zaterdag 29 januari 2011

Toetsen

Er was er eens een docent die knettergek werd van het vele nakijkwerk. Tot diep in de nacht zat de arme man toetsen na te kijken. Hij draaide helemaal door. Ondertussen kreeg hij ook nog eens stapels mailtjes van ongeduldige leerlingen die ’s nachts niet konden slapen van de zenuwen. Hadden ze de toets nu gehaald of waren ze gezakt? Het resultaat was belangrijk voor ze, want ze wisten dat het examenadvies hiermee samen hing.
Het was half drie ’s nachts. De arme man was na het roken van zijn 3e stick zo stoned als een strontvlieg. Zijn vrouw lag in diepe slaap. Haar gesnurk kon hij op zolder horen.
De docent keek naar de stapel die er nog lag. Nog 15 toetsen. Elke toets 10 minuten. Nog tweeënhalf uur. In de spiegel die boven zijn bureau hing zag hij iemand met bloeddoorlopen ogen naar hem kijken. “Goed dat ik dat niet ben”, dacht hij nog.
Opeens kreeg hij een simpel idee. Als hij ze nu eens allemaal een voldoende gaf. Dan waren er vast geen boze leerlingen die wilden weten wat ze fout hadden gedaan.
In nog geen vijftien minuten had hij alle mailtjes beantwoord. Om 3 uur lag hij in bed.
Gelukkig kon hij straks uitslapen.
Natuurlijk zou het uitkomen dat hij de kluit besodemieterd had. Maar ze zouden in ieder geval allemaal even opgelucht zijn en denken dat ze een voldoende hadden gehaald. Hij zou ze maandag zelf wel vertellen wat hun werkelijke cijfer was en zich verontschuldigen. Hij was echt een beetje overspannen en eigenlijk wist hij niet eens zeker of hij maandag wel naar zijn werk zou gaan. Gelukkig had hij nog 1 dag om smoesjes te verzinnen en daar was hij gelukkig sterk in.

vrijdag 28 januari 2011

Het Land van Waan.

Dat wij de verstandigste wezens zijn die hier op aarde rondlopen weet iedereen. De enkeling die van zichzelf zegt dat hij niet verstandig is doet dit uit berekening en is teleurgesteld als tegenspraak uit blijft. Verder is het bekend dat wij verstandiger zijn dan anderen. Wij aanvaarden echter bescheiden onze talenten, in de wetenschap dat we ze bij onze geboorte ook maar cadeau hebben gekregen.
Dat anderen minder talenten hebben is vervelend, maar het is niet anders. Zij kunnen er niets aan doen.
We accepteren dat er zoiets bestaat als geluk en pech. En dat wie wil alles in dit leven kan bereiken.
Al wat we bereikt hebben danken we aan onze eigen inzet. En alles wat we niet hebben bereikt komt door pure pech. En anders wel door anderen die ons in de weg hebben gezeten. De ploerten.

Behalve de verstandige wezens zoals wij zijn er ook anderen. Wel eens in het Land van Waan geweest? Het bestaat al heel lang en zal over honderd jaar vast nog wel bestaan.
Helaas is er geen cartograaf die het ooit de moeite waard vond om het Land van Waan op de kaart te zetten. We moeten het dus doen met de spaarzame verhalen van reizigers die beweren dat zij er zijn geweest en die hun ervaringen aan het papier hebben toevertrouwd.
Het Land van Waan heeft geen duidelijke grenzen. Bovendien veranderen deze voortdurend en kan het zijn dat je de ene dag in het Land van Waan woont en de andere dag in één van de buurlanden. Met alle gevolgen van dien.
Men heeft er geen eigen munteenheid, maar gebruikt die van de omringende landen. Ook een eigen regering ontbreekt. Zelfs de taal is dezelfde taal die de buren spreken. En de vlag dan, zul je misschien vragen. Hebben ze dan geen eigen vlag? Ik zou het niet weten. Toen ik er was heb ik geen vlaggen gezien, maar het was dan ook een normale doordeweekse dag. Niks bijzonders.
Je begrijpt dat het lastig is om vast te stellen waar het Land van Waan ligt als er geen kaarten van zijn. En dat men er soms doorheen reizen kan zonder dit te beseffen.
Volgens mij is de enige manier om er achter te komen dat je in het Land van Waan bent door de bewoners er van te observeren. Pas dan blijkt dat er een eigenaardig volkje woont.
Zij noemen zichzelf Waanzinnig. En ze lijken sprekend op ons, de normale mensen. Maar ze zijn zo ongelooflijk anders.
Langer dan een week ben ik niet in het Land van Waan geweest en ik kwam er pas na drie dagen achter dat ik er was. Dat klinkt vreemd, maar er was niets dat er op wees dat ik de grens was over gegaan. Ik zag en hoorde geen dingen die mij niet bekend waren. Totdat ik met een bewoner in gesprek raakte.
Ik zat op een bankje in het park een boterhammetje te eten. Het was een aangenaam warme dag.
Er ging een man naast mij zitten nadat hij mij eerst gevraagd had of de plek vrij was.
We raakten al spoedig in gesprek. Ik vertelde dat ik op vakantie was. En dat ik een week in The Lions Inn logeerde.
De man zei me dat hij een dominee was en hier woonde. Dat hij altijd op dit bankje ging zitten als hij inspiratie zocht voor een preek. Ik zei hem dat ik niet wist wat een dominee of een preek was.
Geduldig legde hij mij uit dat er een opperwezen bestond en dat het zijn taak was om de mensen de boodschap over te brengen van dit opperwezen. Ik dacht dat hij een grapje maakte, maar hij bleek serieus te zijn.
“Hoe ziet dit opperwezen er uit?”, vroeg ik hem. “Heeft het misschien de gedaante van een man?” “Misschien”, zei hij. “Of lijkt het meer op een vrouw?”
“Dat weet niemand”, antwoordde hij.
“En wat zegt dit opperwezen dan?” Ik was nu toch wel nieuwsgierig geworden.
“Dat staat allemaal in dit boek”, zei de dominee en hij toonde mij een klein zwart boekje met flinterdunne blaadjes er in, die allemaal aan beide kanten vol geschreven waren.
“Maar als het in een boek staat kunnen de mensen het toch zelf lezen?”
“Je kunt het wel lezen, maar je moet het ook begrijpen”, zei de man fijntjes. “En ik help hen daarbij”.
“Heeft dat opperwezen nog meer boeken geschreven?” vroeg ik.
“Het boek is geschreven door de mensen en het is het enige boek waar de waarheid in staat en niets dan de waarheid. Zij hebben de boodschap van het opperwezen duizenden jaren geleden ontvangen en voor het nageslacht vast gelegd.”
Ik wist niet zeker of ik in de maling werd genomen. De man maakte de indruk serieus te zijn, maar er kwam alleen maar onzin uit zijn mond.
“Duizenden jaren geleden? En heeft het opperwezen sindsdien gezwegen?”
“Natuurlijk niet. Maar zijn boodschap heeft hij uitgedrukt in daden. En daaraan kunnen we zien dat we thans leven in de laatste dagen voor de wederopstanding.”
De man beweerde dat uit de tekenen bleek dat het niet meer lang zou duren of de wereld zou vergaan. Volgens hem zouden de bokken van de schapen worden gescheiden, waarbij de laatsten het koninkrijk der hemelen in zouden gaan en de eersten voor eeuwig in het hellevuur zouden branden.
Het was alsof ik naar een verhalenverteller uit de oudheid zat te luisteren. Hij sprak van engelen en de demiurg, de grote vijand van het opperwezen. Hij had het over wonderen, over zonden, een man die zich de zoon van het opperwezen noemde en gekruisigd werd. Die man had over het water kunnen lopen en had ander water in wijn veranderd.
Na drie dagen dood te zijn geweest was hij uit de dood opgestaan. Enzovoorts. Enzovoorts.
Ik ben dol op sprookjes. Zeker als ze nieuw voor me zijn en er veel in gebeurt. Toen de man mijn glunderende gezicht zag werd hij helemaal extatisch en vroeg mij of ik met hem mee wilde lopen naar de kerk.
Nu had ik wel vaker een kerk van binnen gezien, maar mij nooit afgevraagd waarvoor hij diende.
Ik wist wel dat er zondag altijd mensen naar toe gingen, maar wat ze er gingen doen was mij een raadsel.
Op weg naar de kerk stelde de man zich voor als Winston en terloops merkte hij op dat hij een Waanzinnige was. Ook dit liet ik mij uitleggen. En tijdens zijn uitleg bleek dat ik nu in het Land van Waan was. Ik viel van de ene verbazing in de andere. Ter verduidelijking voegde hij er aan toe dat veel mensen uit het Land van Waan waren vertrokken en zich onder de andere mensen hadden verspreid. Omdat ze er net zo uitzagen als iedereen zou bij wijze van spreken je buurvrouw of buurman een Waanzinnige kunnen zijn.
De kerk was ruim van binnen. Ik vertelde Winston dat ik wist dat veel mensen op zondag naar de kerk gaan. Maar dat ik niet begreep waarvoor dit was. “Iedereen die naar de kerk gaat is een Waanzinnige of is er op de een of andere manier mee verwant. Ze komen daar met z’n allen om het opperwezen te aanbidden.”
Winston nam de tijd voor me. Hij zei dat ik zijn inspiratie was voor de zondagspreek. Dat hij zou zeggen dat hij een vreemdeling had ontmoet die alles wilde weten van het opperwezen en van zijn volgelingen. Dat hij wou dat iedereen zo snakte naar ware kennis. Dat zij een voorbeeld moesten nemen aan mij.
Arme Winston. Ik heb je maar niet gezegd wat ik werkelijk dacht. Dat, toen ik begreep dat je het serieus meende, ik een grote medelijden met je voelde. Ik begreep dat een Waanzinnige het nodig had om via rituelen greep te krijgen op zijn waanideeën. En dat hij zonder deze rituelen kans liep om knettergek te worden. Zijn geloof in het opperwezen hield hem bij elkaar en maakte het leven voor hem meer dragelijk.
Ik weet dat het geen slechte mensen zijn en dat ik niet beter ben dan zij. Ik heb alleen het geluk dat mijn eigen waanideeën vermoedelijk minder ernstig zijn dan van een Waanzinnige.
Ja, behalve de verstandige wezens zoals wij zijn er blijkbaar ook anderen.

dinsdag 25 januari 2011

Voetbalplaatjes

Onze grootgrutter, die op de kleintjes let, verstrekt weer voetbalplaatjes bij de boodschappen.
Bij de uitgang van de supermarkt staan de jongste consumenten van Nederland te brullen of ze alsjeblieft de kaartjes mogen hebben. Het ijzeren hek, waar ze achter zijn gezet, houdt ze niet tegen.
Hoezo zijn kinderen schattig? Ga eens kijken hoe ze elkaar voor die plaatjes naar het leven staan. Hoe ze lopen te gillen en te schuimbekken om er een te kunnen bemachtigen.
Het zou niet vreemd zijn als aanstaande ouders die dit zien alsnog in de verleiding gebracht zouden worden om te kiezen voor een abortus, in plaats van een kind. Wat in veel gevallen een goed besluit zou zijn. Want wees nu eens eerlijk, zie jij op straat veel ouders waarvan jij het kind had willen zijn? Nou dan. En die kleine branieschoppers, die schreeuwlelijken, daar wil je toch ook niets mee te maken hebben? Ja, er staan ook van die lieve lachende kindertjes tussen, maar als je naar stapel kaartjes kijkt in hun handen begrijp je wel waarom ze lachen.
Ben ik vergeten hoe ik vroeger zelf was? Natuurlijk, zoiets weet je na meer dan een halve eeuw niet meer. De vervalste beelden die ik koester tonen een lief en onderzoekend knulletje, dat een hekel had aan herrie, van vissen hield, graag buiten speelde op straat en postzegels verzamelde.
Een manneke dat ongemeen driftig kon zijn als hij boos was, maar dat kwam niet vaak voor.
Maar als ik toen met andere kinderen achter een ijzeren hek had moeten bedelen om een voetbalplaatje, zou ik waarschijnlijk het hardst geschreeuwd hebben.
Gefascineerd door het geschreeuw en gejoel sta ik op een afstand toe te kijken hoe de meute haar prooien bewerkt. Maar die hebben er blijkbaar ook genoeg van dat ze er bijna niet door kunnen met hun boodschappenkarretjes.
Een man toont de kinderen zeker vijf plaatjes. “Ikke, mijnheer, ikke, ikke, hier mijnheer” wordt er gegild. Dan, tot grote ontsteltenis van allen, scheurt hij ze door midden en met een stalen gezicht deelt hij de halve plaatjes uit. De kinderen zijn doodstil en nemen aarzelend de halve plaatjes aan, terwijl ze met grote verbaasde ogen naar de man kijken.
“Plaatjes, willen jullie plaatjes?” vraagt een oude vrouw? “Ja, mevrouw. Hier, hier, alstublieft.”
“Ik heb ze niet, hoor”, zegt ze terwijl ze olijk kijkt. “Wat moet ik met die troep?”
“Boe!” roept er één en dit wordt overgenomen door de anderen. Wederom breekt er een pandemonium los.
Een vadsige kerel met een enorme buik wappert met een hand vol plaatjes. Elk kind krijgt er een, maar eerst likt hij er aan en kijkt daarbij alsof hij aan een flamoes likt. De kinderen huiveren.
Iemand gooit een paar plaatjes op de grond en bijna onmiddellijk ontstaat er een vechtpartij. Een wat grotere jongen trekt een klein meis je aan haar haar en rukt al haar plaatjes uit haar handen.
Zij begint te huilen en te gillen, maar haar belager is er al vandoor met haar plaatjes en met de plaatjes die op de grond gesmeten waren.
Iemand van het personeel komt naar buiten. De ingang, die tevens uitgang is, is versperd met winkelwagentjes. De chaos is compleet.
“Jullie moeten weg”, roept hij tegen de kinderen. “Morgen kun je terugkomen. En als jullie dan weer zo’n herrie maken moet je weer weg.” Zijn kordate optreden heeft succes. De kinderen druipen af. Het is weer rustig bij de ingang van de supermarkt. Maar ongetwijfeld komt de meute morgen terug en begint alles gewoon weer opnieuw.

maandag 24 januari 2011

De Binnenmaas.

Het is lente. In het woest kolkende water van de rietkraag gaan paaiende karpers als hooligans tekeer. Ik zit op een plastiek tasje aan de waterkant om mijn kont droog te houden. Er staat weinig wind en het voorjaarszonnetje voelt aangenaam warm.
Heerlijk is het om hier zo onbezorgd aan de Binnenmaas te zitten. Ik heb geen hengel bij me, want als de vissen op liefdespad zijn is de kans niet groot dat ze bijten.
Ik ben op de fiets hier naartoe ruim een uur onderweg geweest. Dwars door de polder en over de Barendrechtse brug. Soms ga ik hier met anderen naar toe, maar dit jaar is het de eerste keer en ik ben nu alleen.
Terwijl ik zo zit te doezelen, geheel vrij van enige ambities en zonder verdere plannen voor de rest van de dag, hoor ik het onregelmatige geluid van plassende riemen in het water. Er komt een roeibootje aan en degene die er in zit kan niet roeien. Ik ga staan en zie zo’n vijftig meter stroomopwaarts een groene stalen roeiboot in mijn richting varen. Er zit een meisje in en hoewel het bootje nog ver weg is kan ik zien dat het roeien haar niet best af gaat. Ze maakt bijna evenveel herrie als de karpers en de wanhoop straalt van haar gezicht af. Als ze dichterbij is gekomen roep ik haar.
“Hallo. Gaat het? Heb je hulp nodig?” Ze reageert verrast. Blijkbaar had ze hier niemand verwacht.
“Het gaat wel zegt ze” en met dat ze dit zegt verliest ze één van haar riemen. Deze drijft het riet in.
Het bootje is nu stuurloos. Later zal ik nog vaker meemaken dat meisjes zich groot houden om te laten zien dat ze het zonder mannen heel goed kunnen redden. Pas als ze zich zo stevig in de nesten hebben gewerkt dat het bieden van hulp bijna ondoenlijk is geworden, dan doen ze een beroep op je. En al die kerels zich maar uitsloven om zo’n troela uit de problemen te helpen. Met mij voorop.
Ik ben al lang blij dat ik wat voor haar betekenen kan. Het water is hier ondiep aan de kant. Ik rol mijn broekspijpen op, doe mijn sandalen uit en loop voorzichtig het water in. Als ik de riem bijna te pakken heb stap ik in een kuil en val voorover. Alleen mijn hoofd steekt nog boven water uit.
Het meisje barst in lachen uit als ze dit ziet. Ik heb de roeispaan en loop er mee naar de kant. Dan draai ik me om en reik haar de riem aan. “Hier”, roep ik. “Hou eens vast.”
Ze pakt de riem en ik trek haar met boot en al naar mij toe. De rietkraag is hier smal. De boot botst zachtjes tegen de kant. Ik stap uit het water en pak het touw dat aan de voorkant van de roeiboot is bevestigd en trek het strak. Voorzichtig stapt het meisje uit de boot de wal op. Samen trekken we de boot vervolgens een stukje het land op.
Nu pas zie ik hoe leuk ze er uit ziet. Ze geeft me een hand. “Sjanie”, zegt ze. Ik vertel haar mijn naam.
“Ik kan goed roeien hoor”, zegt ze als om aan mij te verklaren waarom ze dat niet liet zien. “Ik heb mijn pols verzwikt toen ik vertrok.” en ze toont mij de pols van haar linkerhand, die er inderdaad opgezwollen uit ziet.
“Ik ga mij even omkleden”, zeg ik haar, wijzend op mijn natte kleren. In de plastiek zak waarop ik gezeten heb zit een zwembroek, een handdoek, een T-shirt en een korte broek. En een papieren zakje met boterhammen.
Ik draai me om, trek alles uit, droog me af en trek mijn zwembroek en het T-shirt aan. Sjanie doet geen poging om haar nieuwsgierigheid naar mijn blote niksie te verbergen en staat ongegeneerd toe te kijken terwijl ik mij omkleed. Ik word verlegen van haar onbevangen manier van kijken. Branieachtig reageer ik door te zeggen “Dat zie je niet vaak, hè? Zo’n mooie blote man.” Ik ben pas vijftien en ik schat dat Sjanie niet veel ouder is.
“Ik heb twee broers thuis. Dus ik heb wel vaker een jongen gekleed gezien als moeder natuur”, zegt ze spottend. En dan, alsof we elkaar al jaren kennen “Je hebt wel een klein pikkie”. Ik word knalrood. “Dat komt van het koude water. Je zou hem niet als wild vlees onder je neus willen hebben”. Ik hoop dat ik haar hiermee heb afgetroefd. Ze lacht en gaat niet verder in op het onderwerp.
Ze wil weten waar ik vandaan kom en wat ik hier kom doen. Ik vertel haar dat ik uit Rotterdam kom, dat dit al drie jaar mijn plekje is en dat ik hier vaak kom. Nou ja, toch zeker vijf keer per jaar.
Zij woont in Mijnsheerenland, op nog geen steenworp afstand van waar we zitten. Het is haar eigen boot en ze vertelt me dat ze vaak op het water zit.
We bevallen elkaar. Het is wel een bijzondere manier om iemand op deze wijze te leren kennen.
Die lente en zomer zien we elkaar vaker. En dan hebben we veel lol. Slechts één keer is ze heel boos op me. Dat is als ik leuk wil zijn en een levende kikker in haar bloesje stop. Het kost me veel moeite om haar er van te overtuigen dat het een misplaatste grap van me was. Dus ik loog tegen haar dat het me speet.
Sjanie had een lekker soepel lijf en ze was niet preuts. Al mocht ik hem er niet in laten hangen, wat ik wel graag gedaan zou hebben, want van mijn vrienden begreep ik dat er niets fijner was. Ik zou echter nog even geduld moeten hebben, want pas twee jaar later zou ik in Haïti mijn maagdelijkheid verliezen.
Toen de zomer voorbij was en het kouder werd, was het helaas ook gedaan met mijn fietstochtjes naar de Binnenmaas. Nog één keer spraken we af en gingen we samen zwemmen in onze blote gat. Nog één keer lagen we samen naast elkaar op onze ruggen op het gras naar de wolken te staren, terwijl we de stilte met elkaar deelden. Nooit hebben we voorgoed afscheid van elkaar genomen en nooit hebben we elkaar meer gezien.

vrijdag 21 januari 2011

Interview.

Mei, 2840

De geschiedenisleraar komt als een hologram tevoorschijn in miljoenen kamers. Wereldwijd wordt de les op dat moment gevolgd door zo’n tien miljoen studenten, die hem allemaal tegelijk op het holoplatform zien verschijnen. Professor Friedrich staat bekend om zijn scherpe tong. Het is bekend dat hij geen blad voor de mond neemt. Onder de studenten is hij razend populair en bij zijn optreden zijn er altijd miljoenen ingelogd. Dit keer gaat het college over de collectieve krankzinnigheid die aan het begin van de 21e eeuw de weg voorbereidde voor de bijna totale vernietiging van het mensdom in de 23e eeuw. De professor heeft een zachtgroene mantel om zich heen geslagen en draagt een lange muts. Hij ziet er uit als een tovenaar. Zacht en indringend begint hij te spreken.

Vroeger, hiermee bedoel ik tot zo’n vijfhonderd jaar geleden, heerste er wereldwijd een besmettelijke ziekte, waar maar weinig tegen te doen was. Mensen werden er knettergek van, begonnen glazig uit hun ogen te kijken, prevelden onsamenhangende bezwerende toverformules en sloegen hierna anderen meedogenloos de schedel in. De ziekte heette ‘godsdienst’ en heeft de mensheid eeuwen in een wurgende greep gehouden.
Toen zij de beschikking kregen over massavernietigingswapens werd het nog erger. In 2350 heeft een wereldwijde godsdienstoorlog tussen het christendom, de islam, het hindoeïsme, het boeddhisme en het taoïsme de mensheid gedecimeerd. Het is interessant om eens te kijken en luisteren naar één van de voormannen van zo’n groepering. Ik heb hier een opname van een interview van de paus uit 2013. In een volgende les is de Daila Lama aan de beurt.


Uwe heiligheid, allereerst wil ik U bedanken voor uw bereidwillige medewerking aan dit ongewone interview.
Dank voor die bloemen.
Mijn eerste vraag Uwe heiligheid. Is het waar dat U de plaatsvervanger van Christus op aarde bent?
Dat zijn niet mijn woorden. Goed, ik heb wel eens jeuk aan mijn kruis. Maar even krabben en het is weer over. Dan had Christus het met zijn kruis een stuk zwaarder.
Zoiets heet blasfemie, Uwe heiligheid.
Ik dacht dat het de kruisiging heette. Volgens mij is blasfemie iets anders.
Heilige vader, is het waar dat God alomtegenwoordig is?
Geen idee. In het Vaticaan is hij in elk geval niet. Volgende vraag.
Uwe heiligheid, bent U onfeilbaar?
Nee, hoor. Rare vragen stelt U. Wilt U nog een kopje thee? Petrus, schenk ons beiden nog eens in . En doe mij er maar een glaasje vin mariani bij.
Uwe heiligheid, U bent mateloos populair. Wat is uw geheim?
Het axe-effect. Ik gebruik het spul om te voorkomen dat ik ga stinken als een oude man.
Grapje zeker, Uwe heiligheid. Of uw deodorant vandaag vergeten. Iets anders. Hoe rijk bent U?
Dat loopt wel in een getal met zeker tien cijfers. Maar het is niet van mij alleen, hoor. En het geld wordt goed besteed. Wij gooien niets over de balk. Schrijft u dat maar op.
Uwe heiligheid, wat vindt U van het gebruik van condooms?
Ik heb er geen moeite mee als de priesters deze gebruiken.
Pardon?
We willen niet dat die kleine jongens en meisjes besmet worden met een geslachtziekte. Dat zou niet goed zijn voor het imago van onze kerk.
Uwe heiligheid, is het waar dat het Vaticaan een broeinest is van pedofielen?
Laat de kinderen tot mij komen, zeg ik altijd. Maar we hebben hier geen pedofielen hoor. Iedere man hier is praktiserend homo, maar geen pedo.
Uw voorganger Benedictus de XVI-e heeft een boek geschreven over de kerk en haar plaats in de moderne wereld. Gaat u ook een boek schrijven?
Nee, ik sta op facebook . En ik twitter graag.
Uwe heiligheid, historici zeggen dat de katholieke kerk in de 2e wereldoorlog een dubieuze rol heeft gespeeld bij de jodenvervolging. Zo zou Pius de XII-e stilzwijgend de Holocaust hebben goedgekeurd.
Onzin, wij katholieken zijn altijd de grootste vrienden van de Joden geweest. Pius de XII-e is terecht heilig verklaard. Wist u trouwens dat wij tienduizenden heiligen hebben en de protestanten niet één?
Uwe heiligheid, is er onlangs nog een wonder gebeurt?
Het is een wonder dat ik hier met u zit te praten. In andere tijden was u op de brandstapel gegaan.
Als laatste heilige vader, is het waar dat u zo’n grote lul hebt?
Moet je hem zien?


De interviewer en de paus verdwijnen weer. Professor Friedrich verschijnt.
Mijn excuses voor het laatste deel. Het is onmogelijk te voorkomen dat hackers zoiets lulligs doen. Dit vinden ze blijkbaar leuk. Maar de rest van het interview spreekt voor zich.
U hoorde hoe onvoorstelbaar rijk het Vaticaan was. En hoe men tegen seks aankeek in die dagen.
De macht van de kerk reikte tot over het graf en tot in de hemel. Zo ging dat toen.
Nu de mensen de onsterfelijkheid beheersen is de behoefte aan godsdienst verdwenen. Deze bleek immers alleen gebaseerd op de angst voor de dood. We hebben nog steeds geen perfecte wereld, maar het denken van de mensheid is wel volwassener geworden. Ik hoop dat jullie nooit vergeten welke zware prijs hiervoor is betaald. Ik dank jullie voor jullie aandacht.

En hij loste op in een fonkelende wolk van schitterende sterretjes.

woensdag 19 januari 2011

Slapeloos.

Het is nacht. Ik lig wakker en probeer in het donker mijn vingers te tellen. Eerst die van mijn linkerhand en dan die van mijn rechter. Tevergeefs, ik zie geen moer. Ik schat in dat het er tien zijn. Daarnet lag ik nog half in een coma maar iets heeft me wakker gemaakt. De wekker geeft drie uur aan. Pas over vier uur moet ik er uit.
Moet ik misschien plassen? Hoewel ik geen aandrang voel ga ik naar het toilet, maar het lullige straaltje dat ik tevoorschijn tover kan niet de reden geweest zijn waarom ik wakker ben geworden. Een inbreker misschien? De flauwe gedachte aan een inbreker roept een glimlach bij me op. Dat zou dan wel een heel domme inbreker moeten zijn. Als er ergens niets te halen valt dan is het bij ons. Geen dure audiospullen, een Dvd-speler uit de oertijd, een televisie uit het jaar nul.
Of het moet iemand zijn die van boeken houdt, want daar staat het hele huis vol mee. Ouderwets, ik geef het toe. Ook dat ik ouderwets ben wil ik wel toegeven.
Zou er misschien een ruit zijn ingegooid? Dat is één keertje eerder gebeurd.
Toen lag de keuken vol scherven. De verzekering heeft alles vergoed.
Ach, de wereld zit vol gestoorden. Je hoeft niet jaloers op iemand te zijn die ’s nachts een steen bij een ander door de ramen gooit. Zulke mensen zijn gewoon zielig.
Ik ga naar beneden en schenk mezelf een glas melk in. Er liggen geen scherven op de grond.
Inmiddels ben ik klaarwakker. Als ik door een kier in de gordijnen naar buiten kijk zie ik een stralende volle maan tussen de wolken schijnen. Ik schuif de gordijnen een stukje open en zie aan de plassen op straat dat het geregend heeft.
Op mijn blote voeten loop ik de schuur in. In de vriezer ligt vast nog wel een lekker ijsje. Goed dat ik een jongetje ben, want bij een meisje dat midden in de nacht trek heeft in een ijsje vermoed je dat ze misschien zwanger is.
Mijn rechtervoet landt op iets kouds en kleverigs. Ik sta op een vette slak. Althans wat er van over is gebleven. Arme slak. Als ik was blijven doorslapen had jij kunnen blijven leven. Nu moet ik je van mijn voetzool afschrapen.
Ik doe daar niet al te moeilijk over en veeg mijn voet af aan de deurmat.
Met het ijsje in mijn hand ga ik voor de televisie zitten. Binnen drie minuten begin ik al te gapen. De “Stoute meiden” die op zwoele fluistertoon hun geile praatjes op de buis laten horen vermogen mij niet op te winden. Zoals altijd als ik de tv aanzet word ik alleen maar slaperig. Het effect is sterker dan een glas melk.
Ik ga weer naar bed. Mijn liefenleed ligt op mijn kant en ik duw haar zachtjes opzij met mijn achterste. Nog maar eens proberen. Ik heb nog ruim drie uur voor de wekker gaat.

dinsdag 18 januari 2011

Zestien.

Ik ben net zestien, werk als jongste bediende voor een handelsfirma en heb het lelijkste meisje van Rotterdam en omstreken tot vriendin. Zij is ook zestien. We hebben elkaar een week eerder ontmoet op een feestje van familie en kennissen.
Aan weerszijde gezeten van een tafeltje met limonade en gebak kruisten onze blikken elkaar toen haar vader, een stevige dakdekker, net verteld had dat een olifant 21 jaar zwanger is. We schoten allebei in de lach en dat was het begin van onze vriendschap.

Het is een mooie najaarsdag en we wandelen hand in hand in de buurt van haar ouderlijk huis. Gelukkig kent niemand mij hier en hoef ik niet op mijn hoede te zijn. Ik zou nu niet graag mijn vrienden tegen komen. Want dan had ik wel wat uit te leggen.
Ik ben blij dat ik weer een meisje heb, al is ze dan ook erg lelijk. Ik heb behoefte aan iemand die naar mijn gezwam wil luisteren. Of tenminste doet alsof. Als ik later groot ben word ik misschien wel docent.
Ze heeft me een stevige hand gegeven, alsof ze mij hiermee duidelijk wil maken dat er geen ontsnappen mogelijk is. Niet dat ik dat nu wil. Nog niet. Ik wil alleen maar bij haar zijn. Om zo af en toe wat aan haar te kunnen friemelen of haar een zoentje te geven.
Ik kijk haar aan. Er valt aan mijn nieuwe vriendinnetje heel wat af te friemelen, want ze is zo dik als een gezond varken. Haar kleine oogjes liggen diep teruggetrokken in haar oogkassen en als ze lacht, wat ze veelvuldig doet want ze is ontzettend blij met me, klinkt dit als een vrolijk en goedaardig geknor.
“We hebben nu al een week verkering”, zegt ze stralend. Ik knik. Bij mij is drie weken wel het maximum en ik denk “Nog twee weken te gaan”, maar zeg haar niets.
“Heb je wel eens eerder verkering gehad?”, vraagt ze. ”Eerlijk zeggen ,hoor.”
“Ik heb jou nu toch”, antwoord ik haar, zonder verder op haar vraag in te gaan. Ik geef haar een kus op haar wangen.
We wandelen al een uur. Dat ben ik niet zo gewend. Eigenlijk zijn we het huis van haar ouders uit gevlucht. Ik begin me nu al te vervelen. Ik kijk op mijn horloge.
“ Het is al vier uur”, zeg ik. “Laten we terug gaan”. Gewillig drentelt ze met me mee.
Ik breng haar thuis, neem afscheid van haar en van haar ouders en stap op mijn brommer.
“Het was leuk”, zegt ze. “Jammer dat je al weg moet.”
“Ik zal je bellen”, lieg ik tegen haar. We zoenen. Als ik mijn ogen sluit is het best lekker.
Dan geef ik een dot gas, zwaai nog eens naar haar en rij zo hard weg als ik maar kan.

zondag 16 januari 2011

Het hiernamaals.

Ik had mezelf een biertje beloofd en schonk dit in. In mijn gulzigheid nam ik een grote hap, verslikte me, kreeg het vreselijk benauwd en ging de pijp uit. De dood was onverwachts gekomen, al had ik hem met mijn aids en kanker wel verwacht. Maar pas over drie maanden of zo en dit kwam dus niet erg gelegen. Nu zullen sommige van jullie denken “Kan dit niet wat minder?” en natuurlijk hebben zij gelijk. Zowel kanker als aids hebben is toch een vorm van overkill en ontneemt een mens wel alle hoop. Om je dan te verslikken in een biertje is een tegenvaller. Dan had je net zo goed gezond kunnen zijn. Maar Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, al had ik wel door dat hij het de hoogste tijd vond om mij bij hem te ontbieden. Dus daar stond ik dan opeens aan de hemelpoort. En laat me je dit vertellen, dan voel je jezelf wel heel erg nietig.
Het was zo’n ouderwetse poort, met een ophaalbrug en een valhek om degenen tegen te houden die er niet hoorden. Daarnaast was om de hemel een hoge muur gebouwd om nieuwsgierige blikken te weren.
Met al die spionagesatellieten is dit tegenwoordig natuurlijk niet zo zinvol meer. Iedereen weet dat er engelen in de hemel zijn. En dat ze de hele dag op een harpje spelen. Daar kwam nog bij dat de meeste hemelgangers helemaal niet eens van harpmuziek hielden. Ja, het was bepaald geen dankbaar werk.
Daar stond ik dan in mijn eentje. Ik was verbaasd. Waar waren al die anderen? En wat deed ik hier? Gezien mijn levenswijze op de aarde toen ik nog niet dood was maar me af en toe wel zo voelde, zou ik hier niet moeten zijn. Hier was vast een vergissing gemaakt.
Aarzelend liep ik op een poortwachter toe. Het was een engel met een vlammend zwaard.
“Mooi weertje, hè?” probeerde ik voorzichtig. Ik voelde me opgelaten omdat ik niet goed wist wat ik moest zeggen.
De engel keek me liefdevol aan. ”Johannes?”, vroeg hij vriendelijk. “Hier, hou eens vast”. Hij gaf mij het vlammend zwaard zodat hij zijn handen vrij had om een groot boek door te bladeren.
Ik stond daar wat ongemakkelijk met het zwaard en zwaaide er een paar keer mee door de lucht. Woeeeiiiii, woeiiiiiii, ging het. “Kijk je een beetje uit voor mijn vleugels”, sprak de engel mij toe. “Ik heet overigens Gabriel” en hij bladerde verder.
“Zou een computer niet handiger zijn?” vroeg ik hem.
“Daar is geen geld voor. Bovendien zijn we bang dat een virus onze bestanden zouden kunnen beschadigen. Nee, er gaat niets boven het gewone schrijfwerk. Ah, hier heb ik je al…” Hij vouwde een bladzijde keurig recht en begon zachtjes mompelend te lezen. Daarna keek hij mij verbaasd aan.
“Ik ben bang dat er een fout is gemaakt”, zei hij verontschuldigend.
“Daar was ik ook al bang voor”, reageerde ik. Met mijn levenswandel zou het op zijn minst merkwaardig zijn geweest om mij maar zelfs toe te laten tot de toegangspoort van de hemel. Rechtsreeks naar Beëlzebub, lord of the flies. Koning van de duisternis. Dat was mijn bestemming. Eeuwig branden boven een laag pitje zonder ooit echt aan te branden.
“Je had nog drie maanden moeten lijden. Pas als je bijna gecrepeerd was en je om vergeving had gesmeekt, dan had je hier moeten staan. Dat doen ze namelijk altijd. Om vergeving vragen en als we ze dan een tijdje hebben laten zweten dan mogen ze toch binnen komen.”
“Maar ik heb niet eens de tijd gehad om vergeving te vragen”, reageerde ik.
“Ja, dit is nu weer typisch zo’n geval waarin niet is voorzien. Ik zie wel dat je er tijdens je leven een zooitje van hebt gemaakt. Ik zie ook dat je niet in mij of mijn meester hebt geloofd.”
“Dat was tijdens mijn leven. Maar nu ik dit zie allemaal… Wat is er eigenlijk aan de andere kant van die muur?”
“Daar is de eeuwigheid en oneindigheid. En je vindt er natuurlijk de beste harpisten. Het puikje van de zalm, mag ik wel zeggen.”
“Waarom sta ik hier in mijn eentje. En bovendien ten onrechte. Waar zijn de anderen?”
“De anderen?” vroeg Gabriel smalend. “Had je nog anderen hier verwacht?”
Gabriel lachte. “Jij hebt nooit in God geloofd. Je leefde als een beest, een nietsnut, een lamzak. Tjonge, wat heb jij er een zooitje van gemaakt. Maar je vroeg je nooit af of je hiermee God of de Duivel een plezier deed. Als je goed was, dan kwam het uit je hart en niet uit berekening. En als je slecht was, dan vreesde je alleen de mensen maar niet de goden. Ook dan was je jezelf. Nee mannetje, nu je dood bent zie je dat God wel degelijk bestaat. Had je niet verwacht zeker? Je mag naar binnen, als je wilt.”
“Zou ik niet eerst even in de hel mogen kijken?” vroeg ik aarzelend. “Niet dat ik het niet waardeer dat ik zomaar wordt toegelaten tot de oneindigheid en eeuwigheid. Maar ik heb zo’n idee dat ik de hel ook wel interessant vind”
Gabriel lachte. “Jij denkt dat je aan de hemelpoort staat. Maar zeg nou zelf, lijkt jou het eeuwig luisteren naar harpmuziek nu iets waar je als mens naar verlangt? Dit is toch een kwelling. Nee, hoor. Deze poort biedt je regelrecht toegang tot de hel,” en hij deed een stap opzij om mij naar binnen te laten.

woensdag 12 januari 2011

Kannibalisme, deel 2

In het half jaar dat ik bij de Chaboonies verbleef heb ik nimmer meer zo’n uitbundig feest meegemaakt als in de eerste dagen. Voor hen was het heel bijzonder dat zij zo’n kleine blanke man in hun gemeenschap opnamen. Dat het bijzonder voor mij was om zo lang af te zien van enig comfort in een onbekende en vaak vijandige omgeving spreekt voor zich.
Het dorpshoofd (de kepala adat) had op voorhand dertig varkens gekregen voor zijn gastvrijheid. Varkens en vrouwen en van beide veel, dat bepaalde de status van een Chaboonie.
‘s Lands wijs ‘s lands eer, zeg ik maar. Er zijn wel vreemdere manieren om je status op te vijzelen.
Omdat we hem geen vrouwen konden geven, kreeg Theys Hiyo Eluay, zo heette het dorpshoofd, dus varkens en hij was daar zeer tevreden over.
Ik kreeg hem voor het eerst te zien aan het eind van de eerste dag. Een grote gespierde man, met een enorme peniskoker en een botje door zijn neus. Voordat het gebruik van piercings in het vrije westen mode werd, waren er al talloze volken geweest die er genoegen in schepten om zichzelf op de één of andere manier te verminken. Een botje door je neus (later ontdekte ik dat het een vingerkootje was) was toch wel het minste. Bovendien hebben blanken altijd de verwachting dat een papoea rond loopt met een botje in zijn neus en toevallig klopte dit bij Theys Hiyo Eluay. In het half jaar dat ik er was heb ik verder geen andere papoea’s met een botje door hun neus gezien.

Theys Hiyo Eluay was een goedlachse kerel met veel gevoel voor humor.
Zo kreeg ik de eerste nacht een hut toegewezen die pikdonker was van binnen. Midden in de nacht voelde ik hoe iemand zacht een hand op mijn hoofd legde en toen ik wat wilde zeggen klonk er een zacht gesis, ten teken dat ik stil moest zijn. De hand ging naar beneden en pakte resoluut mijn kleine jongen vast en vervolgens werd deze opgeslokt door een gulzige mond. Natuurlijk wist ik niet wat ik moest doen. Ik was al lang blij dat mijn keel niet werd doorgesneden.
Het ging allemaal heel teder en geluidloos en toen ik klaar kwam leek dit op de spreekwoordelijke explosie, waarbij je oogballen uit je kassen puilen en je het gevoel kreeg onder een warme douche te staan. De vrouw, ik nam tenminste aan dat het een vrouw was, giechelde toen het voorbij was en verliet geruisloos de hut. Theys Hiyo Eluay had er al op gezinspeeld dat een echte man ’s nachts niet alleen kan blijven en dat hij er voor zou zorgen dat ik gezelschap kreeg.
Ik lag op mijn rug in het donker te staren en bedankte hem in gedachten voor zijn gastvrijheid.
De volgende dag hoopte ik er achter te komen wie mij die nacht verwend had. Ik besloot om het aan Theys Hiyo Eluay te vragen. Hij nam me mee naar een hut, riep iets naar binnen en even later kwam er een oude tandeloze vrouw naar buiten. Zij bleek de moeder van Theys Hiyo Eluay te zijn en was minstens tachtig jaar. Hij wees op haar, toen op mij en barstte in lachen uit.
Ik voelde me onpasselijk worden en hoewel ik het probeerde tegen te houden voelde ik hoe mijn mond voor een tweede keer vol liep met het nog niet verteerde ontbijt van die morgen. Daarna ging ik over mijn nek.

Gedurende een volle week werd er ’s avonds gefeest. Dans, muziek, eten en pinang noten, waarop men kauwde omdat ze een licht hallucinerende werking hebben.
Hoewel ik mij had voorgenomen om bij mijn onderzoek strikt wetenschappelijk te werk te gaan en zeker geen plannen had om nog vaker seks te hebben met een Chaboonie, moet ik met schaamte toegeven dat er van deze bedoelingen niets is terecht gekomen. Het is alleen omdat het zo lang geleden is dat ik het nu wel durf te bekennen. Ik was toen nog erg jong en viriel in plaats van de oude man die ik nu ben. Dat is het enige excuus dat ik kan aanvoeren.
In die week waren er twee Chabooniemeisjes die zich aan mij opdrongen. Het bleken zusjes te zijn.
Welwillend stond Theys Hiyo Eluay toe dat zij voor de duur van mijn verblijf mijn ‘gastvrouwen’ waren. Na al die jaren vraag ik me wel eens af wat er van hen is terecht gekomen. Want na mijn vertrek heb ik ze nooit meer gezien.

In de laatste maand van mijn verblijf noteerde ik in mijn logboek dat ik tot nu toe geen sporen van kannibalisme was tegengekomen. En dat ik in de resterende weken hier ook geen sporen van verwachtte te vinden.
Toen begon het dagenlang te regenen en trad het meer buiten zijn oevers.
Het was een vreselijke slagregen die maar niet ophield en uren achtereen de wereld geselde.
Theys Hiyo Eluay keek bezorgd naar het stijgende water. De altijd aanwezige brede lach op zijn gezicht was verdwenen en had plaats gemaakt voor een diepe frons in zijn voorhoofd. De goden moesten goed gestemd worden. Dat was wel duidelijk. Anders zou het hele dorp onder water lopen.
Ik ging met een klein groep mannen het bos in. Zo te zien op zoek naar een zoenoffer, maar ik wist niet dat dit zoenoffer zich al in het dorp bevond.
De jacht was een mislukking. Het had me sowieso al verbaasd dat we op jacht waren gegaan, want door de regen zag je geen hand voor je ogen. Bovendien waren de modderpaden in kleine, soms woest stromende beekjes veranderd. In mijn onnozelheid dacht ik dat er voor het brengen van een zoenoffer wel enige inspanning van iedereen mocht worden verwacht. En dat de regen daarom geen beletsel mocht zijn voor de jacht. Later kwam ik er achter dat men mij even kwijt wilde en dat de jacht alleen een afleidingsmanoeuvre was geweest.
Toen we tegen de avond terug kwamen heerste er een opgewonden sfeer in het dorp die ik niet kon thuis brengen. De angstige blikken wezen er op dat ze een geheim voor me hadden dat ze graag verborgen voor mij wilden houden. Omdat ze de ervaring hadden dat ‘de blanke man’ achter het best bewaarde geheim kon komen voelden ze zich niet op hun gemak. Aan de andere kant vertrouwden ze me en aangezien ik inmiddels op vele gebieden thuis was in hun stamleven wilden ze het vreselijke geheim dat ze hadden zowel verborgen houden ook met mij delen. Die onduidelijkheid en mogelijk hun schuldgevoelens waren vermoedelijk de reden voor hun opwinding.
Dit is een verklaring achteraf. Op dat moment besteedde ik niet te veel aandacht aan de situatie. Ik verklaarde het gedrag als angst voor het stijgende water en liet het daarbij.

Die avond aten alle mannen met elkaar in het mannenhuis. Nadat men de geesten van de voorouders bedankt had werd er gezongen. Het was een lied dat ik nog niet eerder had gehoord en dat heel weemoedig klonk. Ik zat naast Theys Hiyo Eluay. Hij zei me dat ik het als een grote eer moest zien dat ik mee mocht eten in het mannenhuis. Dat hij wel begreep dat ik uit een andere wereld kwam met andere gewoonten en andere omgangsvormen. Maar dat de Chaboonies moesten leven volgens de wensen van hun voorouders en niet volgens die van de blanken.
Hij zei nog veel meer, maar ik zag zijn verhaal als één grote verontschuldiging voor wat ze hadden gedaan, zonder dat ik maar een idee had waar het precies over ging.
Uit grote potten werd een soort soep opgeschept in kleine schalen, waar groenten en specerijen aan werden toegevoegd. De soep bestond uit stukken lekker mals vlees. Vermoedelijk kip, maar het kon ook rat zijn. Want dat stond ook op hun menu. Luid smakkend en slurpend zette men zich aan het eten. Alle botjes waren zorgvuldig verwijderd en ik had echt geen idee wat ik zat te eten. Totdat ik iets zoets in mijn mond proefde en zag dat het een klein oogje was. Het oog van een baby wel te verstaan.

Ik ben nog drie weken bij de Chaboonies gebleven. De dag na de ‘feestmaaltijd’ in het mannenhuis hield het op met regenen en begon het waterpeil in het meer te zakken.
Precies heb ik het nooit geweten, maar er moeten zeker drie baby’s in de maaltijd zijn verwerkt. Ik maakte mezelf wijs dat het ook apenvlees had kunnen zijn, maar wist eigenlijk wel dat het vlees van apen minder mals was dan het vlees dat ik gegeten had.
Nee, voor een tweede keer heb ik niet opgeschept. Ik vertelde Theys Hiyo Eluay niet wat ik wist. Ik schreef het zelfs niet op papier en nam het niet op in mijn onderzoeksrapport. Kortom, ik deed net of er niets was gebeurd. “Geen sporen aangetroffen van antropofagie”, vermeldde ik in mijn logboek.
Mijn promotieonderzoek heb ik nooit afgemaakt. In mijn boek “Living with two Chabooniegirls” heb ik uitgebreid verhaald over mijn tijd bij de Chaboonies. Over hun onbevangenheid met seks, hun gastvrijheid, hun rituelen. Er zitten prachtige foto’s bij. Misschien zet ik ze nog wel eens op internet, al zal ik ze dan eerst moeten inscannen.
Ik bewaar goede herinneringen aan mijn tijd bij hen. Het was vreemd om op zo’n wijze achter het kannibalisme bij de Chaboonies te komen. En weet je wat ik nou het ergste vind? Nee, niet dat ik babyvlees gegeten heb. Maar dat ik het erg lekker vond.

maandag 10 januari 2011

Kannibalisme, deel 1.

Degenen die mij beter kennen weten dat ik in de jaren zeventig ten behoeve van mijn promotieonderzoek als antropoloog gedurende een half jaar gewoond heb tussen de Chaboonies (spreek uit: Kaboenies) op Irian Jaya, het vroegere Nederlands Nieuw Guinea.
Doel van mijn onderzoek was om vast te stellen of het kannibalisme, waaraan de Chaboonies zich volgens de geruchten nog steeds in het geheim overgaven, zodanig was geritualiseerd, dat men het zelf zag als een noodzakelijke activiteit, die in het belang van het voortbestaan van de clan wel uitgevoerd moest worden. Zoals bij de vroegere maya's, die volgens de overlevering elke avond één van hun slaven ritueel om het leven brachten door, terwijl zij nog levend waren, bij hen het nog kloppende warme hart er uit te rukken.
Dit deed men omdat men dacht dat anders de zon de volgende dag niet meer op zou komen.
Van de rituelen van de Chaboonies was echter weinig tot niets bekend en voor een antropoloog was dit daarom een ideaal onderwerp om op te promoveren.
De Chaboonies zijn een Papoea stam die wonen aan de oevers van Lake Murray, zo’n tweehonderd kilometer landinwaarts. Chaboon betekent ‘geslachtsdaad’ en de Chaboonies staan bekend om hun onbevangenheid als het gaat om seks. Net als bij de bonobo’s lossen zij elk conflict hiermee op.
Als er een ruzie dreigt biedt de onderdanigste Chaboonie zichzelf aan om het conflict te de-escaleren. Hij draait dan zijn rug naar de ander en bukt voorover. Er werd om zo te zeggen stevig op los geneukt en hierbij werd er geen onderscheid gemaakt tussen jongeren, volwassenen en ouderen of tussen mannen en vrouwen.
De missionarissen die geprobeerd hadden om de Chaboonies tot het christendom te bekeren en enige van onze beschaafde omgangsvormen bij te brengen waren allemaal in de kookpot verdwenen. Tot zover de bijdrage van de Chaboonies aan een betere wereld.
Maar van de Chaboonies was ook bekend dat zij zich vermoedelijk zo af en toe overgaven aan kannibalisme. Oftewel antropofagie. Een bezigheid die steevast bij ons de voorpagina’s haalt als dit zich voordoet bij ons. Ook in de ‘beschaafde wereld’ komt het zo nu en dan voor dat mensen elkaar opeten. Bekend bij velen is het beroemde verhaal van het vliegtuigongeluk in de Andes op vrijdag 13 oktober 1972, waarbij de overlevenden zichzelf alleen in leven konden houden door de overleden passagiers op te eten.
Ondanks de geruchten was er in de laatste tien jaar geen bewijs meer gevonden van antropofagie bij de Chaboonies. Mijn schone taak was om hier naar op zoek te gaan en vervolgens duidelijk te krijgen wat het kannibalisme betekende voor de gemeenschap.
Sinds er regelmatig vliegtuigjes landden op Lake Murray en men beschikken kon over vers voedsel en vlees in blik of anderszins geconserveerd, was de noodzaak om de medemens op het menu te zetten verdwenen. Men kon nu op andere en meer gepaste wijze aan zijn eiwitten komen.
Die noodzaak was overigens altijd betrekkelijk, want het stikte van de vis in Lake Murray.
Omdat de gevreesde ziekte kuru bij enkele stamleden van de Chaboonies was vastgesteld vermoedde men dat zij zich nog wel degelijk overgaven aan antropofagie die, zoals bekend, bij wet al twintig jaar is verboden. Kuru is een prionziekte en leidt tot een vorm van ataxie. Mensen krijgen evenwichtsstoringen en hebben moeite met het coördineren van hun bewegingen. Daarnaast ontstaat er dementie en overlijden de zieken vaak binnen een jaar. Tot zover dit beknopte college over antropofagie en kuru.

Mijn vliegtuig landde op zo’n twintig meter van de oever. Nog voor de propeller tot stilstand was gekomen dreef er al een prauw naast het vliegtuig, die mij en mijn bagage naar de kant bracht.
Wat mij als eerste onmiddellijk opviel waren de rood geverfde penissen van de jongemannen en de rood geverfde tepels van de jonge vrouwen die mij omringden. Ik begreep dat dit een manier was om eerbied aan de vreemdeling te betonen en om deze op zijn gemak te stellen.
Later kwam ik er achter dat het gebruik van de verf op de geslachtsdelen deel uitmaakte van een initiatie rite die nu al een week aan de gang was en nog zeker drie weken zou duren.
Deze jonge mensen werden op deze wijze opgenomen in de wereld van de volwassenen.
De inwijding was een collectief gebeuren waar zeker dertig jongeren bij betrokken waren. Iedereen lachte en er werd vrolijk gezongen. De ontvangst was in ieder geval allerhartelijkst. De komende dagen zou ik er achter komen wat de Chaboonies onder gastvrijheid verstonden.

zaterdag 8 januari 2011

Ninja.

“Luister, mijn zoon. Het is nu bijna een halve eeuw geleden. Het verhaal dat ik je ga vertellen is de volle waarheid. Niets minder, niets meer. Ik vertel het je zodat je weet dat niemand aan zijn lot ontsnappen kan. De arme niet en de rijke niet. In de sterren staat met onuitwisbare letters geschreven wat onze toekomst is. En zelfs de Goden kunnen hier niets aan veranderen.”
Ik ging er wat gemakkelijker bij zitten. Op mijn leeftijd zit je in een schommelstoel comfortabeler dan in de lotushouding.
“Sappig. Dat was het eerste wat er in mij opkwam toen ik haar binnen zag komen. Geen uitgedroogde muts, maar iemand die van zichzelf en van het leven hield, zoals een vriend van mij die haar beter kende aan mij verteld had. Een mooie jonge vrouw die van seks kon genieten zoals dit ook bedoeld was. Ze had een sensuele uitstraling. Niet opgefokt maar op een natuurlijke wijze. Geen overdreven verlegenheid en geheimzinnigdoenerij. Geen “moet-je-zien-hoe-kwetsbaar-ik-ben” mentaliteit. Van dit soort spelletjes hield ze niet, had mijn vriend mij verteld. Sterker nog, ze verachtte haar seksgenoten die hun seks gebruikten om anderen te manipuleren.
Ik stond op van mijn stoel, gaf haar een hand en nodigde haar met een gebaar uit om tegenover me te gaan zitten. Ze nam me op van top tot teen en blijkbaar was ze tevreden over het resultaat.
Toen ik nog geen dertig was had ook ik het lichaam van een jonge God.
Ik kwam gelijk tot zaken. “Frank heeft je mij aanbevolen”, zei ik haar. “Je weet dat dit een levensgevaarlijke klus is?”
“Dat weet ik.”, zei ze kortaf.
Ze had mooie bruine ogen en haar blik straalde rust uit.
“Wat weet je precies? Wat heeft Frank je allemaal verteld?”
“Dat het om een liquidatie gaat. En dat je daarvoor een ninja zoekt”.
Ik keek nog eens goed naar haar. Frank had gelijk. Ze was in alles zo echt als het maar zijn kon. Ze had niet alleen een prachtig figuur, ze straalde van de energie. Dat zij de baas was over haar eigen lichaam en dat anderen daar alleen aan mochten komen met haar toestemming had menige vrijpostige kerel, die dacht dat hij haar wel eens even zou laten zien wie er de baas was, tot zijn schrik ontdekt. Ze had jarenlang op ballet gezeten en zowel een zwarte band in jiujitsu als in taekwondo.
Met haar één meter zestig mocht ze dan wel niet zo imponerend zijn, maar met haar lenigheid, snelheid en kracht had ze tijdens de vele wedstrijden waaraan ze had mee gedaan al menig grote kerel overwonnen. En de enkelen die de vergissing hadden begaan om haar lastig te vallen op straat of in een uitgaansgelegenheid vroegen zich steevast af wat er gebeurd was als ze met een bebloede kop weer uit hun bewusteloosheid waren bijgekomen. Maar zoals ze er bij zat, zo ontspannen, zo mooi vrouwelijk, was het moeilijk om je voor te stellen dat zij tot doden in staat was.”

Ik keek mijn zoon onderzoekend aan. Kon hij zich voorstellen hoe ik daar tegenover haar gezeten had en dat zij uit vrije wil naar mij toe was gekomen om in opdracht mijn grootste vijand te doden?
Dat dit een keerpunt in mijn leven zou zijn?
“Ik heb haar verteld wat de bedoeling was en ze accepteerde de opdracht. Ik had haar een ton beloofd, want dat was het me wel waard om verlost te zijn van mijn kwelgeest. Een maand later werd zijn lichaam zwaar verminkt op een bed in een hotelkamer gevonden. Zijn hoofd lag er naast.”
Mijn zoon pakte mijn hand, keek me rustig aan en zei: “Pa, ik weet dat je vroeger een gewelddadig leven hebt geleid. Maar ik vroeg je hoe je ma hebt ontmoet. Was het liefde op het eerste gezicht?” “Dat was het zeker,” zei ik. “En ik heb je net verteld hoe ik haar ontmoet heb”.

donderdag 6 januari 2011

Hande

Het eerste wat je aan haar opviel was haar schitterende lach. Haar ouders hadden haar Hande genoemd, wat lach betekent. En ze deed haar naam eer aan.
Hande was al heel lang in Nederland, maar ze sprak de Nederlandse taal heel slecht. En ze begreep hem nog veel minder. Van haar man had ze jarenlang het huis niet uit gemogen. Behalve dan als het niet anders kon. Nee, geslagen had hij haar nooit. Maar ook niet gerespecteerd zoals hij haar ouders had beloofd.
Sinds ze in Nederland woonde voelde ze zich geen Turkse, maar ook geen Hollandse.
Met haar kinderen sprak ze een koeterwaals van Turks en Nederlands. Haar dochter Asli kreeg de kansen die ze zelf niet had gehad. Natuurlijk had haar man zich geërgerd aan de westerse manieren van Asli, maar hij had geen greep op haar kunnen krijgen. Hande genoot hier wel van, al liet ze het niet aan hem merken.
Nu hij er niet meer was leek het alsof de deuren van haar kooi waren open gegaan. Toch ging ze nog weinig de deur uit. Van vrijheid moet je leren genieten en ze had hierin nooit leermeesters gehad.
Nu zat ze in de tram, op weg naar de markt. Toen de conducteur kwam wilde ze hem een briefje van vijftig euro geven. “Heeft u niet kleiner”, vroeg hij geïrriteerd. Ze bleef hem vriendelijk toelachen en hield het briefje van vijftig omhoog, alsof ze zeggen wilde “ Pak het dan, als je kan, je kunt het toch niet pakken”. Eerlijk gezegd begreep ze niet wat hij van haar verlangde. Waarom pakte hij het geld niet aan?
“ Als u het niet kleiner heeft dan moet u er straks uit en het geld ergens wisselen”. Hij had op wat luidere toon gesproken. Zoals je tegen een dove praat die je niet kunt verstaan. Zij verstond hem wel, maar ze begreep hem niet goed. De conducteur, zo te zien een Marokkaan, liep door en zuchtte nauwelijks hoorbaar “Die buitenlanders begrijpen nooit iets als het hun niet uitkomt.”
De vrouw had het briefje weer terug gestopt in haar portemonnee en zocht nu naar wat kleingeld. Haar lach was geen moment van haar gezicht verdwenen. Ze vond slechts vijf munten van twintig eurocent. En drie stuivers. Ze keek naar het geld in haar hand en naar de conducteur die nu bijna achterin de tram bij een stelletje jonge knullen was aangekomen. Misschien kon ze het geld aan hem geven als hij straks weer langs kwam.
De deuren gingen open en er stapten vier grote kerels en een vrouw in uniform naar binnen.
“Wilt u allemaal uw vervoersbewijs bij de hand houden?” sprak de grootste van het vijftal met een mooie bruine stem.” De controleurs verspreidden zich over de tram.
“Uw vervoersbewijs alstublieft” . De grote man met de mooie bruine stem keek Hande vragend aan.
Ze lachte vriendelijk en pakte weer het briefje van vijftig uit haar portemonnee.
“Nee mevrouw. U moet geen kaartje bij mij kopen. U had een kaartje moeten kopen bij de conducteur. Als u geen kaartje heeft dan moet u straks bij de volgende halte even met ons uitstappen. Dan krijgt u van mij een boete.” Hande lachte nog steeds. Ze begreep wel dat de controleur iets vervelends gezegd had, maar wat hij bedoelde had ze niet begrepen.
Plotseling klonk er luid geschreeuw van achter uit de tram. Een vechtpartij. De controleur liep haastig naar achteren om zijn collega’s, die in gevecht waren geraakt met de jongens achterin, bij te staan.
Op hetzelfde moment stopte de tram. De markt. Hande stond op en liep achter een aantal passagiers aan naar buiten. Eerder verbaasd dan verbijsterd keek ze naar het heftige gezwaai van bovenlichamen, armen en hoofden achterin de tram. Blijkbaar had het ingrijpen van de grote controleur nog niet veel effect gehad. Ze schudde haar hoofd. Mannen. Altijd maar druk doen.
Als ze straks haar boodschappen gedaan had zou ze genoeg kleingeld hebben om hiermee een kaartje terug naar huis te kunnen kopen. Vandaag had ze geleerd dat je met kleingeld betalen moet in de tram. En met een stralende glimlach op haar gezicht liep ze de drukke markt op.

woensdag 5 januari 2011

De kluizenaar

De oude man zat ingesloten door de sneeuw en kon nergens heen. Gelukkig was zijn comfortabele ruime blokhut goed verwarmd en had hij voldoende voedsel en drinken opgeslagen. Hier in het hoge noorden bleef de sneeuw wel vijf maanden liggen en hij zou zich moeten redden met wat hij had.
Het was nu kerstmis en hij had de huiskamer van zijn hut versierd met de kleine dennentakjes, die hij van de blokken hout had afgezaagd die in de schuur lagen. Bij het aanleggen van zijn voorraad had hij een aantal boomstammetjes met takken en al bij het hout gelegd en dat kwam nu goed van pas.
De oude man had het tot nu toe geweldig naar zijn zin.
Hij had zeker anderhalve maand geen mens gezien. Hij bezat alleen een kleine radiozender waarmee hij met de buitenwereld communiceerde. Daar kon ook muziek mee ontvangen worden, maar meestal was het stil in de hut en zat hij te schrijven. Zijn fantasie voerde hem mee naar onbekende en verre werelden en hij probeerde de verhalen uit die werelden naar zijn eigen wereld te halen en zo goed mogelijk op papier te krijgen. Hij schreef nog met een pen en door heel de blokhut heen lagen stapels aantekeningen en onafgemaakte verhalen. Want alleen als hij er tevreden over was sloot hij een verhaal af.
Hij zat nu zeker al een uur voor zich uit te staren. Zijn hoofd was op een vreemde manier helemaal leeg. Zo leeg dat je er in kon verdwalen zonder het te merken. Want nergens had je houvast. Overal was leegte.
Het was twee weken geleden begonnen. Eerst ontstonden er leegten tussen de zinnen. Na elke zin was het even oordovend stil en dan begon er uiteindelijk weer een nieuwe zin. Het leek of zijn gedachten in slow-motion gingen. Hij observeerde het proces in zichzelf en verbaasde zich er over. Dit had hij nog nooit eerder meegemaakt.
Na een paar dagen ontstonden er ook steeds grotere leegten om de woorden heen. Ze waren niet meer met elkaar verbonden, maar vormden kleine eilandjes in een zee van leegte.
De eilandjes losten op in de steeds maar groeiende zee. Uiteindelijk verdwenen ze.
Deze morgen was hij opgestaan met het gevoel alsof hij net was opgestegen uit een grote diepte.
Eerst was er complete duisternis, die overging in een soort schemering die langzaam oploste in een zacht licht dat steeds helderder werd. Uiteindelijk was het licht zo helder dat het hem zeer aan de ogen deed. Opeens had hij beseft dat zijn ogen nog gesloten waren. Pas toen hij ze open deed verdween het felle licht.
Toen hij een uur geleden aan zijn kerstverhaal begon verscheen het licht weer, maar deze keer waren zijn ogen geopend. Toen hij ze sloot verdween het licht niet.
Hij snapte er niets van. Wat gebeurde er met hem? Had hij misschien een hersenbloeding? Was er iets ernstigs met hem aan de hand? Maar deze gedachten losten al heel snel op, het licht verdween en wat bleef was een eindeloze leegte. En daar zat hij nu al een uur in gevangen.

Vijf maanden later. Het was lente en twee wandelaars, een man van middelbare leeftijd en zijn jongere vriendin, haastten zich naar de blokhut om te schuilen voor een donderbui. De regen kwam bijna kolkend als in een woeste bergstroom omlaag gekletterd en geselde alles en iedereen op haar weg naar beneden.
Ze bonsden op de deur van de hut, maar er werd niet open gedaan. Toen de vrouw de deurklink neerdrukte bleek de deur open te zijn. Beiden gingen snel naar binnen. Hier was het tenminste droog.
Ze zagen dat ze in een soort van open keuken stonden. Alles zag er verzorgd uit. Potten en pannen op het fornuis en de keukenkastjes; borden, schalen en bestek in de grote wandkast met de glazen deuren.
Nieuwsgierig keken ze om zich heen en vroegen zich af waar ze terecht waren gekomen. De man besloot intuïtief het huis verder te verkennen, maar deinsde terug toen hij een blik in de kamer naast de keuken had geworpen. Zijn blozende gezicht was opeens asgrauw geworden.
De vrouw schrok toen ze dit zag. Maar ze was ook heel benieuwd wat haar oudere vriend zo aan het schrikken had gemaakt. Toen ze naast hem ging staan keek ze in de lege ogen van de kale schedel die voor een deel was weggezakt in het versteende skelet achter het bureau.
Ze huiverde. Hoewel ze zeker wist dat degene die haar aanstaarde zo dood was als maar kon zijn, leek het toch alsof het lijk nog leefde.
Toen ze hun eerste schrik overwonnen hadden liepen ze naar het bureau toe, dat bezaaid was met losse vellen papier. De man had zo te zien heel veel geschreven. Ze pakte een velletje van het bureau, las wat er op stond en trok haar wenkbrauwen op. Toen pakte ze een ander velletje. En nog een. Ze stootte haar vriend aan. “Je moet dit eens lezen”, zei ze op een bezwerende toon.
Hij pakte het van haar aan en las “Ik ben nu ergens anders nodig. Allemaal de groeten”. Regel na regel. Alle blaadjes waren volgeschreven met dezelfde zin. “ Ik vraag me af waar hij heen is gegaan”, zei de vrouw. “Hier is hij in ieder geval niet meer”.

dinsdag 4 januari 2011

Liefde op afstand

Ze is straalverliefd. Heeft last van motten in haar buik en vlinders in haar hoofd. En van eczeem op haar dijen zodat ze voortdurend moet krabben tegen de jeuk.
Ze staart droefgeestig door het raam naar buiten en geniet van de prachtige zonsondergang.
“Was ze maar hier”, denkt ze. Maar ze weet dat haar schat nu thuis zit bij haar man. Verliefd worden op je docente is niet altijd even handig, vooral als deze getrouwd is. Maar voor haar is het uitstekend.
Ze heeft er een gewoonte van gemaakt om alleen onmogelijke liefdes in haar leven toe te laten.
Nee, aan een liefde met iemand die echt van haar houdt en die meer van haar wil dan een kus op de wangen moet ze niet denken.
Al haar liefdes heeft ze zorgvuldig gekozen. Ze selecteert ze op afstand. Pas als een potentiële kandidaat onbereikbaar in de liefde is geeft ze zich gewonnen.
Haar moeder was na de scheiding alleen gebleven en had haar vanaf haar derde jaar alleen opgevoed. En ze had van haar al haar neuroses meegekregen als bruidsschat voor elke onbereikbare geliefde die ze in haar hart wilde sluiten.
Kees had vandaag opnieuw geprobeerd om haar op school te versieren. En al vond ze dat hij beslist een lekker kontje had, ze was beslist niet van zijn avances gediend. Maar Kees was een watje en vormde geen gevaar. Ze hield hem met gemak op afstand.
Nee, met Marco had ze meer problemen. Hij kon zijn handen niet thuis laten en als het even kan zat hij aan haar te plukken, terwijl hij gore grapjes maakte die klip en klaar duidelijk maakten wat hij graag op zijn menu had staan.
“Ik haal voor vanavond een kant-en-klaar maaltijd”, zegt ze tegen zichzelf. Want ze heeft geen zin om te koken. Ze moet zich haasten, want de winkels gaan dicht.
Als ze na een half uur weer thuis komt en de deur open doet wordt ze ruw van achteren beetgepakt, terwijl ze tegelijk naar beneden word gedrukt. Ze wil zich omdraaien maar haar aanrander is te sterk. Ze probeert nog te gillen, maar een hand houdt een doekje met een ziekenhuisluchtje voor haar gezicht. Dan verliest ze het bewustzijn.

Vandaag is het niet zo’n fijne dag. Ze zit bij het raam en ziet de vlammend rode kleuren van de ondergaande zon. Ze huivert. Het doet haar denken aan bloed, aan geweld, aan pijn. Kees heeft haar gebeld en ze hadden samen een fijn gesprek. Nee, hij kon niet langs komen. Sinds kort had hij een vriendin en die zou dat niet zo fijn vinden. Hij alleen met een andere vrouw. Dat begreep ze vast wel.
“Natuurlijk begrijp ik dat”, had ze gezegd. Maar ze had het wel vreselijk jammer gevonden dat hij haar had laten zitten.

maandag 3 januari 2011

Venetië.

Na een lange reis door Joegoslavië met een VW-busje ben ik eindelijk in Venetië aangekomen.
Het reisgezelschap is uiteen gevallen. Iedereen gaat weer in zijn eentje verder.
De tocht vanuit Thessaloníki heeft bijna vijf dagen geduurd en ik ben blij dat ik mijn benen weer normaal kan strekken. Mijn laatste geld is opgegaan aan het goedkope vliegticket van Tel Aviv naar Athene en de reiskosten van het busje. Ik moet nog naar Wiesbaden, maar met wat geluk ben ik daar overmorgen.
Venetië is een geweldige stad en ik kijk mijn ogen uit, ook al heb ik dan geen cent te makken.
Waar ik vannacht slaap weet ik nog niet. Het is zacht weer en desnoods leg ik mijn slaapzak ergens tussen de struiken. Dat heb ik al zo vaak gedaan.
Een groep van zeker zo’n tien jonge meisjes komt joelend voorbij. Ze kijken naar me en ik kijk brutaal terug. Ik voel me zelfverzekerd met mijn bruine kop en mijn rugzak vol avonturen. “Kom maar op dames”, denk ik. “ Ik lust jullie rauw.”
Ze blijken uit Engeland te komen en voor ik besef wat er gebeurt word ik met hen meegenomen.
Een klein blondje drukt zich stevig tegen me aan alsof ze mijn vriendinnetje is.
De groep strijkt neer op een terras om een pizza te eten. Het blondje weet inmiddels van me dat ik nagenoeg door mijn geld heen ben en tot mijn aangename verrassing wordt er wat geld ingezameld zodat ook ik een fatsoenlijke maaltijd kan krijgen.
Ook de rest van de avond blijf ik bij de meiden. De rugzak die ik bij me heb is licht en zit me niet in de weg. Er worden flessen drank gekocht en we worden allemaal dronken. Ik ben moe van het vele reizen en de alcohol stijgt al snel naar mijn hoofd.
Als het blondje er achter komt dat ik voor vannacht geen slaapplaats heb besluit de groep om mij het hotel in te smokkelen waar ze met elkaar overnachten.
De dogenstad is een sprookje in het donker en ik beleef alles wat er gebeurt als in een roes.
Ik heb tijdens het reizen geleerd om mij over te geven aan de grillen van het lot in het vertrouwen dat het altijd goed komt. En tot nu toe blijkt dit een goede houding te zijn geweest.
Waar ik echter deze keer geen rekening mee heb gehouden is om mij bij het drinken een beetje in te houden. Ik zie de lachende gezichten nog voor me. Ik hoor het opgewonden gebabbel wat ik niet helemaal volgen kan. Ik voel hoe ik over mijn eigen benen struikel en overeind gehouden word. En dan zijn er grote gaten in mijn geheugen.
Als ik wakker word heb ik het koud. Ik lig hier in de struiken en mijn half geopende slaapzak is klam.
Waar is iedereen? Mijn rugzak ligt gelukkig naast me. Ik zie een boek dat het blondje gisteravond aan mij liet zien. Irrational Man: A Study in Existential Philosophy. Geschreven door William Barret. Het ligt op de rugzak.
Ik ga met mijn benen opgetrokken zitten en probeer me tevergeefs te herinneren wat er is gebeurd.
Blijkbaar is het plannetje om mij het hotel in te smokkelen niet gelukt. Of hebben ze er vanaf gezien omdat ik zo dronken was.
Ik voel hoe er een grijns op mijn gezicht verschijnt. Het had natuurlijk wel leuk geweest als ik tussen de dekens wakker geworden zou zijn met zo’n heerlijk warm zacht lijfje tegen me aan. Maar ik kan de humor er wel van inzien dat het anders is gelopen.
Ik sta op en pak mijn spullen bij elkaar. De snelweg is niet ver en er zullen wel meer lifters staan. De zon opent de nevelsluiers die over het water hangen, de dag is nog jong, ik voel me heerlijk smerig en het leven lacht me toe. Venetië is een mooie ervaring geweest.

zondag 2 januari 2011

Het winnende lot.

Er was er eens een oude man. Hij heette Maarten en was die dag 70 jaar geworden.
Voor zichzelf had hij enkele bossen bloemen gekocht en een stoel met slingers versierd. Daar zat hij nu in en keek tv. Met een zuinig mondje nipte hij aan een glaasje champagne.
Niemand die hem vandaag had gefeliciteerd. Niemand die iets van zich had laten horen. Zijn ex-vrouw Margot niet. Zijn kinderen niet. Vrienden had hij niet en de vage kennissen die hij had wisten alleen van hem dat hij vroeger docent was geweest.
Vorig jaar was hij in december naar Thailand gegaan. Daar had hij zijn verjaardag uitbundig gevierd met een paar Thaise hoeren. Dit jaar had hij daar geen geld voor. Hij stond nu al twee maanden rood.
Het drong niet tot hem door waarnaar hij zat te kijken. Toen hij dit besefte deed hij de televisie uit en staarde nog enkele minuten met een lege blik naar het zwarte scherm, waarna hij opstond en naar het raam liep.
Vanaf de zeventiende verdieping kon hij duidelijk de heldere lichtjes van Utrecht zien.
Het verkeer op de A28 in de richting Amersfoort kroop als een grote lichtgevende slang heel langzaam voort.
“Al die kleine mensjes. Wat stelt dit nu eigenlijk voor?” dacht hij somber.
Uit de kast bij het raam haalde hij twee tijdschakelaars. Hij gebruikte deze altijd voor als hij met vakantie ging. Eerst stelde hij de schakelaar voor het licht in. Elke avond om vijf uur sprong vanaf morgen de huiskamerlamp en het licht in de keuken automatisch aan.
Hierna programmeerde hij de schakelaar voor de televisie, zodat deze vanaf morgen automatisch om zes uur aan sprong.
Beide schakelaars schakelden om 12 uur uit. Dan was het weer stil en donker in huis.
Nadat hij de tijdschakelaars ingesteld had ging hij naar de badkamer en liet het bad vol lopen.
Hij deed alle lichten in huis uit. De gordijnen aan de kant van de galerij waren gesloten zodat niemand naar binnen kon kijken.
Toen dit gebeurd was ging hij weer terug naar de badkamer, kleedde zich uit en liet zich voorzichtig in het warme water zakken. De temperatuur was behaaglijk.
“Het is mooi geweest”, dacht hij nog, waarna hij met een scheermesje eerst zijn linker pols en daarna zijn rechter pols doorsneed. Hij voelde zich langzaam wegglijden in het duister.

Vier weken later zag heel Nederland hoe Winston Gerschtanowitz met een grote bos bloemen onder zijn armen en een koffertje in zijn linkerhand ’s avonds ergens aanbelde om de bewoners gelukkig te maken met de kanjerprijs van drie miljoen euro. “Er is wel iemand thuis”, zei hij. “De lichten branden en ik hoor mijn eigen stem op de televisie als ik mijn oor tegen het raam leg.”
Nieuwsgierige buren hadden zich inmiddels ook op de galerij bij de televisieploeg gevoegd. Op tv hadden ze de hele karavaan in de richting van het flatgebouw zien lopen en opgewonden waren ze naar buiten gegaan. “Het is bij die oude man”, zeiden ze teleurgesteld tegen elkaar, toen ze zagen waar Winston aanbelde. Maar hoe lang hij ook belde of tikte op het raam, er werd niet open gedaan. Pas toen de politie later de deur had geforceerd werd duidelijk waarom.

Het is lente en ik zit op een terrasje bij het water. Thessaloníki is in het voorjaar mijn favoriete vakantiebestemming. Schuin tegenover me zit een mooie rijzige vrouw. Ik schat dat ze ongeveer zestig is. Ze gaat gekleed als een bohemienne. Geen goedkope rommel, maar kleding uit de stal van Pierre Cardin. Ze leest de Telegraaf.
Ik spreek haar aan omdat ze ook Hollands is en even later zitten we gezellig met elkaar koffie te drinken met een glaasje Metaxa er naast.
Ze lijkt behoefte te hebben aan gezelschap en is uiterst spraakzaam. Ze vertelt me dat ze Margot heet. Haar ex-man, God hebben zijn ziel, was afgelopen winter overleden. Hij had haar veel geld nagelaten. Ze was gestopt met werken en reisde nu heel de wereld af. Ze vertelt dat ze reizen heerlijk vindt, maar dat ze zich in haar eentje soms wel eens eenzaam voelt.
“Weet je,” zegt ze, “ik had sinds onze scheiding vier jaar geleden geen contact meer met hem gehad. Ik belde hem alleen nog als hij jarig was. Hij heeft nooit de moeite genomen om het testament dat we destijds hadden opgesteld te veranderen. Hij had het geld zelf ook goed kunnen gebruiken, maar was er net uitgestapt toen hij van de postcodeloterij een smak geld kreeg. Bizar.”
Ik kijk haar begripvol aan. Al ben ik zelf pas veertig, ik ben dol op oudere vrouwen met geld. Het is mijn enige bron van inkomen en mijn ervaring is dat als ze je lief vinden ze alles voor je over hebben.
Deze Margot lijkt me iemand die mijn gezelschap wel waardeert. Wel, lieve Margot, vanaf nu is het gedaan met je eenzaamheid. Ik ben van plan om nog lang bij je te blijven.

zaterdag 1 januari 2011

De eerste dag.

Het heeft iets decadents om zo’n eerste dag van het jaar af te bouwen met een glaasje Heidsieck en een combisigaret van bubblegum en Nepal. Dit jaar, zo heeft men ons gewaarschuwd, gaan we immers met z’n allen de crisis pas echt voelen. Het zij zo. Niets is blijvend. Tot het zover is nemen we het er nog maar eens van.
De behoefte om mijn gedachten te ordenen via het geschreven woord heeft de laatste weken ontbroken. Het is dat ik met mezelf de afspraak gemaakt heb om weer bijna dagelijks wat te schrijven voor mijn weblog, anders had ik dit vandaag echt niet gedaan.
Net als zovele anderen heb ik last van een winterdip. Dat ik de laatste weken door een blessure niet heb kunnen rennen is hier mede debet aan. Ik mis mijn endorfinekick. Morgen ga ik het weer een half uurtje proberen. Wie weet doe ik dan ook inspiratie op voor een nieuw gruwelsprookje.