Het is lente. In het woest kolkende water van de rietkraag gaan paaiende karpers als hooligans tekeer. Ik zit op een plastiek tasje aan de waterkant om mijn kont droog te houden. Er staat weinig wind en het voorjaarszonnetje voelt aangenaam warm.
Heerlijk is het om hier zo onbezorgd aan de Binnenmaas te zitten. Ik heb geen hengel bij me, want als de vissen op liefdespad zijn is de kans niet groot dat ze bijten.
Ik ben op de fiets hier naartoe ruim een uur onderweg geweest. Dwars door de polder en over de Barendrechtse brug. Soms ga ik hier met anderen naar toe, maar dit jaar is het de eerste keer en ik ben nu alleen.
Terwijl ik zo zit te doezelen, geheel vrij van enige ambities en zonder verdere plannen voor de rest van de dag, hoor ik het onregelmatige geluid van plassende riemen in het water. Er komt een roeibootje aan en degene die er in zit kan niet roeien. Ik ga staan en zie zo’n vijftig meter stroomopwaarts een groene stalen roeiboot in mijn richting varen. Er zit een meisje in en hoewel het bootje nog ver weg is kan ik zien dat het roeien haar niet best af gaat. Ze maakt bijna evenveel herrie als de karpers en de wanhoop straalt van haar gezicht af. Als ze dichterbij is gekomen roep ik haar.
“Hallo. Gaat het? Heb je hulp nodig?” Ze reageert verrast. Blijkbaar had ze hier niemand verwacht.
“Het gaat wel zegt ze” en met dat ze dit zegt verliest ze één van haar riemen. Deze drijft het riet in.
Het bootje is nu stuurloos. Later zal ik nog vaker meemaken dat meisjes zich groot houden om te laten zien dat ze het zonder mannen heel goed kunnen redden. Pas als ze zich zo stevig in de nesten hebben gewerkt dat het bieden van hulp bijna ondoenlijk is geworden, dan doen ze een beroep op je. En al die kerels zich maar uitsloven om zo’n troela uit de problemen te helpen. Met mij voorop.
Ik ben al lang blij dat ik wat voor haar betekenen kan. Het water is hier ondiep aan de kant. Ik rol mijn broekspijpen op, doe mijn sandalen uit en loop voorzichtig het water in. Als ik de riem bijna te pakken heb stap ik in een kuil en val voorover. Alleen mijn hoofd steekt nog boven water uit.
Het meisje barst in lachen uit als ze dit ziet. Ik heb de roeispaan en loop er mee naar de kant. Dan draai ik me om en reik haar de riem aan. “Hier”, roep ik. “Hou eens vast.”
Ze pakt de riem en ik trek haar met boot en al naar mij toe. De rietkraag is hier smal. De boot botst zachtjes tegen de kant. Ik stap uit het water en pak het touw dat aan de voorkant van de roeiboot is bevestigd en trek het strak. Voorzichtig stapt het meisje uit de boot de wal op. Samen trekken we de boot vervolgens een stukje het land op.
Nu pas zie ik hoe leuk ze er uit ziet. Ze geeft me een hand. “Sjanie”, zegt ze. Ik vertel haar mijn naam.
“Ik kan goed roeien hoor”, zegt ze als om aan mij te verklaren waarom ze dat niet liet zien. “Ik heb mijn pols verzwikt toen ik vertrok.” en ze toont mij de pols van haar linkerhand, die er inderdaad opgezwollen uit ziet.
“Ik ga mij even omkleden”, zeg ik haar, wijzend op mijn natte kleren. In de plastiek zak waarop ik gezeten heb zit een zwembroek, een handdoek, een T-shirt en een korte broek. En een papieren zakje met boterhammen.
Ik draai me om, trek alles uit, droog me af en trek mijn zwembroek en het T-shirt aan. Sjanie doet geen poging om haar nieuwsgierigheid naar mijn blote niksie te verbergen en staat ongegeneerd toe te kijken terwijl ik mij omkleed. Ik word verlegen van haar onbevangen manier van kijken. Branieachtig reageer ik door te zeggen “Dat zie je niet vaak, hè? Zo’n mooie blote man.” Ik ben pas vijftien en ik schat dat Sjanie niet veel ouder is.
“Ik heb twee broers thuis. Dus ik heb wel vaker een jongen gekleed gezien als moeder natuur”, zegt ze spottend. En dan, alsof we elkaar al jaren kennen “Je hebt wel een klein pikkie”. Ik word knalrood. “Dat komt van het koude water. Je zou hem niet als wild vlees onder je neus willen hebben”. Ik hoop dat ik haar hiermee heb afgetroefd. Ze lacht en gaat niet verder in op het onderwerp.
Ze wil weten waar ik vandaan kom en wat ik hier kom doen. Ik vertel haar dat ik uit Rotterdam kom, dat dit al drie jaar mijn plekje is en dat ik hier vaak kom. Nou ja, toch zeker vijf keer per jaar.
Zij woont in Mijnsheerenland, op nog geen steenworp afstand van waar we zitten. Het is haar eigen boot en ze vertelt me dat ze vaak op het water zit.
We bevallen elkaar. Het is wel een bijzondere manier om iemand op deze wijze te leren kennen.
Die lente en zomer zien we elkaar vaker. En dan hebben we veel lol. Slechts één keer is ze heel boos op me. Dat is als ik leuk wil zijn en een levende kikker in haar bloesje stop. Het kost me veel moeite om haar er van te overtuigen dat het een misplaatste grap van me was. Dus ik loog tegen haar dat het me speet.
Sjanie had een lekker soepel lijf en ze was niet preuts. Al mocht ik hem er niet in laten hangen, wat ik wel graag gedaan zou hebben, want van mijn vrienden begreep ik dat er niets fijner was. Ik zou echter nog even geduld moeten hebben, want pas twee jaar later zou ik in Haïti mijn maagdelijkheid verliezen.
Toen de zomer voorbij was en het kouder werd, was het helaas ook gedaan met mijn fietstochtjes naar de Binnenmaas. Nog één keer spraken we af en gingen we samen zwemmen in onze blote gat. Nog één keer lagen we samen naast elkaar op onze ruggen op het gras naar de wolken te staren, terwijl we de stilte met elkaar deelden. Nooit hebben we voorgoed afscheid van elkaar genomen en nooit hebben we elkaar meer gezien.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten