.
Hij had zeker anderhalve maand geen mens gezien. Hij bezat alleen een kleine radiozender waarmee hij met de buitenwereld communiceerde. Daar kon ook muziek mee ontvangen worden, maar meestal was het stil in de hut en zat hij te schrijven. Zijn fantasie voerde hem mee naar onbekende en verre werelden en hij probeerde de verhalen uit die werelden naar zijn eigen wereld te halen en zo goed mogelijk op papier te krijgen. Hij schreef nog met een pen en door heel de blokhut heen lagen stapels aantekeningen en onafgemaakte verhalen. Want alleen als hij er tevreden over was sloot hij een verhaal af.
Hij zat nu zeker al een uur voor zich uit te staren. Zijn hoofd was op een vreemde manier helemaal leeg. Zo leeg dat je er in kon verdwalen zonder het te merken. Want nergens had je houvast. Overal was leegte.
Het was twee weken geleden begonnen. Eerst ontstonden er leegten tussen de zinnen. Na elke zin was het even oordovend stil en dan begon er uiteindelijk weer een nieuwe zin. Het leek of zijn gedachten in slow-motion gingen. Hij observeerde het proces in zichzelf en verbaasde zich er over. Dit had hij nog nooit eerder meegemaakt.
Na een paar dagen ontstonden er ook steeds grotere leegten om de woorden heen. Ze waren niet meer met elkaar verbonden, maar vormden kleine eilandjes in een zee van leegte.
De eilandjes losten op in de steeds maar groeiende zee. Uiteindelijk verdwenen ze.
Deze morgen was hij opgestaan met het gevoel alsof hij net was opgestegen uit een grote diepte.
Eerst was er complete duisternis, die overging in een soort schemering die langzaam oploste in een zacht licht dat steeds helderder werd. Uiteindelijk was het licht zo helder dat het hem zeer aan de ogen deed. Opeens had hij beseft dat zijn ogen nog gesloten waren. Pas toen hij ze open deed verdween het felle licht.
Toen hij een uur geleden aan zijn kerstverhaal begon verscheen het licht weer, maar deze keer waren zijn ogen geopend. Toen hij ze sloot verdween het licht niet.
Hij snapte er niets van. Wat gebeurde er met hem? Had hij misschien een hersenbloeding? Was er iets ernstigs met hem aan de hand? Maar deze gedachten losten al heel snel op, het licht verdween en wat bleef was een eindeloze leegte. En daar zat hij nu al een uur in gevangen.

Vijf maanden later. Het was lente en twee wandelaars, een man van middelbare leeftijd en zijn jongere vriendin, haastten zich naar de blokhut om te schuilen voor een donderbui. De regen kwam bijna kolkend als in een woeste bergstroom omlaag gekletterd en geselde alles en iedereen op haar weg naar beneden.
Ze bonsden op de deur van de hut, maar er werd niet open gedaan. Toen de vrouw de deurklink neerdrukte bleek de deur open te zijn. Beiden gingen snel naar binnen. Hier was het tenminste droog.
Ze zagen dat ze in een soort van open keuken stonden. Alles zag er verzorgd uit. Potten en pannen op het fornuis en de keukenkastjes; borden, schalen en bestek in de grote wandkast met de glazen deuren.
Nieuwsgierig keken ze om zich heen en vroegen zich af waar ze terecht waren gekomen. De man besloot intuïtief het huis verder te verkennen, maar deinsde terug toen hij een blik in de kamer naast de keuken had geworpen. Zijn blozende gezicht was opeens asgrauw geworden.
De vrouw schrok toen ze dit zag. Maar ze was ook heel benieuwd wat haar oudere vriend zo aan het schrikken had gemaakt. Toen ze naast hem ging staan keek ze in de lege ogen van de kale schedel die voor een deel was weggezakt in het versteende skelet achter het bureau.
Ze huiverde. Hoewel ze zeker wist dat degene die haar aanstaarde zo dood was als maar kon zijn, leek het toch alsof het lijk nog leefde.
Toen ze hun eerste schrik overwonnen hadden liepen ze naar het bureau toe, dat bezaaid was met losse vellen papier. De man had zo te zien heel veel geschreven. Ze pakte een velletje van het bureau, las wat er op stond en trok haar wenkbrauwen op. Toen pakte ze een ander velletje. En nog een. Ze stootte haar vriend aan. “Je moet dit eens lezen”, zei ze op een bezwerende toon.
Hij pakte het van haar aan en las “Ik ben nu ergens anders nodig. Allemaal de groeten”. Regel na regel. Alle blaadjes waren volgeschreven met dezelfde zin. “ Ik vraag me af waar hij heen is gegaan”, zei de vrouw. “Hier is hij in ieder geval niet meer”.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten