woensdag 12 januari 2011

Kannibalisme, deel 2

In het half jaar dat ik bij de Chaboonies verbleef heb ik nimmer meer zo’n uitbundig feest meegemaakt als in de eerste dagen. Voor hen was het heel bijzonder dat zij zo’n kleine blanke man in hun gemeenschap opnamen. Dat het bijzonder voor mij was om zo lang af te zien van enig comfort in een onbekende en vaak vijandige omgeving spreekt voor zich.
Het dorpshoofd (de kepala adat) had op voorhand dertig varkens gekregen voor zijn gastvrijheid. Varkens en vrouwen en van beide veel, dat bepaalde de status van een Chaboonie.
‘s Lands wijs ‘s lands eer, zeg ik maar. Er zijn wel vreemdere manieren om je status op te vijzelen.
Omdat we hem geen vrouwen konden geven, kreeg Theys Hiyo Eluay, zo heette het dorpshoofd, dus varkens en hij was daar zeer tevreden over.
Ik kreeg hem voor het eerst te zien aan het eind van de eerste dag. Een grote gespierde man, met een enorme peniskoker en een botje door zijn neus. Voordat het gebruik van piercings in het vrije westen mode werd, waren er al talloze volken geweest die er genoegen in schepten om zichzelf op de één of andere manier te verminken. Een botje door je neus (later ontdekte ik dat het een vingerkootje was) was toch wel het minste. Bovendien hebben blanken altijd de verwachting dat een papoea rond loopt met een botje in zijn neus en toevallig klopte dit bij Theys Hiyo Eluay. In het half jaar dat ik er was heb ik verder geen andere papoea’s met een botje door hun neus gezien.

Theys Hiyo Eluay was een goedlachse kerel met veel gevoel voor humor.
Zo kreeg ik de eerste nacht een hut toegewezen die pikdonker was van binnen. Midden in de nacht voelde ik hoe iemand zacht een hand op mijn hoofd legde en toen ik wat wilde zeggen klonk er een zacht gesis, ten teken dat ik stil moest zijn. De hand ging naar beneden en pakte resoluut mijn kleine jongen vast en vervolgens werd deze opgeslokt door een gulzige mond. Natuurlijk wist ik niet wat ik moest doen. Ik was al lang blij dat mijn keel niet werd doorgesneden.
Het ging allemaal heel teder en geluidloos en toen ik klaar kwam leek dit op de spreekwoordelijke explosie, waarbij je oogballen uit je kassen puilen en je het gevoel kreeg onder een warme douche te staan. De vrouw, ik nam tenminste aan dat het een vrouw was, giechelde toen het voorbij was en verliet geruisloos de hut. Theys Hiyo Eluay had er al op gezinspeeld dat een echte man ’s nachts niet alleen kan blijven en dat hij er voor zou zorgen dat ik gezelschap kreeg.
Ik lag op mijn rug in het donker te staren en bedankte hem in gedachten voor zijn gastvrijheid.
De volgende dag hoopte ik er achter te komen wie mij die nacht verwend had. Ik besloot om het aan Theys Hiyo Eluay te vragen. Hij nam me mee naar een hut, riep iets naar binnen en even later kwam er een oude tandeloze vrouw naar buiten. Zij bleek de moeder van Theys Hiyo Eluay te zijn en was minstens tachtig jaar. Hij wees op haar, toen op mij en barstte in lachen uit.
Ik voelde me onpasselijk worden en hoewel ik het probeerde tegen te houden voelde ik hoe mijn mond voor een tweede keer vol liep met het nog niet verteerde ontbijt van die morgen. Daarna ging ik over mijn nek.

Gedurende een volle week werd er ’s avonds gefeest. Dans, muziek, eten en pinang noten, waarop men kauwde omdat ze een licht hallucinerende werking hebben.
Hoewel ik mij had voorgenomen om bij mijn onderzoek strikt wetenschappelijk te werk te gaan en zeker geen plannen had om nog vaker seks te hebben met een Chaboonie, moet ik met schaamte toegeven dat er van deze bedoelingen niets is terecht gekomen. Het is alleen omdat het zo lang geleden is dat ik het nu wel durf te bekennen. Ik was toen nog erg jong en viriel in plaats van de oude man die ik nu ben. Dat is het enige excuus dat ik kan aanvoeren.
In die week waren er twee Chabooniemeisjes die zich aan mij opdrongen. Het bleken zusjes te zijn.
Welwillend stond Theys Hiyo Eluay toe dat zij voor de duur van mijn verblijf mijn ‘gastvrouwen’ waren. Na al die jaren vraag ik me wel eens af wat er van hen is terecht gekomen. Want na mijn vertrek heb ik ze nooit meer gezien.

In de laatste maand van mijn verblijf noteerde ik in mijn logboek dat ik tot nu toe geen sporen van kannibalisme was tegengekomen. En dat ik in de resterende weken hier ook geen sporen van verwachtte te vinden.
Toen begon het dagenlang te regenen en trad het meer buiten zijn oevers.
Het was een vreselijke slagregen die maar niet ophield en uren achtereen de wereld geselde.
Theys Hiyo Eluay keek bezorgd naar het stijgende water. De altijd aanwezige brede lach op zijn gezicht was verdwenen en had plaats gemaakt voor een diepe frons in zijn voorhoofd. De goden moesten goed gestemd worden. Dat was wel duidelijk. Anders zou het hele dorp onder water lopen.
Ik ging met een klein groep mannen het bos in. Zo te zien op zoek naar een zoenoffer, maar ik wist niet dat dit zoenoffer zich al in het dorp bevond.
De jacht was een mislukking. Het had me sowieso al verbaasd dat we op jacht waren gegaan, want door de regen zag je geen hand voor je ogen. Bovendien waren de modderpaden in kleine, soms woest stromende beekjes veranderd. In mijn onnozelheid dacht ik dat er voor het brengen van een zoenoffer wel enige inspanning van iedereen mocht worden verwacht. En dat de regen daarom geen beletsel mocht zijn voor de jacht. Later kwam ik er achter dat men mij even kwijt wilde en dat de jacht alleen een afleidingsmanoeuvre was geweest.
Toen we tegen de avond terug kwamen heerste er een opgewonden sfeer in het dorp die ik niet kon thuis brengen. De angstige blikken wezen er op dat ze een geheim voor me hadden dat ze graag verborgen voor mij wilden houden. Omdat ze de ervaring hadden dat ‘de blanke man’ achter het best bewaarde geheim kon komen voelden ze zich niet op hun gemak. Aan de andere kant vertrouwden ze me en aangezien ik inmiddels op vele gebieden thuis was in hun stamleven wilden ze het vreselijke geheim dat ze hadden zowel verborgen houden ook met mij delen. Die onduidelijkheid en mogelijk hun schuldgevoelens waren vermoedelijk de reden voor hun opwinding.
Dit is een verklaring achteraf. Op dat moment besteedde ik niet te veel aandacht aan de situatie. Ik verklaarde het gedrag als angst voor het stijgende water en liet het daarbij.

Die avond aten alle mannen met elkaar in het mannenhuis. Nadat men de geesten van de voorouders bedankt had werd er gezongen. Het was een lied dat ik nog niet eerder had gehoord en dat heel weemoedig klonk. Ik zat naast Theys Hiyo Eluay. Hij zei me dat ik het als een grote eer moest zien dat ik mee mocht eten in het mannenhuis. Dat hij wel begreep dat ik uit een andere wereld kwam met andere gewoonten en andere omgangsvormen. Maar dat de Chaboonies moesten leven volgens de wensen van hun voorouders en niet volgens die van de blanken.
Hij zei nog veel meer, maar ik zag zijn verhaal als één grote verontschuldiging voor wat ze hadden gedaan, zonder dat ik maar een idee had waar het precies over ging.
Uit grote potten werd een soort soep opgeschept in kleine schalen, waar groenten en specerijen aan werden toegevoegd. De soep bestond uit stukken lekker mals vlees. Vermoedelijk kip, maar het kon ook rat zijn. Want dat stond ook op hun menu. Luid smakkend en slurpend zette men zich aan het eten. Alle botjes waren zorgvuldig verwijderd en ik had echt geen idee wat ik zat te eten. Totdat ik iets zoets in mijn mond proefde en zag dat het een klein oogje was. Het oog van een baby wel te verstaan.

Ik ben nog drie weken bij de Chaboonies gebleven. De dag na de ‘feestmaaltijd’ in het mannenhuis hield het op met regenen en begon het waterpeil in het meer te zakken.
Precies heb ik het nooit geweten, maar er moeten zeker drie baby’s in de maaltijd zijn verwerkt. Ik maakte mezelf wijs dat het ook apenvlees had kunnen zijn, maar wist eigenlijk wel dat het vlees van apen minder mals was dan het vlees dat ik gegeten had.
Nee, voor een tweede keer heb ik niet opgeschept. Ik vertelde Theys Hiyo Eluay niet wat ik wist. Ik schreef het zelfs niet op papier en nam het niet op in mijn onderzoeksrapport. Kortom, ik deed net of er niets was gebeurd. “Geen sporen aangetroffen van antropofagie”, vermeldde ik in mijn logboek.
Mijn promotieonderzoek heb ik nooit afgemaakt. In mijn boek “Living with two Chabooniegirls” heb ik uitgebreid verhaald over mijn tijd bij de Chaboonies. Over hun onbevangenheid met seks, hun gastvrijheid, hun rituelen. Er zitten prachtige foto’s bij. Misschien zet ik ze nog wel eens op internet, al zal ik ze dan eerst moeten inscannen.
Ik bewaar goede herinneringen aan mijn tijd bij hen. Het was vreemd om op zo’n wijze achter het kannibalisme bij de Chaboonies te komen. En weet je wat ik nou het ergste vind? Nee, niet dat ik babyvlees gegeten heb. Maar dat ik het erg lekker vond.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten