Ma. 06-12-10
Gisteravond nog even bij Anja geweest. Had haar een week niet gezien. Gezellig zitten praten, wat gedronken, wippie gemaakt en beloofd dat ik haar wat foto’s op zal sturen van het feest bij Lowie vorige week. Ze gaf me haar slipje mee zodat ik aan haar zou blijven denken.
Om twee uur ’s nachts knetterstoned naar bed gegaan, negen uur er uit, want ik had ’s middags om twee uur een sollicitatiegesprek en dan moet je scherp zijn.
Mooi op tijd voor het gesprek, vriendelijke ontvangst door personeelsfunctionaris en afdelingschef.
Afdelingschef is snipverkouden, heeft geen zakdoek, ik geef hem de mijne maar dat blijkt het slipje van Anja te zijn, dat ik vanmorgen in mijn binnenzak gestopt had zodat ik er af en toe aan kon ruiken.
Chef heeft geen gevoel voor humor, einde gesprek.
Hierna gebeld naar contactpersoon bij UWV en afspraak gemaakt voor woensdag.
Vanavond de krant doorgespit naar vacatures. Niks gevonden. Behalve een vacature voor een praktijkdocent op een Mbo-opleiding. Die stond er vorige week ook in. Maar wie wordt er nou docent? Misschien als je het echt niet meer weet. Lijkt me een hondenbaan. Ik heb wel de juiste papieren, maar het schijnt dat die docenten tegenwoordig allemaal gestrest zijn door de werkdruk.
Straks nog een paar uurtjes tappen in ‘De cactus’. Zwart natuurlijk. Samen met m’n WW zit ik net boven mijn oude salaris. Zo hou ik het nog wel een paar maanden uit.
Di. 07-12-10
Het is nu drie uur. Ik ben net wakker. Gisteravond met jongens van ‘De cactus’ na sluitingstijd een paar uur gepokerd. Had één keer een Royal flush. Uiteindelijk €125,- verloren. Dus gisteravond voor niks getapt.
Wo. 08-12-10
Vandaag bij het UWV geweest. Ze vinden dat ik meer moet solliciteren. Ik ben nog geen drie maanden werkloos dus ik snap niet waarom ze zo moeilijk doen. Dat mens van het UWV toonde mij dezelfde vacature voor praktijkdocent als ik in de krant heb gezien. Ze vond me wel een type voor het onderwijs. Ik weet niet hoe ze daar bij komt. Ik heb niks met die kiddo’s en zelf heb ik ook niet zulke geweldige herinneringen aan school. Ik vond mijn leraren allemaal losers en dat waren ze ook.
En nou zou ik zelf voor de klas moeten gaan staan? Gaat toch weg. Daar is het leven veel tekort voor.
Do. 09-12-10
Ik ben zuur. De lul. De pineut. Hoe je het ook noemen wil, ik ben er bij. Dat mens van het UWV stapte gisteravond met een paar vriendinnen van haar ‘De cactus’ binnen. Ik zag haar pas toen ze een biertje bij me bestelde. Eerst dacht ik nog dat ze me niet herkend had al kon ik mij dat niet voorstellen. Pas toen ze weg ging vroeg ze me om haar vandaag even te bellen. “Je kent mijn naam en je hebt mijn nummer”, zei ze poeslief. Ik kreeg nog twee euro tip van haar.
Straks bel ik haar. Mijn uitkering zal wel beëindigd worden. Mooi shit. Misschien moet ik toch maar op die baan van praktijkdocent solliciteren.
Epiloog.
Ik zit nu bijna vijfentwintig jaar in het onderwijs. Er is veel veranderd sinds ik begon. Destijds wees alles er op dat ik moest solliciteren op de functie van praktijkdocent. Alsof het voorbestemd was.
Het is een rot baan, precies zoals ik had verwacht. Zeker twee maanden van het jaar ben ik ziek. Dan zit ik thuis op de bank een beetje appelig voor me uit te staren.
Veel van mijn werk doe ik vanuit huis. Dat is wel fijn. Maar het lijkt wel of het werk nooit af is.
Die kiddo’s vallen wel mee. Een enkele galbak uitgezonderd maar die kom je overal tegen. Het is allemaal wat anders gelopen dan ik had gedacht. Of dit sprookje een happy end heeft wacht ik maar af.
maandag 6 december 2010
zaterdag 4 december 2010
De eenzame boer.
Voor dit gruwelsprookje heb ik mij laten inspireren door een lekkere platte bak. Ik vond hem wel leuk en wou dat ik hem zelf had verzonnen.
Er was er eens een boer die tien koeien had. Hij was zeventig jaar en weduwnaar. Zijn naam was Krelis. Vroeger al, toen zijn vrouw nog leefde, kwam ik elke zaterdag bij hem langs voor een paar liter verse melk. Ik woon twee kilometer van zijn boerderij vandaan. De verse melk van zijn koeien is zo romig dat je geen andere melk meer wilt als je deze hebt geproefd.
Op zekere dag trof ik hem zuchtend op een bankje voor het huis. Ik groette en vroeg hem wat er aan de hand was. “Sommige dingen kun je niet uitleggen”, zei Krelis en staarde naar de punten van zijn klompen. Omdat ik hem vragend aan bleef kijken begreep hij dat hij nu wel verder moest met zijn verhaal. “Ik wilde zo-even Clara melken, maar ze was een beetje nukkig. Ze schopte telkens de emmer om met haar rechter achterpoot. Ik heb die poot toen vastgebonden.”
Hij zuchtte opnieuw en mompelde “Sommige dingen kun je niet uitleggen”.
Ik keek hem nog steeds niet begrijpend aan, waarop hij verder ging met zijn verhaal.
“Er zat net een bodempje melk in de emmer of ze schopt hem opnieuw om, maar deze keer met haar linker achterpoot. Die heb ik toen natuurlijk ook vastgebonden. Snap je?” Ik knikte. Maar wat was nu het probleem? “Sommige dingen kun je niet uitleggen”, zuchtte de boer.
“Ga eens verder met je verhaal”, drong ik aan.
“Goed, ik weer onder de koe. Begint ze met haar staart te zwiepen. Ik denk, die bind ik gewoon vast aan een balk. Dus ik pak een kruk, zet die achter de koe neer. Ik kijk of ik ergens een touw zie, maar dat is er niet en ik besluit om de riem van mijn broek te gebruiken. Dus ik de riem van mijn broek losgemaakt en de staart vastgebonden aan de riem. Ik klim op de kruk die achter de koe staat en gooi de riem over de balk en trek de staart omhoog. Ik sta nog steeds op de kruk achter de koe als plotseling mijn broek naar beneden zakt. Op hetzelfde moment komt mijn vrouw de stal in….Ik zei al, sommige dingen kun je niet uitleggen”.
Dit was tien jaar geleden. Krelis is nu al 5 jaar weduwnaar. Zijn leeftijd en de eenzaamheid beginnen hun tol te eisen. Erg goed kan hij niet meer voor zichzelf zorgen.
Ik kom nog steeds zaterdag mijn twee liter melk halen.
Hij had me laatst verteld dat hij van plan is om zijn koeien te laten slachten en de boerderij te verkopen. Van het geld wil hij een aanleunwoning kopen bij een verzorgingshuis. Dan kon hij toch zelfstandig blijven wonen en als het nodig was van de diensten van het verzorgingshuis gebruik maken.
Als ik bij hem het erf oprijd is het huis donker. Alleen de lamp bij het hek brandt, maar die gaat automatisch branden als de schemer invalt. Het is hartje winter en het heeft gevroren.
Krelis gaat nooit weg. Zou er soms iets aan de hand zijn?
Tarzan, de grote waakhond van Krelis die ik nog heb gekend als puppy, komt op me afgelopen.
Hij piept onrustig. Niets voor Tarzan. Hij loopt in de richting van de stal en begint voor de deur te janken. Ik doe de staldeur open. Het is donker. Links van de deur zit de lichtschakelaar. Ik doe het licht aan. De koeien van Krelis liggen op het hooi te herkauwen. Met hun grote bruine ogen kijken ze mij verbaasd aan, alsof ze willen zeggen “Wat moet jij hier?” Ik zie Krelis op de grond liggen. Zijn gezicht naar beneden. Zijn lichaam ziet er geknakt uit. Het is één grote bloederige massa. Zijn broek hangt om zijn enkels. Naast hem ligt een omgevallen krukje. Ik zie de drie touwen die hij vastgebonden heeft aan de balken van de stal. Twee aan de zijkanten en één aan een balk aan de vliering. De koeien herkauwen rustig door en storen zich niet aan Tarzan, die nieuwsgierig aan het lijk snuffelt. Er loopt een rilling over mijn rug. Tjonge, wat is het hier koud.
De koeien zijn de volgende dag opgehaald door een boer verderop. Die had nog ruimte in zijn stallen en was wel bereid om ze straks bij de afwikkeling van de nalatenschap over te nemen. Het waren mooie melkkoeien. Hij had ze vroeger al eens van Krelis willen kopen, maar die vroeg er teveel voor.
Tarzan heb ik in huis genomen. We kunnen goed met elkaar opschieten en anders had hij misschien naar het asiel gemoeten. Ja, de koeien van Krelis en zijn waakhond Tarzan leefden na de dood van Krelis in ieder geval nog lang en gelukkig.
Er was er eens een boer die tien koeien had. Hij was zeventig jaar en weduwnaar. Zijn naam was Krelis. Vroeger al, toen zijn vrouw nog leefde, kwam ik elke zaterdag bij hem langs voor een paar liter verse melk. Ik woon twee kilometer van zijn boerderij vandaan. De verse melk van zijn koeien is zo romig dat je geen andere melk meer wilt als je deze hebt geproefd.
Op zekere dag trof ik hem zuchtend op een bankje voor het huis. Ik groette en vroeg hem wat er aan de hand was. “Sommige dingen kun je niet uitleggen”, zei Krelis en staarde naar de punten van zijn klompen. Omdat ik hem vragend aan bleef kijken begreep hij dat hij nu wel verder moest met zijn verhaal. “Ik wilde zo-even Clara melken, maar ze was een beetje nukkig. Ze schopte telkens de emmer om met haar rechter achterpoot. Ik heb die poot toen vastgebonden.”
Hij zuchtte opnieuw en mompelde “Sommige dingen kun je niet uitleggen”.
Ik keek hem nog steeds niet begrijpend aan, waarop hij verder ging met zijn verhaal.
“Er zat net een bodempje melk in de emmer of ze schopt hem opnieuw om, maar deze keer met haar linker achterpoot. Die heb ik toen natuurlijk ook vastgebonden. Snap je?” Ik knikte. Maar wat was nu het probleem? “Sommige dingen kun je niet uitleggen”, zuchtte de boer.
“Ga eens verder met je verhaal”, drong ik aan.
“Goed, ik weer onder de koe. Begint ze met haar staart te zwiepen. Ik denk, die bind ik gewoon vast aan een balk. Dus ik pak een kruk, zet die achter de koe neer. Ik kijk of ik ergens een touw zie, maar dat is er niet en ik besluit om de riem van mijn broek te gebruiken. Dus ik de riem van mijn broek losgemaakt en de staart vastgebonden aan de riem. Ik klim op de kruk die achter de koe staat en gooi de riem over de balk en trek de staart omhoog. Ik sta nog steeds op de kruk achter de koe als plotseling mijn broek naar beneden zakt. Op hetzelfde moment komt mijn vrouw de stal in….Ik zei al, sommige dingen kun je niet uitleggen”.
Dit was tien jaar geleden. Krelis is nu al 5 jaar weduwnaar. Zijn leeftijd en de eenzaamheid beginnen hun tol te eisen. Erg goed kan hij niet meer voor zichzelf zorgen.
Ik kom nog steeds zaterdag mijn twee liter melk halen.
Hij had me laatst verteld dat hij van plan is om zijn koeien te laten slachten en de boerderij te verkopen. Van het geld wil hij een aanleunwoning kopen bij een verzorgingshuis. Dan kon hij toch zelfstandig blijven wonen en als het nodig was van de diensten van het verzorgingshuis gebruik maken.
Als ik bij hem het erf oprijd is het huis donker. Alleen de lamp bij het hek brandt, maar die gaat automatisch branden als de schemer invalt. Het is hartje winter en het heeft gevroren.
Krelis gaat nooit weg. Zou er soms iets aan de hand zijn?
Tarzan, de grote waakhond van Krelis die ik nog heb gekend als puppy, komt op me afgelopen.
Hij piept onrustig. Niets voor Tarzan. Hij loopt in de richting van de stal en begint voor de deur te janken. Ik doe de staldeur open. Het is donker. Links van de deur zit de lichtschakelaar. Ik doe het licht aan. De koeien van Krelis liggen op het hooi te herkauwen. Met hun grote bruine ogen kijken ze mij verbaasd aan, alsof ze willen zeggen “Wat moet jij hier?” Ik zie Krelis op de grond liggen. Zijn gezicht naar beneden. Zijn lichaam ziet er geknakt uit. Het is één grote bloederige massa. Zijn broek hangt om zijn enkels. Naast hem ligt een omgevallen krukje. Ik zie de drie touwen die hij vastgebonden heeft aan de balken van de stal. Twee aan de zijkanten en één aan een balk aan de vliering. De koeien herkauwen rustig door en storen zich niet aan Tarzan, die nieuwsgierig aan het lijk snuffelt. Er loopt een rilling over mijn rug. Tjonge, wat is het hier koud.
De koeien zijn de volgende dag opgehaald door een boer verderop. Die had nog ruimte in zijn stallen en was wel bereid om ze straks bij de afwikkeling van de nalatenschap over te nemen. Het waren mooie melkkoeien. Hij had ze vroeger al eens van Krelis willen kopen, maar die vroeg er teveel voor.
Tarzan heb ik in huis genomen. We kunnen goed met elkaar opschieten en anders had hij misschien naar het asiel gemoeten. Ja, de koeien van Krelis en zijn waakhond Tarzan leefden na de dood van Krelis in ieder geval nog lang en gelukkig.
donderdag 2 december 2010
Een eenvoudig man, deel 2.
“Jazeker”, antwoordde ik. “Ben je nog bij haar langs geweest?”
Theo grijnsde. “Zeker, ik kom mijn beloftes altijd na. Zodra ik kon ben ik naar haar toe gegaan om haar te vertellen dat het nooit mijn bedoeling was geweest om haar tot weduwe te maken. Ik bedoel, toen ik destijds haar man, ja hoe zal ik het zeggen, toen ik haar man dus een pak slaag gaf, had hij dat wel verdiend. Hoe kon ik weten dat hij een hartprobleem had? Ik wilde hem alleen duidelijk maken dat hij zijn verplichtingen na moest komen. En als hij dat niet deed dat hij daar een prijs voor zou moeten betalen.”
Ik herhaalde wat ik hem eerder al had verteld: “Ik weet dat je hem alleen maar wat fatsoen wilde bijbrengen. Daar hebben we het destijds vaak met elkaar over gehad.”
“Kijk, jij bent slimmer dan ik. Maar ik ben sterker”, ging Theo verder alsof hij me niet gehoord had. “Iedereen moet blij zijn met de talenten die hij van God heeft meegekregen. Toch? Dat is niet voor niets. Anders had je ze net zo goed niet kunnen hebben.”
Hij keek mij aan alsof hij tegenspraak van mij verwachtte.
“Je hebt helemaal gelijk Theo”, zei ik. “Als je niks met je talenten doet had je ze net zo goed niet kunnen hebben. We hebben het daar uitgebreid met elkaar over gehad. Jij had helemaal niet de bedoeling om die man dood te slaan. Hij had gewoon moeten betalen. Dat wist hij van tevoren.”
“Juist, het was gewoon pech. Niet dat ik het niet erg vond. Ik heb het er ook moeilijk mee gehad. Zeker toen ik hoorde dat hij nog een vrouw had. Maar ik heb je gezegd dat ik naar haar toe zou gaan om haar mijn verontschuldiging en mijn diensten aan te bieden.”
“Theo, ik heb er geen moment aan getwijfeld dat je dat zou doen. Ik weet dat voor jou eer heel belangrijk is en ik heb je altijd een man van eer gevonden. Dat weet je.”
“Ik herinner het mij goed Herman. Ik weet dat je me nooit hebt veroordeeld. Je hebt mij destijds erg geholpen door het allemaal te leren zien als pure pech. Maar goed, ik zal je iets vertellen….”
Theo lachte alsof hij op het punt stond om mij een goede mop te vertellen.
“Weet je, toen ik vrij kwam ben ik gelijk naar haar toe gegaan. Het bleek een prachtige vrouw te zijn. Wat zeg ik? Ze was bloedmooi. Ik wist niet wat ik zag. Ze was helemaal niet boos op me. Ze zei dat ik mijn werk gewoon had gedaan en dat het een ongeluk was geweest. Ik vond haar heel begripvol. Ik heb haar wat geholpen met wat geldzaken en weet je wat er gebeurde?”
Hij keek ondeugend. Ik haalde mijn schouders op. Geen idee.
“We werden verliefd op elkaar. Stom, hè? We werden steeds intiemer, gingen uit eten met elkaar en opeens vroeg ik haar zomaar ten huwelijk. Natuurlijk niet zomaar. Ik had er wel over nagedacht, maar ik had van mezelf niet verwacht dat ik dat zou doen. Het was natuurlijk wel een vreemde situatie.”
Hij pakte zijn portemonnee. Er zat een foto in van een vrouw met een kind op schoot.
Toen ik de foto zag schoot het bloed naar mijn hoofd. Dit kon niet waar zijn. Zij?
Wat ik nog niet verteld had was dat ik als vrijgezel zo af en toe naar een nachtclub ga. Ik mag dan wel niet veel waarde hechten aan spulletjes, maar ik spendeer maandelijks een flink bedrag aan mooie vrouwen. Voor nog geen € 100,- heb ik vaak een geweldige tijd. Ik herkende de vrouw van Theo onmiddellijk als iemand die ik vier maanden geleden nog gezien had in een gerenommeerde seksclub in leiden. Ik was drie keer naar de club geweest en zij was er altijd. Mooi en lief. Eerlijk gezegd was ik van plan geweest om vanavond weer te gaan, maar door de kou en de sneeuw was ik van gedachte veranderd. En zij was de vrouw van Theo?
“Mooie vrouw,” zei ik. “Doet zij ook nog wat voor de kost?”
“Ze werkt in een bar,” antwoordde Theo. “Ergens in Leiden. ’s Avonds gaan we vaak tegelijk de deur uit. Ik naar mijn nachtclub en zij naar haar bar. We hebben allebei een auto, dus dat is geen probleem.”
Ik luisterde maar met een half oor en probeerde mij het bizarre van de situatie voor te stellen. Hier zat ik met een oude gabber uit de bajes, die getrouwd was met de vrouw van de man die hij per ongeluk had dood geslagen. En ik ging met zijn vrouw plat zonder dat ik wist dat hij haar man was en hij wist niet dat zijn vrouw in een seksclub werkte en niet in een bar.
Zoals ik Theo kende had ze tot nu toe geluk gehad. Als hij hier achter kwam dan zou hij haar misschien de hersens in slaan. Maar het was natuurlijk ook niet goed dat hij niet wist dat zijn vrouw de hoer uit hing. Deed ze dit misschien uit wraak? Had ze dit altijd gedaan?
Moest ik Theo vertellen wat ik wist? Moest ik mijn mond houden? Ik wist het niet en eerlijk gezegd weet ik het nog niet. Wat moest ik doen?
In ieder geval besloot ik ter plekke dat ik haar niet meer zou bezoeken in Leiden.
“Wat vind je van haar?” vroeg Theo. “Mooie vrouw”, zei ik naar waarheid.
“Je zou eens bij ons moeten komen eten”, vervolgde hij. “Ze kan goed koken.”
Hij boog zich naar mij toe. “Ik weet niet wat ze in het eten doet. Maar als ze weer eens zo lekker heeft gekookt wil ik maar één ding.”
Hij keek me veelbetekenend aan. “Begrijp je?” Ik knikte. Waarom moest ik nu opeens aan mijn geld in Zwitserland denken. Aan een leven hier ver weg vandaan?
Het was goed om Theo weer eens te zien. En te weten dat hij zo gelukkig was. Maar voor mij werd het nu toch wel tijd om mijn plannen om eens een grote reis te maken om te zetten in daden. Zodat ook ik een lang en gelukkig leven zou hebben.
Theo grijnsde. “Zeker, ik kom mijn beloftes altijd na. Zodra ik kon ben ik naar haar toe gegaan om haar te vertellen dat het nooit mijn bedoeling was geweest om haar tot weduwe te maken. Ik bedoel, toen ik destijds haar man, ja hoe zal ik het zeggen, toen ik haar man dus een pak slaag gaf, had hij dat wel verdiend. Hoe kon ik weten dat hij een hartprobleem had? Ik wilde hem alleen duidelijk maken dat hij zijn verplichtingen na moest komen. En als hij dat niet deed dat hij daar een prijs voor zou moeten betalen.”
Ik herhaalde wat ik hem eerder al had verteld: “Ik weet dat je hem alleen maar wat fatsoen wilde bijbrengen. Daar hebben we het destijds vaak met elkaar over gehad.”
“Kijk, jij bent slimmer dan ik. Maar ik ben sterker”, ging Theo verder alsof hij me niet gehoord had. “Iedereen moet blij zijn met de talenten die hij van God heeft meegekregen. Toch? Dat is niet voor niets. Anders had je ze net zo goed niet kunnen hebben.”
Hij keek mij aan alsof hij tegenspraak van mij verwachtte.
“Je hebt helemaal gelijk Theo”, zei ik. “Als je niks met je talenten doet had je ze net zo goed niet kunnen hebben. We hebben het daar uitgebreid met elkaar over gehad. Jij had helemaal niet de bedoeling om die man dood te slaan. Hij had gewoon moeten betalen. Dat wist hij van tevoren.”
“Juist, het was gewoon pech. Niet dat ik het niet erg vond. Ik heb het er ook moeilijk mee gehad. Zeker toen ik hoorde dat hij nog een vrouw had. Maar ik heb je gezegd dat ik naar haar toe zou gaan om haar mijn verontschuldiging en mijn diensten aan te bieden.”
“Theo, ik heb er geen moment aan getwijfeld dat je dat zou doen. Ik weet dat voor jou eer heel belangrijk is en ik heb je altijd een man van eer gevonden. Dat weet je.”
“Ik herinner het mij goed Herman. Ik weet dat je me nooit hebt veroordeeld. Je hebt mij destijds erg geholpen door het allemaal te leren zien als pure pech. Maar goed, ik zal je iets vertellen….”
Theo lachte alsof hij op het punt stond om mij een goede mop te vertellen.
“Weet je, toen ik vrij kwam ben ik gelijk naar haar toe gegaan. Het bleek een prachtige vrouw te zijn. Wat zeg ik? Ze was bloedmooi. Ik wist niet wat ik zag. Ze was helemaal niet boos op me. Ze zei dat ik mijn werk gewoon had gedaan en dat het een ongeluk was geweest. Ik vond haar heel begripvol. Ik heb haar wat geholpen met wat geldzaken en weet je wat er gebeurde?”
Hij keek ondeugend. Ik haalde mijn schouders op. Geen idee.
“We werden verliefd op elkaar. Stom, hè? We werden steeds intiemer, gingen uit eten met elkaar en opeens vroeg ik haar zomaar ten huwelijk. Natuurlijk niet zomaar. Ik had er wel over nagedacht, maar ik had van mezelf niet verwacht dat ik dat zou doen. Het was natuurlijk wel een vreemde situatie.”
Hij pakte zijn portemonnee. Er zat een foto in van een vrouw met een kind op schoot.
Toen ik de foto zag schoot het bloed naar mijn hoofd. Dit kon niet waar zijn. Zij?
Wat ik nog niet verteld had was dat ik als vrijgezel zo af en toe naar een nachtclub ga. Ik mag dan wel niet veel waarde hechten aan spulletjes, maar ik spendeer maandelijks een flink bedrag aan mooie vrouwen. Voor nog geen € 100,- heb ik vaak een geweldige tijd. Ik herkende de vrouw van Theo onmiddellijk als iemand die ik vier maanden geleden nog gezien had in een gerenommeerde seksclub in leiden. Ik was drie keer naar de club geweest en zij was er altijd. Mooi en lief. Eerlijk gezegd was ik van plan geweest om vanavond weer te gaan, maar door de kou en de sneeuw was ik van gedachte veranderd. En zij was de vrouw van Theo?
“Mooie vrouw,” zei ik. “Doet zij ook nog wat voor de kost?”
“Ze werkt in een bar,” antwoordde Theo. “Ergens in Leiden. ’s Avonds gaan we vaak tegelijk de deur uit. Ik naar mijn nachtclub en zij naar haar bar. We hebben allebei een auto, dus dat is geen probleem.”
Ik luisterde maar met een half oor en probeerde mij het bizarre van de situatie voor te stellen. Hier zat ik met een oude gabber uit de bajes, die getrouwd was met de vrouw van de man die hij per ongeluk had dood geslagen. En ik ging met zijn vrouw plat zonder dat ik wist dat hij haar man was en hij wist niet dat zijn vrouw in een seksclub werkte en niet in een bar.
Zoals ik Theo kende had ze tot nu toe geluk gehad. Als hij hier achter kwam dan zou hij haar misschien de hersens in slaan. Maar het was natuurlijk ook niet goed dat hij niet wist dat zijn vrouw de hoer uit hing. Deed ze dit misschien uit wraak? Had ze dit altijd gedaan?
Moest ik Theo vertellen wat ik wist? Moest ik mijn mond houden? Ik wist het niet en eerlijk gezegd weet ik het nog niet. Wat moest ik doen?
In ieder geval besloot ik ter plekke dat ik haar niet meer zou bezoeken in Leiden.
“Wat vind je van haar?” vroeg Theo. “Mooie vrouw”, zei ik naar waarheid.
“Je zou eens bij ons moeten komen eten”, vervolgde hij. “Ze kan goed koken.”
Hij boog zich naar mij toe. “Ik weet niet wat ze in het eten doet. Maar als ze weer eens zo lekker heeft gekookt wil ik maar één ding.”
Hij keek me veelbetekenend aan. “Begrijp je?” Ik knikte. Waarom moest ik nu opeens aan mijn geld in Zwitserland denken. Aan een leven hier ver weg vandaan?
Het was goed om Theo weer eens te zien. En te weten dat hij zo gelukkig was. Maar voor mij werd het nu toch wel tijd om mijn plannen om eens een grote reis te maken om te zetten in daden. Zodat ook ik een lang en gelukkig leven zou hebben.
woensdag 1 december 2010
Een eenvoudig man, deel 1.
Er was er eens een eenvoudige man. Ik laat hem hier zijn verhaal vertellen, want dat kan hij beter dan ik.
Mijn naam is Herman, van beroep financieel adviseur, 35 jaar en sinds twee jaar gescheiden. Gelukkig zijn er geen kinderen en is mijn ex-vrouw zelf in staat om voor een inkomen te zorgen. Dat betekent dat we elkaar na de scheiding uit het oog zijn verloren.
U heeft mij vast wel eens gezien. Naast u in het openbaar vervoer, tegenover u aan tafel in de bibliotheek of gewoon ergens op straat. Ik zal u niet zijn opgevallen want ik zie er gewoontjes uit. Een doorsnee man, tenger gebouwd, normale lengte, bril en al wat kalend op mijn achterhoofd. Dat wist ik tot voor kort zelf niet, maar iemand heeft me er op gewezen. Eerst schrok ik natuurlijk, maar nu ben ik er aan gewend. Ik draag sindsdien wel een hoed.
Ik heb een klein adviesbureau en werk twee dagen per week als accountant voor een verzekeringsbedrijf. Mijn uitgaven zijn minimaal en ik overdrijf niet als ik zeg dat ik maandelijks een flink bedrag opzij kan zetten. Overigens interesseert het me niet zoveel hoeveel ik verdien. Sinds mijn scheiding leef ik alleen voor mezelf en ik heb niet veel nodig. Geldzorgen hebben lijkt mij in deze samenleving , waarin we omkomen in onze eigen overvloed, één van de ergste dingen. Misschien omdat ik weet dat ik veel van al die spulletjes kopen kan doe ik het niet. Mijn huis is dan ook eenvoudig ingericht en ik wil dit zo houden.
Sinds mijn scheiding ga ik naar de kroeg. Thuis word ik door de stilte naar buiten gejaagd.
Niet dat ik zo’n gezelligheidsmens ben. Integendeel. Ik heb mij in het gezelschap van mensen altijd onhandig gevoeld en dat heb ik nog steeds. Als ik in de kroeg zit dan word ik het liefst met rust gelaten. Ik kan dan rustig om mij heen kijken en naar de gesprekken luisteren die er worden gevoerd. Luisteren kan ik goed. Niets ontgaat me. Als kind al probeerde ik de gesprekken tussen mijn ouders te begrijpen. Tevergeefs, natuurlijk. Al kon ik aan de wijze waarop ze met elkaar praatten wel horen of ze ruzie met elkaar hadden of goed met elkaar waren. Meestal hadden ze ruzie. Mijn vader was een driftig man en kon zijn handen niet altijd thuis houden. Na de scheiding, ik was toen negen jaar, heeft mijn moeder mij alleen opgevoed. Broertjes of zusjes had ik niet. Misschien dat ik mij daarom onder de mensen altijd een beetje ongemakkelijk heb gevoeld.
Maar genoeg over mij. Ik wil u iets vertellen wat mij gisteravond is overkomen. Ik zit er een beetje mee en u bent misschien de enige die mij begrijpt en mij een advies zou kunnen geven.
Gisteren zat ik hier ook. Bijna op dezelfde plek. De barman had mij een wit biertje ingeschonken en ik zat rustig de te lezen toen er een schaduw over mijn krant viel. Ik keek opzij, recht in het bebaarde gezicht van een reus. Dat was tenminste mijn eerste indruk.
De man had een ernstige blik in zijn donkere ogen en keek mij vriendelijk aan.
“Herman?” vroeg hij. Ik herkende de stem onmiddellijk. “Theo?”. Er verscheen een brede grijns op zijn gezicht. Hij pakt mij bij de schouders en schudde mijn hand. Het leek of mijn arm er werd afgerukt.
“Hoe gaat het met je? Dat is lang geleden.”
“Zeker vijf jaar”, was mijn reactie.
“Vijf jaar? Ja, het zal wel. Alles goed?”
“Prima. Ja hoor , alles goed. En met jou?”
“Ook goed”. We stonden als kleine jongens te glunderen. Alsof we vroeger de grootste vrienden waren geweest. Dat was niet het geval, maar we deelden beiden wel een deel van ons leven. We zaten allebei gedurende zeker twee jaar bij elkaar in dezelfde cel. Toen ik vrij kwam moest Theo nog een jaartje zitten. Ik heb hem nog één keer opgezocht, maar hij begreep wel dat dat de laatste keer was.
Ik bestelde twee biertjes en Theo ging naast me op een lege kruk zitten. Zijn kolossale gestalte leek in de krappe ruimte van de cel wel twee keer zo groot, maar ook nu werd ik geïmponeerd door deze oersterke man, die zijn eigen krachten niet kende.
Ik hoorde van Theo dat hij tegenwoordig uitsmijter was bij een bekende nachtclub. Hij was getrouwd en had een zoon. Het leek er op dat hij zijn leven goed op de rails had gekregen na zijn gevangenisstraf.
Ik aarzelde met het stellen van een vraag die eigenlijk gelijk in mij opkwam toen ik hem had herkend. Misschien zou hij er zelf wel over beginnen.
“Nog steeds in geldzaken?” vroeg Theo aan me. Ik knikte. Ik vertelde hem dat ik een eigen bedrijfje had en een paar dagen in loondienst werkte. Bijna kwam ik in de verleiding om hem te vertellen van mijn nevenverdiensten, maar dit leek mij niet verstandig. Hoe minder mensen dit wisten des te beter.
Destijds hadden mijn illegale activiteiten mij ontzettend veel geld opgeleverd. Een groot deel daarvan stond nog steeds op een bank in Zwitserland, maar ook al was ik jaren vrij, ik durfde het niet op te nemen omdat ik het idee had dat ik nog steeds in de gaten werd gehouden. Wat ook zo was.
“Je zult je wel afvragen of ik nog contact heb opgenomen met die weduwe?” begon Theo opeens tot mijn verrassing. Het onderwerp kwam op zo’n natuurlijke manier ter sprake alsof we het er gisteren nog over hadden gehad.
Mijn naam is Herman, van beroep financieel adviseur, 35 jaar en sinds twee jaar gescheiden. Gelukkig zijn er geen kinderen en is mijn ex-vrouw zelf in staat om voor een inkomen te zorgen. Dat betekent dat we elkaar na de scheiding uit het oog zijn verloren.
U heeft mij vast wel eens gezien. Naast u in het openbaar vervoer, tegenover u aan tafel in de bibliotheek of gewoon ergens op straat. Ik zal u niet zijn opgevallen want ik zie er gewoontjes uit. Een doorsnee man, tenger gebouwd, normale lengte, bril en al wat kalend op mijn achterhoofd. Dat wist ik tot voor kort zelf niet, maar iemand heeft me er op gewezen. Eerst schrok ik natuurlijk, maar nu ben ik er aan gewend. Ik draag sindsdien wel een hoed.
Ik heb een klein adviesbureau en werk twee dagen per week als accountant voor een verzekeringsbedrijf. Mijn uitgaven zijn minimaal en ik overdrijf niet als ik zeg dat ik maandelijks een flink bedrag opzij kan zetten. Overigens interesseert het me niet zoveel hoeveel ik verdien. Sinds mijn scheiding leef ik alleen voor mezelf en ik heb niet veel nodig. Geldzorgen hebben lijkt mij in deze samenleving , waarin we omkomen in onze eigen overvloed, één van de ergste dingen. Misschien omdat ik weet dat ik veel van al die spulletjes kopen kan doe ik het niet. Mijn huis is dan ook eenvoudig ingericht en ik wil dit zo houden.
Sinds mijn scheiding ga ik naar de kroeg. Thuis word ik door de stilte naar buiten gejaagd.
Niet dat ik zo’n gezelligheidsmens ben. Integendeel. Ik heb mij in het gezelschap van mensen altijd onhandig gevoeld en dat heb ik nog steeds. Als ik in de kroeg zit dan word ik het liefst met rust gelaten. Ik kan dan rustig om mij heen kijken en naar de gesprekken luisteren die er worden gevoerd. Luisteren kan ik goed. Niets ontgaat me. Als kind al probeerde ik de gesprekken tussen mijn ouders te begrijpen. Tevergeefs, natuurlijk. Al kon ik aan de wijze waarop ze met elkaar praatten wel horen of ze ruzie met elkaar hadden of goed met elkaar waren. Meestal hadden ze ruzie. Mijn vader was een driftig man en kon zijn handen niet altijd thuis houden. Na de scheiding, ik was toen negen jaar, heeft mijn moeder mij alleen opgevoed. Broertjes of zusjes had ik niet. Misschien dat ik mij daarom onder de mensen altijd een beetje ongemakkelijk heb gevoeld.
Maar genoeg over mij. Ik wil u iets vertellen wat mij gisteravond is overkomen. Ik zit er een beetje mee en u bent misschien de enige die mij begrijpt en mij een advies zou kunnen geven.
Gisteren zat ik hier ook. Bijna op dezelfde plek. De barman had mij een wit biertje ingeschonken en ik zat rustig de te lezen toen er een schaduw over mijn krant viel. Ik keek opzij, recht in het bebaarde gezicht van een reus. Dat was tenminste mijn eerste indruk.
De man had een ernstige blik in zijn donkere ogen en keek mij vriendelijk aan.
“Herman?” vroeg hij. Ik herkende de stem onmiddellijk. “Theo?”. Er verscheen een brede grijns op zijn gezicht. Hij pakt mij bij de schouders en schudde mijn hand. Het leek of mijn arm er werd afgerukt.
“Hoe gaat het met je? Dat is lang geleden.”
“Zeker vijf jaar”, was mijn reactie.
“Vijf jaar? Ja, het zal wel. Alles goed?”
“Prima. Ja hoor , alles goed. En met jou?”
“Ook goed”. We stonden als kleine jongens te glunderen. Alsof we vroeger de grootste vrienden waren geweest. Dat was niet het geval, maar we deelden beiden wel een deel van ons leven. We zaten allebei gedurende zeker twee jaar bij elkaar in dezelfde cel. Toen ik vrij kwam moest Theo nog een jaartje zitten. Ik heb hem nog één keer opgezocht, maar hij begreep wel dat dat de laatste keer was.
Ik bestelde twee biertjes en Theo ging naast me op een lege kruk zitten. Zijn kolossale gestalte leek in de krappe ruimte van de cel wel twee keer zo groot, maar ook nu werd ik geïmponeerd door deze oersterke man, die zijn eigen krachten niet kende.
Ik hoorde van Theo dat hij tegenwoordig uitsmijter was bij een bekende nachtclub. Hij was getrouwd en had een zoon. Het leek er op dat hij zijn leven goed op de rails had gekregen na zijn gevangenisstraf.
Ik aarzelde met het stellen van een vraag die eigenlijk gelijk in mij opkwam toen ik hem had herkend. Misschien zou hij er zelf wel over beginnen.
“Nog steeds in geldzaken?” vroeg Theo aan me. Ik knikte. Ik vertelde hem dat ik een eigen bedrijfje had en een paar dagen in loondienst werkte. Bijna kwam ik in de verleiding om hem te vertellen van mijn nevenverdiensten, maar dit leek mij niet verstandig. Hoe minder mensen dit wisten des te beter.
Destijds hadden mijn illegale activiteiten mij ontzettend veel geld opgeleverd. Een groot deel daarvan stond nog steeds op een bank in Zwitserland, maar ook al was ik jaren vrij, ik durfde het niet op te nemen omdat ik het idee had dat ik nog steeds in de gaten werd gehouden. Wat ook zo was.
“Je zult je wel afvragen of ik nog contact heb opgenomen met die weduwe?” begon Theo opeens tot mijn verrassing. Het onderwerp kwam op zo’n natuurlijke manier ter sprake alsof we het er gisteren nog over hadden gehad.
maandag 29 november 2010
De ideale deelnemer..eh..leerling..eh…student.
Er was er eens een erg begripvolle jonge student. Gezien zijn achtergrond en leeftijd had hij nog geen oog ontwikkeld voor de fundamentele conflicten die nu eenmaal deel uitmaken van het menselijk bestaan. Hij dacht oprecht dat de docenten en leerlingen (Die tegenwoordig studenten werden genoemd na jarenlang ‘deelnemers’ te zijn geweest. Sommigen moesten er nog aan wennen, want in het woord ‘ student’ zit het woord ‘studeren’ verborgen en deelnemer ben je al als je je op school hebt ingeschreven.) dezelfde belangen hadden.
Mensen waren in zijn ogen van nature goed, een enkeling uitgezonderd. En omdat je het moet doen met hoe jij de wereld ervaart, zou je zijn begripvolle houding ook naïef kunnen noemen.
Hij was de ideale leerling. Kwam nooit te laat, was altijd aanwezig, haalde alleen maar goede cijfers, stond altijd klaar voor een praatje of een vriendelijk woord, was begripvol als er weer eens een les uitviel, een docent zich voor langere tijd ziek meldde zonder dat deze gelijk werd vervangen, de cijfers op zijn lijst niet klopten, zijn coach geen tijd voor hem had om hem te coachen (“Jij hebt dat toch niet nodig, jongen. Moet je eens zien wat een mooie lijst je hebt. Als er wat is kun je me altijd mailen…” “Ik begrijp dat u het druk hebt en dat u daarom mijn laatste vier mailtjes niet hebt beantwoord”. Enzovoorts.) of er niemand was om hem op zijn stage te bezoeken. Ja, hij was één en al begrip.
Als het rumoerig in de klas was vroeg hij zijn klasgenoten beleefd om stilte zodat de docent verder kon met de les. En omdat men hem zo aardig vond werd er naar hem wel geluisterd en kon de docent door gaan met het geven van les.
Volwassenen waren aangenaam verrast door zijn onbevangenheid. Niets leek hem uit zijn evenwicht te kunnen brengen. Hij luisterde naar het geklaag om hem heen, vroeg de klagers of ze wel zagen dat iedereen van het personeel zijn stinkende best deed, niemand was tenslotte perfect en het was overal een chaos dus waarom zou het hier anders zijn? En als ze dan met elkaar in discussie gingen en na afloop iedereen het er over eens was dat er niemand rond liep die bewust de boel ontregelde en dat je alles moest zien als deel van een groter geheel, niemand aangesproken kon worden op zijn verantwoordelijkheid omdat iedereen (en dus niemand) verantwoordelijk was en school behalve zinvol helaas ook een noodzakelijk kwaad, dan voelden ze zich als een familie met elkaar verbonden.
Deze begripvolle levenshouding, want zo zou je het wel kunnen noemen, maakte het makkelijk voor zijn omgeving om hem niet helemaal serieus te nemen als hij ook eens met vragen of een probleem zat. Niet uit onwil, maar men had het ook zo druk. Zoals gezegd, ook daar had hij begrip voor.
Die anderen, die het mopperen maar niet konden laten en zich weinig begripvol toonden naar docenten die hun afspraken niet na kwamen of hun werk niet naar behoren deden, die waren maar lastig. Je kon ze wel een tijdje negeren, maar degenen die zich niet lieten afpoeieren moest je dan toch uiteindelijk wel de aandacht geven waar ze zo om zeurden.
Natuurlijk was hij na een paar jaar niet meer zo naïef als toen hij met zijn opleiding begon. Tijdens zijn stage had hij gezien hoe zijn hardwerkende collega’s er vaak slechts met veel moeite in slaagden om soms de gestelde doelen te bereiken. Hij zag het verdriet op de werkvloer, hoe men vocht om het hoofd boven water te houden. Hij ontdekte dat de klanten niet zo hulpeloos waren als hij altijd had gedacht, kortom hij ontwikkelde een realistische kijk op mensen.
Maar hij verloor geen energie met gemopper. Want hij had ontdekt dat dit niets hielp.
Niemand zag dat hij ook de school anders begon te ervaren. Hij bleef de vriendelijke en onbevangen student die iedereen kende. Zo was hij nu eenmaal. Maar hij zag ook dat net als op zijn stage miscommunicatie de regel was en communicatie de uitzondering. Dat men heel ingewikkeld en volwassen deed over in wezen eenvoudige zaken. Dat er ook veel verdriet op de werkvloer van de school aanwezig was.
“Het is niet anders”, dacht hij. “Ik geloof dat ik volwassen begin te worden. Jammer.”
Hoe dan ook, je zult niet verbaasd zijn dat deze begripvolle leerling zijn studie een jaar eerder dan gepland succesvol kon afronden. Hij leefde nog lang en gelukkig, maar of je dit ook kunt zeggen van al die volwassen en bijna volwassen mopperkonten…?
Mensen waren in zijn ogen van nature goed, een enkeling uitgezonderd. En omdat je het moet doen met hoe jij de wereld ervaart, zou je zijn begripvolle houding ook naïef kunnen noemen.
Hij was de ideale leerling. Kwam nooit te laat, was altijd aanwezig, haalde alleen maar goede cijfers, stond altijd klaar voor een praatje of een vriendelijk woord, was begripvol als er weer eens een les uitviel, een docent zich voor langere tijd ziek meldde zonder dat deze gelijk werd vervangen, de cijfers op zijn lijst niet klopten, zijn coach geen tijd voor hem had om hem te coachen (“Jij hebt dat toch niet nodig, jongen. Moet je eens zien wat een mooie lijst je hebt. Als er wat is kun je me altijd mailen…” “Ik begrijp dat u het druk hebt en dat u daarom mijn laatste vier mailtjes niet hebt beantwoord”. Enzovoorts.) of er niemand was om hem op zijn stage te bezoeken. Ja, hij was één en al begrip.
Als het rumoerig in de klas was vroeg hij zijn klasgenoten beleefd om stilte zodat de docent verder kon met de les. En omdat men hem zo aardig vond werd er naar hem wel geluisterd en kon de docent door gaan met het geven van les.
Volwassenen waren aangenaam verrast door zijn onbevangenheid. Niets leek hem uit zijn evenwicht te kunnen brengen. Hij luisterde naar het geklaag om hem heen, vroeg de klagers of ze wel zagen dat iedereen van het personeel zijn stinkende best deed, niemand was tenslotte perfect en het was overal een chaos dus waarom zou het hier anders zijn? En als ze dan met elkaar in discussie gingen en na afloop iedereen het er over eens was dat er niemand rond liep die bewust de boel ontregelde en dat je alles moest zien als deel van een groter geheel, niemand aangesproken kon worden op zijn verantwoordelijkheid omdat iedereen (en dus niemand) verantwoordelijk was en school behalve zinvol helaas ook een noodzakelijk kwaad, dan voelden ze zich als een familie met elkaar verbonden.
Deze begripvolle levenshouding, want zo zou je het wel kunnen noemen, maakte het makkelijk voor zijn omgeving om hem niet helemaal serieus te nemen als hij ook eens met vragen of een probleem zat. Niet uit onwil, maar men had het ook zo druk. Zoals gezegd, ook daar had hij begrip voor.
Die anderen, die het mopperen maar niet konden laten en zich weinig begripvol toonden naar docenten die hun afspraken niet na kwamen of hun werk niet naar behoren deden, die waren maar lastig. Je kon ze wel een tijdje negeren, maar degenen die zich niet lieten afpoeieren moest je dan toch uiteindelijk wel de aandacht geven waar ze zo om zeurden.
Natuurlijk was hij na een paar jaar niet meer zo naïef als toen hij met zijn opleiding begon. Tijdens zijn stage had hij gezien hoe zijn hardwerkende collega’s er vaak slechts met veel moeite in slaagden om soms de gestelde doelen te bereiken. Hij zag het verdriet op de werkvloer, hoe men vocht om het hoofd boven water te houden. Hij ontdekte dat de klanten niet zo hulpeloos waren als hij altijd had gedacht, kortom hij ontwikkelde een realistische kijk op mensen.
Maar hij verloor geen energie met gemopper. Want hij had ontdekt dat dit niets hielp.
Niemand zag dat hij ook de school anders begon te ervaren. Hij bleef de vriendelijke en onbevangen student die iedereen kende. Zo was hij nu eenmaal. Maar hij zag ook dat net als op zijn stage miscommunicatie de regel was en communicatie de uitzondering. Dat men heel ingewikkeld en volwassen deed over in wezen eenvoudige zaken. Dat er ook veel verdriet op de werkvloer van de school aanwezig was.
“Het is niet anders”, dacht hij. “Ik geloof dat ik volwassen begin te worden. Jammer.”
Hoe dan ook, je zult niet verbaasd zijn dat deze begripvolle leerling zijn studie een jaar eerder dan gepland succesvol kon afronden. Hij leefde nog lang en gelukkig, maar of je dit ook kunt zeggen van al die volwassen en bijna volwassen mopperkonten…?
zondag 28 november 2010
Golddigger
Virginia was ongetwijfeld beeldschoon. Misschien wel de allermooiste van de jonge studenten die dit jaar aan hun studie kunstgeschiedenis begonnen.
Ze had een huid zachter dan die van een perzik, een mokkabruine teint, amandelvormige donkere ogen en behalve de borsten van Yolanthe ook diens sympathieke uitstraling.
Natuurlijk zou ook haar schoonheid al snel binnen enkele jaren verwelken, maar totdat zij een echtgenoot had gevonden zou zij haar uiterste best blijven doen om de knapste te blijven van allemaal. Daarna was dit minder belangrijk. Ze zou nog jaren aantrekkelijk genoeg blijven om menig man wanhopig maar tevergeefs naar haar te doen verlangen. Dat was voor haar genoeg.
Ook als je nog niet aan de man bent stel je het echter meestal niet zo op prijs als je op straat wordt nagefloten door glazenwassers en bouwvakarbeiders, of aangegaapt door kantoorlui en voorbij tuffende automobilisten, die even hun snelheid inhielden om in de spiegel teleurgesteld vast te stellen dat zij geen centje aandacht aan hen schonk. Nee, dit waren niet de lui waarmee zij een gezinnetje wilde stichten in het Gooi. Deze armoezaaiers hadden haar alleen hun hitsige blikken te bieden. Zij ging voor het grote geld en daarom zat ze in de collegebanken altijd in de buurt van de jongens waarvan de ouders een kast van een huis in Wassenaar of Heemstede hadden en een zeilboot op de Kagerplassen.
Aan het eind van de winter raakte ze bevriend met Claude von Solingen, de zoon van de bekende speelgoedfabrikant. Hij zag er leuk en sportief uit en had iets geheimzinnigs. Claude noemde zichzelf een satyr, een volgeling van Dionysos, de God van de Wijn.
In de weekends gingen ze samen naar de kroeg, offerden hun zinnen aan Dionysos en gaven zich over aan hun lusten op het bed van Virginia, die een kleine kamer in de binnenstad huurde.
Reeds na enkele maanden nodigde hij haar uit om langs te komen op het landgoed van zijn vader, de roemruchte Bertrant von Solingen, vermaard entrepreneur en rokkenjager.
Voor de vorm protesteerde Virginia wat tegen. Ze kenden elkaar pas en nu al voorgesteld worden aan zijn ouders, was dat niet een beetje erg vroeg? Maar Claude wuifde haar bezwaren weg. “ Mijn ouders willen heel graag eens met je kennis maken” , zei hij en Virginia staakte haar protest.
Claude kwam haar dat weekend ophalen met zijn cabriolet, een Audi A5, en na een heerlijke dag in Zandvoort reden zij uiteindelijk dan toch door het smeedijzeren hek de beukenlaan in van het buiten van zijn ouders. Het was aan het eind van een mooie voorjaarsdag. Het licht viel zacht door de bladeren van de bomen en de wereld geurde naar dropjes en chocolade.
Virginia viel meteen bij Bertrant in de smaak. Aan de blik die Sophie von Solingen haar man toewierp zag je echter dat zij vond dat hij zijn enthousiasme voor haar wel wat minder mocht etaleren.
Virginia vond hem een charmante man, maar naar haar zin iets te opdringerig. Ze wist dat ook een oude bok wel eens een groen blaadje lust, maar had geen zin om bij hem op het menu te staan.
Na de avondmaaltijd, die zoals gewoonlijk weer aller voortreffelijkst was, zaten ze met zijn vieren op de waranda en onder het genot van een kopje koffie babbelden ze nog wat na over kunst.
Bertrant wilde weten waarom zij voor een studie kunstgeschiedenis gekozen had. Ze kon hem natuurlijk niet vertellen dat ze op deze wijze in contact had gehoopt te komen met één van de vele rijkeluiszoontjes die deze studie ook volgden. “Om de schoonheid”, zei ze daarom en daar was niks tegen in te brengen.
“Over twee weken vieren we het feest van Dionysos. We zouden het heel erg waarderen als je dan ook kunt komen”, zei Bertrant. Natuurlijk wist Virginia wat het feest van Dionysos inhield. Zij ging er echter van uit dat het feest dat de von Solingens wilden organiseren minder uitgelaten en ongeremd was dan de feesten die ter eren van Dionysos in de oudheid werden georganiseerd.
Toen zij dan ook twee weken later laat op de avond verkleed als een mainade samen met Claude naar het feest ging, schrok zij van de losgeslagen bende die ze daar als beesten tekeer zag gaan.
Hoewel het feest pas drie uur oud was liep iedereen er stomdronken bij. Zowel de mannen als de vrouwen waren schaars gekleed en men copuleerde ongegeneerd met elkaar alsof de zeden van het oude Romeinse rijk, waar openbare copulatie niet ongewoon was, weer waren teruggekeerd. Dit was geen feest, dit was een orgie.
Claude had haar bij de arm genomen en leidde haar rond. Er brandden grote vuren, waar vlees aan het spit werd gebraden. De tafels stonden vol drank en in grote schalen lag zeker voor een kilo van de beste Bubblegum en White Russian. “Kom, mijn vader wil je even spreken”, zei hij. Deze stond al op hen te wachten op de waranda. Hij was gekleed als een satyr en had op zijn hoofd twee kleine horentjes bevestigd. “Ik laat je even met hem alleen en zie je straks wel” zei Claude en nam afscheid van haar.
Die nacht smulde de oude bok van het groene blaadje dat zijn zoon hem op een presenteerblaadje had aangeboden. Hij was daarbij niet bepaald zachtzinnig en toen hij haar besteeg scheurde één van zijn horens een diepe snee in haar wang.
Virginia wist tegen de ochtend van het terrein te vluchten. Haar kleding was gescheurd en zat onder het bloed, ze had een pleister op haar gezicht en zag er verwilderd uit toen ze van een vroege automobilist een lift kreeg naar huis.
Met Claude verbrak ze de relatie, ze stopte met haar studie kunstgeschiedenis en ging psychologie studeren. Daar ontmoette ze een leuke vrouw waarmee ze een relatie kreeg en beiden leefden nog lang en gelukkig met elkaar.
Ze had een huid zachter dan die van een perzik, een mokkabruine teint, amandelvormige donkere ogen en behalve de borsten van Yolanthe ook diens sympathieke uitstraling.
Natuurlijk zou ook haar schoonheid al snel binnen enkele jaren verwelken, maar totdat zij een echtgenoot had gevonden zou zij haar uiterste best blijven doen om de knapste te blijven van allemaal. Daarna was dit minder belangrijk. Ze zou nog jaren aantrekkelijk genoeg blijven om menig man wanhopig maar tevergeefs naar haar te doen verlangen. Dat was voor haar genoeg.
Ook als je nog niet aan de man bent stel je het echter meestal niet zo op prijs als je op straat wordt nagefloten door glazenwassers en bouwvakarbeiders, of aangegaapt door kantoorlui en voorbij tuffende automobilisten, die even hun snelheid inhielden om in de spiegel teleurgesteld vast te stellen dat zij geen centje aandacht aan hen schonk. Nee, dit waren niet de lui waarmee zij een gezinnetje wilde stichten in het Gooi. Deze armoezaaiers hadden haar alleen hun hitsige blikken te bieden. Zij ging voor het grote geld en daarom zat ze in de collegebanken altijd in de buurt van de jongens waarvan de ouders een kast van een huis in Wassenaar of Heemstede hadden en een zeilboot op de Kagerplassen.
Aan het eind van de winter raakte ze bevriend met Claude von Solingen, de zoon van de bekende speelgoedfabrikant. Hij zag er leuk en sportief uit en had iets geheimzinnigs. Claude noemde zichzelf een satyr, een volgeling van Dionysos, de God van de Wijn.
In de weekends gingen ze samen naar de kroeg, offerden hun zinnen aan Dionysos en gaven zich over aan hun lusten op het bed van Virginia, die een kleine kamer in de binnenstad huurde.
Reeds na enkele maanden nodigde hij haar uit om langs te komen op het landgoed van zijn vader, de roemruchte Bertrant von Solingen, vermaard entrepreneur en rokkenjager.
Voor de vorm protesteerde Virginia wat tegen. Ze kenden elkaar pas en nu al voorgesteld worden aan zijn ouders, was dat niet een beetje erg vroeg? Maar Claude wuifde haar bezwaren weg. “ Mijn ouders willen heel graag eens met je kennis maken” , zei hij en Virginia staakte haar protest.
Claude kwam haar dat weekend ophalen met zijn cabriolet, een Audi A5, en na een heerlijke dag in Zandvoort reden zij uiteindelijk dan toch door het smeedijzeren hek de beukenlaan in van het buiten van zijn ouders. Het was aan het eind van een mooie voorjaarsdag. Het licht viel zacht door de bladeren van de bomen en de wereld geurde naar dropjes en chocolade.
Virginia viel meteen bij Bertrant in de smaak. Aan de blik die Sophie von Solingen haar man toewierp zag je echter dat zij vond dat hij zijn enthousiasme voor haar wel wat minder mocht etaleren.
Virginia vond hem een charmante man, maar naar haar zin iets te opdringerig. Ze wist dat ook een oude bok wel eens een groen blaadje lust, maar had geen zin om bij hem op het menu te staan.
Na de avondmaaltijd, die zoals gewoonlijk weer aller voortreffelijkst was, zaten ze met zijn vieren op de waranda en onder het genot van een kopje koffie babbelden ze nog wat na over kunst.
Bertrant wilde weten waarom zij voor een studie kunstgeschiedenis gekozen had. Ze kon hem natuurlijk niet vertellen dat ze op deze wijze in contact had gehoopt te komen met één van de vele rijkeluiszoontjes die deze studie ook volgden. “Om de schoonheid”, zei ze daarom en daar was niks tegen in te brengen.
“Over twee weken vieren we het feest van Dionysos. We zouden het heel erg waarderen als je dan ook kunt komen”, zei Bertrant. Natuurlijk wist Virginia wat het feest van Dionysos inhield. Zij ging er echter van uit dat het feest dat de von Solingens wilden organiseren minder uitgelaten en ongeremd was dan de feesten die ter eren van Dionysos in de oudheid werden georganiseerd.
Toen zij dan ook twee weken later laat op de avond verkleed als een mainade samen met Claude naar het feest ging, schrok zij van de losgeslagen bende die ze daar als beesten tekeer zag gaan.
Hoewel het feest pas drie uur oud was liep iedereen er stomdronken bij. Zowel de mannen als de vrouwen waren schaars gekleed en men copuleerde ongegeneerd met elkaar alsof de zeden van het oude Romeinse rijk, waar openbare copulatie niet ongewoon was, weer waren teruggekeerd. Dit was geen feest, dit was een orgie.
Claude had haar bij de arm genomen en leidde haar rond. Er brandden grote vuren, waar vlees aan het spit werd gebraden. De tafels stonden vol drank en in grote schalen lag zeker voor een kilo van de beste Bubblegum en White Russian. “Kom, mijn vader wil je even spreken”, zei hij. Deze stond al op hen te wachten op de waranda. Hij was gekleed als een satyr en had op zijn hoofd twee kleine horentjes bevestigd. “Ik laat je even met hem alleen en zie je straks wel” zei Claude en nam afscheid van haar.
Die nacht smulde de oude bok van het groene blaadje dat zijn zoon hem op een presenteerblaadje had aangeboden. Hij was daarbij niet bepaald zachtzinnig en toen hij haar besteeg scheurde één van zijn horens een diepe snee in haar wang.
Virginia wist tegen de ochtend van het terrein te vluchten. Haar kleding was gescheurd en zat onder het bloed, ze had een pleister op haar gezicht en zag er verwilderd uit toen ze van een vroege automobilist een lift kreeg naar huis.
Met Claude verbrak ze de relatie, ze stopte met haar studie kunstgeschiedenis en ging psychologie studeren. Daar ontmoette ze een leuke vrouw waarmee ze een relatie kreeg en beiden leefden nog lang en gelukkig met elkaar.
zaterdag 27 november 2010
Afscheid.
Ze zit naast hem aan het bed en veegt met een vochtig washandje het zweet van zijn voorhoofd. Nog een kwartier, dan gaat ze weer weg. Het is een eind rijden naar huis.
“Pa, straks komt de zuster. Zal ik je helpen om wat rechter te gaan zitten?” Ze gaat staan en trekt de dekens naar beneden zodat ze hem goed beet kan pakken. Met zijn ruim honderd kilo is hij eigenlijk veel te zwaar voor haar en ze moet uitkijken voor haar rug.
Hijgend probeert hij zich op te richten. Er loopt een kwijlsliert langs zijn kin.
“Hoor je de engelen blazen op hun trompetten? Het hemelse gerecht heeft zich ten lange leste erbarmd over mij…Halleluja. De klaroenen schallen. Moeder, ik kom.”
Ze moppert. “Pa, zit nu eens stil. Zo kan ik je toch niet helpen. En het is heus je tijd nog niet. Ik hoor de muziek ook. De radio staat aan. Kijk maar.” Ze wijst op de radio waarvan het rode lichtje brandt. Hij negeert haar en gaat door met oreren.
“Wee de zondaars die andere goden aanbidden, zij zullen branden als fakkels in de hel.”
“ Wist je dat ik kan toveren?” zegt hij opeens en kijkt olijk. “Niks in mijn linkermouw, niks in mijn rechtermouw, maar moet je hier eens kijken…”
Ze schrikt. “Pa, dit kan toch echt niet. Wat zijn dit voor rare grappen. Trek je broek omhoog.” Ze helpt hem overeind en fatsoeneert zijn pyjamajasje.
“Wanneer halen ze de stekker er nu eens uit? Laat ze me euthanaseren, laat ze er een eind aan maken.”
Ze negeert wat hij zegt en gooit het over een andere boeg.
“Pa, je kleindochter is zwanger. Is dat niet leuk?”
Hij kijkt haar verbaasd met grote ogen aan. Dringt het tot hem door wat ze hem heeft gezegd?
“Nog meer mensen op de wereld. Blijven jullie allemaal doorfokken?”
“Als Anja komt zou het fijn zijn als je anders zou reageren”, zegt ze bestraffend.
Er komt een vrouw de zaal op. Ze herkent haar als de arts die ze vorige week ook gesproken heeft.
Toen lag hij nog aan allerlei slangetjes, half in coma. Vergeleken met toen is hij aardig opgeknapt.
De dokter geeft haar een hand. “Uw vader heeft een delier. Zoals u ziet is hij helemaal in de war”, zegt ze.
”Hij heeft het steeds maar weer over euthanasie”, zegt de vrouw.
“Zolang hij een delier heeft mogen we hier niet teveel waarde aan hechten. Als hij straks weer is opgeknapt zullen we eens met hem praten en vragen wat hij wil”, zegt de arts.
Beiden praten nog wat verder over de toestand van de oude man die met twee kussens in zijn rug keurig rechtop in bed zit, zijn twee handen boven de dekens gevouwen alsof hij zit te bidden.
“Is uw vader gelovig?” vraagt de arts nieuwsgierig. Ook zij had hem al menigmaal hele stukken uit de bijbel horen citeren als zij weer eens haar ronde deed.
“Alleen als hij gedronken heeft”, antwoordt de vrouw en in gedachten ziet ze hem weer op het dak staan om het evangelie te verkonden. Dat was drie jaar geleden toen ze onverwachts bij hem langs kwam. De buren probeerden hem naar beneden te praten, maar met in zijn linkerhand een fles cognac en in zijn rechterhand de bijbel had hij het prima naar zijn zin zo op het platte dak.
Uiteindelijk moest de brandweer hem naar beneden halen.
“Ik moet weer weg. Als het slechter met hem gaat of als er wat is dan hoor ik het wel”, zegt de vrouw en ze pakt haar jas. Ze kijkt naar buiten. De zon schijnt fel en staat laag aan de hemel. Over een uur zal het donker zijn.
“Nou pa, tot een volgende keer”, zegt ze en kust hem op een wang. Bij de deur draait ze zich nog een keertje om.” Misschien zie ik hem nu wel voor het laatst”, denkt ze. Ze zwaait maar hij reageert niet.
In de wagen op weg naar huis is ze zo in gedachten verzonken dat ze de grote truck, die een haar tegemoet komende tractor passeert, pas opmerkt als ze nog geen tien meter van hem vandaan is.
Haar vader knapte tegen alle verwachtingen in weer op. Hij vond het vreemd dat zijn dochter niet meer langs kwam maar stond er niet lang bij stil. Hij leefde nog een half jaar verder als een kasplantje. Niet lang en ook niet gelukkig. Zo gaan de dingen soms.
“Pa, straks komt de zuster. Zal ik je helpen om wat rechter te gaan zitten?” Ze gaat staan en trekt de dekens naar beneden zodat ze hem goed beet kan pakken. Met zijn ruim honderd kilo is hij eigenlijk veel te zwaar voor haar en ze moet uitkijken voor haar rug.
Hijgend probeert hij zich op te richten. Er loopt een kwijlsliert langs zijn kin.
“Hoor je de engelen blazen op hun trompetten? Het hemelse gerecht heeft zich ten lange leste erbarmd over mij…Halleluja. De klaroenen schallen. Moeder, ik kom.”
Ze moppert. “Pa, zit nu eens stil. Zo kan ik je toch niet helpen. En het is heus je tijd nog niet. Ik hoor de muziek ook. De radio staat aan. Kijk maar.” Ze wijst op de radio waarvan het rode lichtje brandt. Hij negeert haar en gaat door met oreren.
“Wee de zondaars die andere goden aanbidden, zij zullen branden als fakkels in de hel.”
“ Wist je dat ik kan toveren?” zegt hij opeens en kijkt olijk. “Niks in mijn linkermouw, niks in mijn rechtermouw, maar moet je hier eens kijken…”
Ze schrikt. “Pa, dit kan toch echt niet. Wat zijn dit voor rare grappen. Trek je broek omhoog.” Ze helpt hem overeind en fatsoeneert zijn pyjamajasje.
“Wanneer halen ze de stekker er nu eens uit? Laat ze me euthanaseren, laat ze er een eind aan maken.”
Ze negeert wat hij zegt en gooit het over een andere boeg.
“Pa, je kleindochter is zwanger. Is dat niet leuk?”
Hij kijkt haar verbaasd met grote ogen aan. Dringt het tot hem door wat ze hem heeft gezegd?
“Nog meer mensen op de wereld. Blijven jullie allemaal doorfokken?”
“Als Anja komt zou het fijn zijn als je anders zou reageren”, zegt ze bestraffend.
Er komt een vrouw de zaal op. Ze herkent haar als de arts die ze vorige week ook gesproken heeft.
Toen lag hij nog aan allerlei slangetjes, half in coma. Vergeleken met toen is hij aardig opgeknapt.
De dokter geeft haar een hand. “Uw vader heeft een delier. Zoals u ziet is hij helemaal in de war”, zegt ze.
”Hij heeft het steeds maar weer over euthanasie”, zegt de vrouw.
“Zolang hij een delier heeft mogen we hier niet teveel waarde aan hechten. Als hij straks weer is opgeknapt zullen we eens met hem praten en vragen wat hij wil”, zegt de arts.
Beiden praten nog wat verder over de toestand van de oude man die met twee kussens in zijn rug keurig rechtop in bed zit, zijn twee handen boven de dekens gevouwen alsof hij zit te bidden.
“Is uw vader gelovig?” vraagt de arts nieuwsgierig. Ook zij had hem al menigmaal hele stukken uit de bijbel horen citeren als zij weer eens haar ronde deed.
“Alleen als hij gedronken heeft”, antwoordt de vrouw en in gedachten ziet ze hem weer op het dak staan om het evangelie te verkonden. Dat was drie jaar geleden toen ze onverwachts bij hem langs kwam. De buren probeerden hem naar beneden te praten, maar met in zijn linkerhand een fles cognac en in zijn rechterhand de bijbel had hij het prima naar zijn zin zo op het platte dak.
Uiteindelijk moest de brandweer hem naar beneden halen.
“Ik moet weer weg. Als het slechter met hem gaat of als er wat is dan hoor ik het wel”, zegt de vrouw en ze pakt haar jas. Ze kijkt naar buiten. De zon schijnt fel en staat laag aan de hemel. Over een uur zal het donker zijn.
“Nou pa, tot een volgende keer”, zegt ze en kust hem op een wang. Bij de deur draait ze zich nog een keertje om.” Misschien zie ik hem nu wel voor het laatst”, denkt ze. Ze zwaait maar hij reageert niet.
In de wagen op weg naar huis is ze zo in gedachten verzonken dat ze de grote truck, die een haar tegemoet komende tractor passeert, pas opmerkt als ze nog geen tien meter van hem vandaan is.
Haar vader knapte tegen alle verwachtingen in weer op. Hij vond het vreemd dat zijn dochter niet meer langs kwam maar stond er niet lang bij stil. Hij leefde nog een half jaar verder als een kasplantje. Niet lang en ook niet gelukkig. Zo gaan de dingen soms.
donderdag 25 november 2010
De loverboy
Er waren eens drie zussen. Ze waren alle drie beeldschoon en bijna volwassen. Ze woonden samen met hun moeder in een hutje aan de rand van het bos. Zij waren arm maar gelukkig met elkaar. Met het verstellen van kleding en het bakken van taarten wisten zij een karig inkomen bij elkaar te schrapen. En door zuinig te leven wisten zij zich goed te redden.
Moeder ontving af en toe een heer uit het dorp. Zij stuurde haar dochters dan het bos in om bessen te plukken of om naar noten te zoeken, waarna zij zich met de heer afzonderde in haar slaapkamer.
Als de heer weer weg was en de dochters met hun manden vol bessen of noten thuis waren gekomen had zij altijd een lekkere appeltaart gemaakt. Het hele huis geurde er naar. Tjonge jonge wat kon hun moeder lekkere appeltaarten bakken. En als zij dan zo heerlijk van zo’n stukje taart zaten te peuzelen vertelde ze hen soms dat ze nog wat geld in een oude sok gevonden had en dat ze daarom dit weekend met z’n allen naar de stad zouden gaan om te gaan shoppen en dan juichten ze alle drie van blijdschap, want er was niets leukers ter wereld dan shoppen met hun moeder.
De vader van de meisjes was overleden bij de geboorte van de jongste dochter. Hij had er niet tegen gekund dat zijn vrouw zo moest lijden bij de bevalling en had zich zo druk gemaakt dat zijn hart het begeven had.
In die tijd was het niet ongewoon dat de vrouw in het kraambed kwam te overlijden en ook hier had dit niet veel gescheeld. Maar toen de moeder hoorde dat haar man de bevalling niet had overleefd besloot zij te blijven leven. Iemand moest de kinderen tenslotte verzorgen. En zo gebeurde het dat zij haar drie dochters in haar eentje groot bracht. Zij hield zielsveel van hen en de warmte en liefde die zij aan hen gaf straalde van alle drie af.
Op een dag kwam er een loverboy voorbij. Het was een knap uitziende jongen met mooie praatjes. De moeder en haar dochters zaten in de tuin onder de parasol een kopje thee te drinken.
“ Goedemiddag dames”, zei de loverboy. Hij stond bij het hekje met zijn hoed in de hand.
Alle vier keken zij verrast op. Wat een knappe man stond daar. “Heeft u soms een glas water voor me. Ik heb een vreselijke dorst”, zei de loverboy. De moeder nodigde hem uit om bij hen te komen zitten en hij gaf gehoor aan haar uitnodiging.
Hij vertelde dat hij op weg was naar de grote stad over de bergen, waar hij samen met zijn twee broers een herberg bezat. Het was een herberg zo groot als een klein landhuis en onder zijn gasten kende het vele voorname mannen van goede komaf. Hij zocht nog een meisje dat bij hem in de bediening wilde werken. Zou één van haar dochters daar misschien geen belangstelling voor hebben?
De oudste die twintig jaar was keek haar moeder met vragende blik aan. Zij zou zo graag eens wat meer van de wereld willen zien. Haar moeder leek echter in gedachten verzonken. Laatst was de burgemeester bij haar langs geweest. Toen zij haar dochters het bos in had gestuurd en zich met de burgemeester had teruggetrokken in haar haar slaapkamer, had hij haar verteld over een knappe man die al menig jong meisje uit de streek in het verderf had gestort. Met zijn mooie praatjes wist hij hun ouders ervan te overtuigen dat zij een mooi leven tegemoet gingen als zij voor hem en zijn broers in hun herberg kwam werken. En nu hij tegenover haar zat begreep de moeder dat dit hem was. Hij zag er inderdaad knap uit en had mooie praatjes, al wist zij dat deze niet deugden.
“Meisjes, gaan jullie eens wat bessen plukken. Dan bak ik een lekkere bessentaart als jullie terug zijn.” De meisjes waren teleurgesteld dat ze al weer het bos in moesten. Vorige week ook al. Vooral de oudste had moeite om haar teleurstelling te verbergen. Maar zonder tegen te spreken gingen ze op pad, terwijl de knappe jongeling beloofde dat hij op hen zou wachten.
Toen haar dochters weg waren vroeg de moeder aan de man of hij met haar naar haar slaapkamer wilde gaan. Deze was niet verbaasd. Dit was hem al veel vaker overkomen. Hij volgde haar naar de slaapkamer. Zij deed de deur voor hem open en vroeg hem om zich te ontkleden en op het bed te gaan liggen. Hij voldeed aan haar verzoek. Ondertussen sloot zij de gordijnen. Toen hij in de schemer zijn blote niksie op het bed lag zei de moeder dat ze nog even naar het toilet ging. In werkelijkheid ging ze naar de schuur, pakte een bijl en toen ze weer in haar slaapkamer was sloeg ze met een stevige klap de schedel in van de loverboy. Die was van het ene op het andere moment morsdood.
Ze wikkelde het lichaam in het laken en sleepte dat naar buiten. Daar dumpte ze het in een greppel achter haar huis. Ze zou hem op een ander moment wel begraven. Met een emmertje sop boende ze haar kamer schoon, waste zich bij de kraan en was net klaar toen haar dochters weer thuis kwamen.
Deze waren teleurgesteld dat de knappe man ondanks zijn belofte toch was weggegaan.
“Kerels zijn niet te vertrouwen”, zei de oudste dochter. Haar moeder gaf haar gelijk. Ze bakte een heerlijke bessentaart zoals ze had beloofd. En met z’n vieren leefden ze nog lang en gelukkig.
Moeder ontving af en toe een heer uit het dorp. Zij stuurde haar dochters dan het bos in om bessen te plukken of om naar noten te zoeken, waarna zij zich met de heer afzonderde in haar slaapkamer.
Als de heer weer weg was en de dochters met hun manden vol bessen of noten thuis waren gekomen had zij altijd een lekkere appeltaart gemaakt. Het hele huis geurde er naar. Tjonge jonge wat kon hun moeder lekkere appeltaarten bakken. En als zij dan zo heerlijk van zo’n stukje taart zaten te peuzelen vertelde ze hen soms dat ze nog wat geld in een oude sok gevonden had en dat ze daarom dit weekend met z’n allen naar de stad zouden gaan om te gaan shoppen en dan juichten ze alle drie van blijdschap, want er was niets leukers ter wereld dan shoppen met hun moeder.
De vader van de meisjes was overleden bij de geboorte van de jongste dochter. Hij had er niet tegen gekund dat zijn vrouw zo moest lijden bij de bevalling en had zich zo druk gemaakt dat zijn hart het begeven had.
In die tijd was het niet ongewoon dat de vrouw in het kraambed kwam te overlijden en ook hier had dit niet veel gescheeld. Maar toen de moeder hoorde dat haar man de bevalling niet had overleefd besloot zij te blijven leven. Iemand moest de kinderen tenslotte verzorgen. En zo gebeurde het dat zij haar drie dochters in haar eentje groot bracht. Zij hield zielsveel van hen en de warmte en liefde die zij aan hen gaf straalde van alle drie af.
Op een dag kwam er een loverboy voorbij. Het was een knap uitziende jongen met mooie praatjes. De moeder en haar dochters zaten in de tuin onder de parasol een kopje thee te drinken.
“ Goedemiddag dames”, zei de loverboy. Hij stond bij het hekje met zijn hoed in de hand.
Alle vier keken zij verrast op. Wat een knappe man stond daar. “Heeft u soms een glas water voor me. Ik heb een vreselijke dorst”, zei de loverboy. De moeder nodigde hem uit om bij hen te komen zitten en hij gaf gehoor aan haar uitnodiging.
Hij vertelde dat hij op weg was naar de grote stad over de bergen, waar hij samen met zijn twee broers een herberg bezat. Het was een herberg zo groot als een klein landhuis en onder zijn gasten kende het vele voorname mannen van goede komaf. Hij zocht nog een meisje dat bij hem in de bediening wilde werken. Zou één van haar dochters daar misschien geen belangstelling voor hebben?
De oudste die twintig jaar was keek haar moeder met vragende blik aan. Zij zou zo graag eens wat meer van de wereld willen zien. Haar moeder leek echter in gedachten verzonken. Laatst was de burgemeester bij haar langs geweest. Toen zij haar dochters het bos in had gestuurd en zich met de burgemeester had teruggetrokken in haar haar slaapkamer, had hij haar verteld over een knappe man die al menig jong meisje uit de streek in het verderf had gestort. Met zijn mooie praatjes wist hij hun ouders ervan te overtuigen dat zij een mooi leven tegemoet gingen als zij voor hem en zijn broers in hun herberg kwam werken. En nu hij tegenover haar zat begreep de moeder dat dit hem was. Hij zag er inderdaad knap uit en had mooie praatjes, al wist zij dat deze niet deugden.
“Meisjes, gaan jullie eens wat bessen plukken. Dan bak ik een lekkere bessentaart als jullie terug zijn.” De meisjes waren teleurgesteld dat ze al weer het bos in moesten. Vorige week ook al. Vooral de oudste had moeite om haar teleurstelling te verbergen. Maar zonder tegen te spreken gingen ze op pad, terwijl de knappe jongeling beloofde dat hij op hen zou wachten.
Toen haar dochters weg waren vroeg de moeder aan de man of hij met haar naar haar slaapkamer wilde gaan. Deze was niet verbaasd. Dit was hem al veel vaker overkomen. Hij volgde haar naar de slaapkamer. Zij deed de deur voor hem open en vroeg hem om zich te ontkleden en op het bed te gaan liggen. Hij voldeed aan haar verzoek. Ondertussen sloot zij de gordijnen. Toen hij in de schemer zijn blote niksie op het bed lag zei de moeder dat ze nog even naar het toilet ging. In werkelijkheid ging ze naar de schuur, pakte een bijl en toen ze weer in haar slaapkamer was sloeg ze met een stevige klap de schedel in van de loverboy. Die was van het ene op het andere moment morsdood.
Ze wikkelde het lichaam in het laken en sleepte dat naar buiten. Daar dumpte ze het in een greppel achter haar huis. Ze zou hem op een ander moment wel begraven. Met een emmertje sop boende ze haar kamer schoon, waste zich bij de kraan en was net klaar toen haar dochters weer thuis kwamen.
Deze waren teleurgesteld dat de knappe man ondanks zijn belofte toch was weggegaan.
“Kerels zijn niet te vertrouwen”, zei de oudste dochter. Haar moeder gaf haar gelijk. Ze bakte een heerlijke bessentaart zoals ze had beloofd. En met z’n vieren leefden ze nog lang en gelukkig.
woensdag 24 november 2010
De grote eenzame man.
Nee, deskundig was hij nooit geweest. De positie die hij had gehad en die hij nu moest opgeven in verband met zijn leeftijd had hij ook niet te danken gehad aan enig talent, of het moest zijn fijne neus zijn voor wie hij in de kont moest kruipen. Hij had zich een weg omhoog geknokt en geslijmd. Er zat eelt op zijn ellenbogen en met zijn bruine tong likte hij op de spaarzame momenten van rust de wonden die hem in de strijd door zijn rivalen waren toegebracht.
Vrienden had hij al lang niet meer. Hij was de laatste jaren omgeven geweest door hielenlikkers en lakeien. Niemand die hem ooit de waarheid had durven te vertellen. Niemand die tegen hem had durven zeggen “ Hé lul, wat ben jij een rat. Besef je niet dat het onkruid dat je oogst door jezelf gezaaid is? Dat je een spoor van verwoesting hebt achtergelaten overal waar jij je gezicht hebt laten zien. Dumbo!”
Omdat iedereen om zijn flauwe grapjes lachte dacht hij in het begin nog dat hij leuk was. Maar die illusie verloor hij al snel en hij raakte de gewoonte kwijt om te lachen om zijn eigen grapjes. Hij werd er zelfs droevig van.
Soms, op recepties en informele bijeenkomsten, had hij geprobeerd om amicaal te zijn, maar behoedzaam hield men altijd afstand, terwijl men hem geen moment uit het oog verloor.
Men rook zijn geldingsdrang, men proefde zijn angst voor werkelijk menselijk contact op de tong.
Hij zoog je leeg met zijn hunkering naar warmte en begrip. Voortdurend zat hij te hengelen naar bevestiging. Je voelde je verloren door zijn eenzaamheid. Om zelf niet beschadigd te raken moest je wel vluchten. Alleen degenen die de prijs wilden betalen, alleen zij die dachten dat zij onschendbaar waren, bleven in zijn buurt. Een nieuwe generatie slappelingen die anderen nodig hadden om hun ego mee te voeden. Totdat deze zo groot en vet was dat hij op punt van barsten stond. Brulkikkers in de nacht, die het water in de stille vijver aan het rimpelen brachten, waarna het weer stil werd en het leek of er niets was gebeurd.
In de spiegel zag hij een man die de vele veldslagen in de maatschappij gewonnen had maar op het punt stond om onvermijdelijk de laatste en belangrijkste slag te verliezen.
“ Heeft het leven mij gegeven wat ik er van had gedroomd?” vroeg hij zich af. Hij zat in de huiskamer op de bank, de televisie aan, het geluid weggedraaid. Zijn vrouw lag al te slapen. Hij hoorde haar snurken door de slaapkamerdeur heen. “Ben ik een gelukkig mens?”
De telefoon ging. Hij was verbaasd. Telefoon? Om deze tijd? Het was vijf voor twaalf. Hij nam op.
“Hé, ouwe rukker. Gefeliciteerd. En nog vele jaren” Op de achtergrond hoorde hij gelach en gejoel en een paar vrouwenstemmen zongen ”Lang zal die leven”.
“Met wie spreek ik?”, vroeg hij. Hij hoorde hoe iemand aan de andere kant tegen een ander zei “ Ik geloof dat ik een verkeerd nummer heb gebeld”. Even was het stil. Toen werd de verbinding verbroken. Hij stond daar met de telefoon in zijn hand. Hij zag dat het twaalf uur was. Hij was nu vijfenzestig. Voortaan zou hij alleen zijn vrouw nog hebben om de baas over te spelen. Zij was echter sterker dan hij en speelde de baas over hem als zij dat nodig vond.
Hij liep naar de keuken, stak een kaars aan en zette die op het aanrecht. Toen draaide hij de gaskraan van de oven wijd open, deed het licht uit en liep naar de slaapkamer. Zijn vrouw lag nog steeds te snurken. Ze hadden hem bij het afscheid op de zaak nog een lang en gelukkig leven toegewenst. Jammer voor iedereen, maar hij geloofde niet in sprookjes.
Vrienden had hij al lang niet meer. Hij was de laatste jaren omgeven geweest door hielenlikkers en lakeien. Niemand die hem ooit de waarheid had durven te vertellen. Niemand die tegen hem had durven zeggen “ Hé lul, wat ben jij een rat. Besef je niet dat het onkruid dat je oogst door jezelf gezaaid is? Dat je een spoor van verwoesting hebt achtergelaten overal waar jij je gezicht hebt laten zien. Dumbo!”
Omdat iedereen om zijn flauwe grapjes lachte dacht hij in het begin nog dat hij leuk was. Maar die illusie verloor hij al snel en hij raakte de gewoonte kwijt om te lachen om zijn eigen grapjes. Hij werd er zelfs droevig van.
Soms, op recepties en informele bijeenkomsten, had hij geprobeerd om amicaal te zijn, maar behoedzaam hield men altijd afstand, terwijl men hem geen moment uit het oog verloor.
Men rook zijn geldingsdrang, men proefde zijn angst voor werkelijk menselijk contact op de tong.
Hij zoog je leeg met zijn hunkering naar warmte en begrip. Voortdurend zat hij te hengelen naar bevestiging. Je voelde je verloren door zijn eenzaamheid. Om zelf niet beschadigd te raken moest je wel vluchten. Alleen degenen die de prijs wilden betalen, alleen zij die dachten dat zij onschendbaar waren, bleven in zijn buurt. Een nieuwe generatie slappelingen die anderen nodig hadden om hun ego mee te voeden. Totdat deze zo groot en vet was dat hij op punt van barsten stond. Brulkikkers in de nacht, die het water in de stille vijver aan het rimpelen brachten, waarna het weer stil werd en het leek of er niets was gebeurd.
In de spiegel zag hij een man die de vele veldslagen in de maatschappij gewonnen had maar op het punt stond om onvermijdelijk de laatste en belangrijkste slag te verliezen.
“ Heeft het leven mij gegeven wat ik er van had gedroomd?” vroeg hij zich af. Hij zat in de huiskamer op de bank, de televisie aan, het geluid weggedraaid. Zijn vrouw lag al te slapen. Hij hoorde haar snurken door de slaapkamerdeur heen. “Ben ik een gelukkig mens?”
De telefoon ging. Hij was verbaasd. Telefoon? Om deze tijd? Het was vijf voor twaalf. Hij nam op.
“Hé, ouwe rukker. Gefeliciteerd. En nog vele jaren” Op de achtergrond hoorde hij gelach en gejoel en een paar vrouwenstemmen zongen ”Lang zal die leven”.
“Met wie spreek ik?”, vroeg hij. Hij hoorde hoe iemand aan de andere kant tegen een ander zei “ Ik geloof dat ik een verkeerd nummer heb gebeld”. Even was het stil. Toen werd de verbinding verbroken. Hij stond daar met de telefoon in zijn hand. Hij zag dat het twaalf uur was. Hij was nu vijfenzestig. Voortaan zou hij alleen zijn vrouw nog hebben om de baas over te spelen. Zij was echter sterker dan hij en speelde de baas over hem als zij dat nodig vond.
Hij liep naar de keuken, stak een kaars aan en zette die op het aanrecht. Toen draaide hij de gaskraan van de oven wijd open, deed het licht uit en liep naar de slaapkamer. Zijn vrouw lag nog steeds te snurken. Ze hadden hem bij het afscheid op de zaak nog een lang en gelukkig leven toegewenst. Jammer voor iedereen, maar hij geloofde niet in sprookjes.
maandag 22 november 2010
Er was er eens een lelijkerd…
Er was er eens een heel lelijk meisje dat in een volkswijk woonde in het centrum van een stinkende fabrieksstad. Als haar moeder ’s avonds de was binnen haalde was deze helemaal zwart van het roet, dat als een onzichtbare wurger de kelen van de mensen dichtsnoerde. De gele en bruine strepen in de onderbroeken harmonieerden daar weliswaar mooi bij, maar je wast je onderbroeken niet om ze daarna als een schilderij aan je kont te trekken. Een gewassen witte onderbroek hoort mooi wit te zijn en lekker fris te ruiken en niet zwart als hij van de waslijn komt. Tenzij hij natuurlijk altijd zwart is geweest.
Dat lelijke meisje wist dat ze lelijk was maar zag dit niet als een probleem. Iedereen om haar heen was lelijk. Niet alleen haar vader, moeder, broertjes en zusjes, waarvan zij er vijftien had, maar ook de buren en alle andere mensen in de straat. Ja, eigenlijk was iedereen in deze volkswijk lelijk.
De meeste bewoners werkten in één van de stinkfabrieken waar ze bijna naast woonden.
In die fabrieken leek het wel of Hephaistos de scepter zwaaide. Grote vuren laaiden huizenhoog op in de ovens, terwijl in het flakkerende schijnsel van de vlammen grote stevige jonge kerels bezig waren de nooit aflatende honger van het vuur te stillen met kolen, die er met tonnen tegelijk werd ingestort.
Maar ik vergeet het lelijke meisje. Lelijke meisjes vergeet ik altijd het liefst zo snel mogelijk, maar dit lelijke meisje heb ik zelf in het leven geroepen en dus ben ik ook verantwoordelijk voor haar.
Dit lelijke meisje ontving een uitnodiging om mee te doen aan een televisiequiz. Zij had zich daar in een dolle bui voor op gegeven en toen zij dit maanden later al lang weer was vergeten lag er ineens een grote enveloppe met de uitnodigingsbrief op de deurmat.
Vader en moeder waren er trots op dat nota bene hun lelijke dochter, de lelijkste van allemaal, een uitnodiging gekregen had om op tv te komen. De straat wist het dezelfde dag nog en iedereen was trots op de lelijkerd. Alsof zij de dochter was van allemaal. Wat niet zo vreemd was, want alle mannen in de straat hadden in het verleden op zeker moment wel wat met haar moeder gehad. Maar dit terzijde. Ik zal proberen om minder af te dwalen. Het liefst zou ik dit gruwelsprookje hier afbreken, want het loopt toch slecht af. Maar zover is het nu nog niet.
De prijzenpot van de televisiequiz was goed gevuld. De hoofdprijs was meer dan een miljoen euro, maar ook de kleinere prijzen liepen in de zes cijfers. Iedereen begreep dat hier de kans voor het lelijke meisje was om zich te bevrijden van het uitzichtloze leven dat ze nu leidde.
Op de avond van de quiz zat iedereen in de wijk naar haar op tv te kijken. Ze droeg een mooie zwarte jurk en een visagiste had haar uiterste best gedaan om nog wat van haar te maken. Tevergeefs natuurlijk. Toen de camera haar in beeld had hoorde je boven Nederland alle kijkers die haar zagen roepen “Wat is die lelijk.” Niet veroordelend of zo. Nee, meer constaterend. Zoals je vaststelt dat het regent. Zo stelde iedereen vast dat het meisje achteraan moest hebben gestaan toen onze Lieve Heer de meisjes aan het oppoetsen was voordat hij ze naar de aarde stuurde om geboren te worden. Toen zij aan de beurt was had Hij er geen zin meer in en ongepoetst werd zij beneden afgeleverd.
Tot grote vreugde van iedereen won het meisje de hoofdprijs. En een prachtige auto, waarbij ze in tranen uitbarstte. Iedereen die keek had een brok van ontroering in zijn keel. Thuis bij haar waren ze door het dolle heen. Hun aller lelijkste had het hem toch maar mooi gelapt.
De slingers werden opgehangen en vader haalde twee extra kratjes bier in huis. Diep in de nacht kwam hun rijke dochter thuis. Tot in de kleine uurtjes werd er feest gevierd.
De volgende dag al kregen zij bericht van een bank die vroeg of zij twee adviseurs langs mochten sturen om haar te adviseren wat zij het beste met het geld kon doen.
De heren adviseurs waren welkom.
Om een veel te lang verhaal korter te maken kwam het er hier op neer dat zij haar adviseerden om de helft van haar geld bij Icesave op een spaarrekening te zetten en de andere helft te beleggen in het fonds Palm Invest. Haar vader die, om zijn dochter te beschermen tegen het nemen van verkeerde beslissingen, aanwezig was bij het gesprek leek dit een goed idee. Deze heren deskundigen, die in een mooie donkerblauwe Renault Laguna Coupe reden en keurig in het pak staken, deze behulpzame bankemployees hadden er volgens hem alle belang bij om een goed advies te verstrekken. Want dat zou hun carrière alleen maar goed doen.
Een jaar later liep het lelijke meisje op een gure winderige avond langs de Maas. Van haar miljoen had ze nog honderdduizend euro over. De auto die ze gekregen had was door haar vader total los gereden nadat hij met een stevige borrel op achter het stuur was gekropen. Bij dat ongeluk was hij zo zwaar gewond geraakt dat hij in een rolstoel terecht kwam. De verzekering betaalde geen cent uit. Nee, haar geluk had niet erg lang geduurd. Op straat keek men haar met meewarige blik na en er werd stevig over haar geroddeld. In zo’n kleine gemeenschap blijft niets verborgen.
Er waren thuis flinke ruzies geweest over de auto en het geld. De honderdduizend die ze over had van haar spaarrekening bij Icesave moest ze nog vergoed krijgen van de regering. Maar die had geen haast om haar schadeloos te stellen.
Ze keek naar het koude water en rilde. Met haar tweeëntwintig jaar was ze nog erg jong. Eigenlijk veel te jong om nu al te sterven. Maar ze verlangde naar rust en voor het eerst in haar korte leven besefte ze niet alleen dat ze lelijk was, maar dat er een mogelijkheid was om van deze last bevrijd te worden.
En de adviseurs van de bank? Die streken hun bonus op en leefden nog lang en gelukkig. Totdat…
Dat lelijke meisje wist dat ze lelijk was maar zag dit niet als een probleem. Iedereen om haar heen was lelijk. Niet alleen haar vader, moeder, broertjes en zusjes, waarvan zij er vijftien had, maar ook de buren en alle andere mensen in de straat. Ja, eigenlijk was iedereen in deze volkswijk lelijk.
De meeste bewoners werkten in één van de stinkfabrieken waar ze bijna naast woonden.
In die fabrieken leek het wel of Hephaistos de scepter zwaaide. Grote vuren laaiden huizenhoog op in de ovens, terwijl in het flakkerende schijnsel van de vlammen grote stevige jonge kerels bezig waren de nooit aflatende honger van het vuur te stillen met kolen, die er met tonnen tegelijk werd ingestort.
Maar ik vergeet het lelijke meisje. Lelijke meisjes vergeet ik altijd het liefst zo snel mogelijk, maar dit lelijke meisje heb ik zelf in het leven geroepen en dus ben ik ook verantwoordelijk voor haar.
Dit lelijke meisje ontving een uitnodiging om mee te doen aan een televisiequiz. Zij had zich daar in een dolle bui voor op gegeven en toen zij dit maanden later al lang weer was vergeten lag er ineens een grote enveloppe met de uitnodigingsbrief op de deurmat.
Vader en moeder waren er trots op dat nota bene hun lelijke dochter, de lelijkste van allemaal, een uitnodiging gekregen had om op tv te komen. De straat wist het dezelfde dag nog en iedereen was trots op de lelijkerd. Alsof zij de dochter was van allemaal. Wat niet zo vreemd was, want alle mannen in de straat hadden in het verleden op zeker moment wel wat met haar moeder gehad. Maar dit terzijde. Ik zal proberen om minder af te dwalen. Het liefst zou ik dit gruwelsprookje hier afbreken, want het loopt toch slecht af. Maar zover is het nu nog niet.
De prijzenpot van de televisiequiz was goed gevuld. De hoofdprijs was meer dan een miljoen euro, maar ook de kleinere prijzen liepen in de zes cijfers. Iedereen begreep dat hier de kans voor het lelijke meisje was om zich te bevrijden van het uitzichtloze leven dat ze nu leidde.
Op de avond van de quiz zat iedereen in de wijk naar haar op tv te kijken. Ze droeg een mooie zwarte jurk en een visagiste had haar uiterste best gedaan om nog wat van haar te maken. Tevergeefs natuurlijk. Toen de camera haar in beeld had hoorde je boven Nederland alle kijkers die haar zagen roepen “Wat is die lelijk.” Niet veroordelend of zo. Nee, meer constaterend. Zoals je vaststelt dat het regent. Zo stelde iedereen vast dat het meisje achteraan moest hebben gestaan toen onze Lieve Heer de meisjes aan het oppoetsen was voordat hij ze naar de aarde stuurde om geboren te worden. Toen zij aan de beurt was had Hij er geen zin meer in en ongepoetst werd zij beneden afgeleverd.
Tot grote vreugde van iedereen won het meisje de hoofdprijs. En een prachtige auto, waarbij ze in tranen uitbarstte. Iedereen die keek had een brok van ontroering in zijn keel. Thuis bij haar waren ze door het dolle heen. Hun aller lelijkste had het hem toch maar mooi gelapt.
De slingers werden opgehangen en vader haalde twee extra kratjes bier in huis. Diep in de nacht kwam hun rijke dochter thuis. Tot in de kleine uurtjes werd er feest gevierd.
De volgende dag al kregen zij bericht van een bank die vroeg of zij twee adviseurs langs mochten sturen om haar te adviseren wat zij het beste met het geld kon doen.
De heren adviseurs waren welkom.
Om een veel te lang verhaal korter te maken kwam het er hier op neer dat zij haar adviseerden om de helft van haar geld bij Icesave op een spaarrekening te zetten en de andere helft te beleggen in het fonds Palm Invest. Haar vader die, om zijn dochter te beschermen tegen het nemen van verkeerde beslissingen, aanwezig was bij het gesprek leek dit een goed idee. Deze heren deskundigen, die in een mooie donkerblauwe Renault Laguna Coupe reden en keurig in het pak staken, deze behulpzame bankemployees hadden er volgens hem alle belang bij om een goed advies te verstrekken. Want dat zou hun carrière alleen maar goed doen.
Een jaar later liep het lelijke meisje op een gure winderige avond langs de Maas. Van haar miljoen had ze nog honderdduizend euro over. De auto die ze gekregen had was door haar vader total los gereden nadat hij met een stevige borrel op achter het stuur was gekropen. Bij dat ongeluk was hij zo zwaar gewond geraakt dat hij in een rolstoel terecht kwam. De verzekering betaalde geen cent uit. Nee, haar geluk had niet erg lang geduurd. Op straat keek men haar met meewarige blik na en er werd stevig over haar geroddeld. In zo’n kleine gemeenschap blijft niets verborgen.
Er waren thuis flinke ruzies geweest over de auto en het geld. De honderdduizend die ze over had van haar spaarrekening bij Icesave moest ze nog vergoed krijgen van de regering. Maar die had geen haast om haar schadeloos te stellen.
Ze keek naar het koude water en rilde. Met haar tweeëntwintig jaar was ze nog erg jong. Eigenlijk veel te jong om nu al te sterven. Maar ze verlangde naar rust en voor het eerst in haar korte leven besefte ze niet alleen dat ze lelijk was, maar dat er een mogelijkheid was om van deze last bevrijd te worden.
En de adviseurs van de bank? Die streken hun bonus op en leefden nog lang en gelukkig. Totdat…
woensdag 17 november 2010
De rustige docent
Er was er eens een docent die geen orde kon houden in de klas. De leerlingen die graag wilden leren vonden dit een ramp, maar degenen die alleen maar naar school gingen bij gebrek aan beter hadden altijd de grootste lol als zij weer les hadden van de heer Suffertje, want dat was zijn naam. En met zo’n naam vraag je om moeilijkheden.
Nu zul je wel denken dat deze docent diep ongelukkig was. Zelf ben ik ook docent en ik stel mij voor dat het niet leuk is om voor een klas met brullende apen te staan. Want daar leek het wel een beetje op als je zijn klas binnenstapte. Iedereen liep heen en weer, men had zijn mobieltjes aan en zat soms uitgebreid te bellen, weer anderen zaten wat te lezen of probeerden wat te slapen, want het was weer laat geworden vannacht. Het was gewoon een zooitje.
Maar vreemd genoeg maakte de heer Suffertje zich niet druk. Hij had zich nog nooit druk gemaakt en zou eerlijk gezegd niet eens weten hoe dit moest. Waar veel van zijn collega’s al waren afgebrand en met een hoge bloeddruk thuis zaten, kwam hij altijd met een goed humeur naar school, bleef vriendelijk tegen iedereen, verhief nooit zijn stem en leek over een oneindig groot geduld te beschikken. Kortom, de heer Suffertje was een gelukkig mens.
Natuurlijk vond hij het jammer dat hij geen orde kon houden. Degenen in de klas die wel graag luisterden omdat ze wat van hem wilden leren en graag hun diploma wilden halen had hij aan het begin van het schooljaar al apart genomen. Na twee lessen te hebben gegeven wist hij precies welke leerlingen een ‘lang leve de lol’ mentaliteit hadden en welke al wat volwassener waren in hun gedrag.
Aan deze wat meer serieuze leerlingen had hij zich verontschuldigd. Ja, hij wist dat hij geen orde kon houden, maar hij had een hekel aan het gebruik van machtsmiddelen. Tenslotte moest het verlangen naar kennis van binnenuit komen en niet worden opgedrongen. Zijn collega’s gaven allen beter les dan hij, maar meldden zich herhaaldelijk ziek. Hij was nooit ziek en altijd de opgeruimdheid zelve.
Hij was er altijd voor zijn leerlingen en dat maakte veel goed.
Behalve dat hij zich verontschuldigde bood hij de serieuze leerlingen aan om op andere momenten les aan hen te geven. Niet verplicht om te komen, maar wel verstandig. Ze moesten dan wel stil zijn, want anders stopte hij met het geven van les. Hij vertelde hen dat als zij naar die lessen kwamen ze wat hem betreft in de lessen waar het altijd zo’n puinhoop was niet aanwezig hoefden te zijn.
De heer Suffertje regelde dit allemaal met de leerlingen zelf en die ontdekten dat het eigenlijk een heel goed plan was. Ze kwamen niet meer naar de lessen waar het altijd feest was, maar alleen naar de lessen waar het stil was. Eerst waren het er vijf, maar de week erna waren het er al 10. Als de heer Suffertje les gaf was doodstil. Hij kon alles goed uitleggen en deed dat met veel plezier.
De herrieschoppers liet hij niet toe in deze lessen en die vonden dit helemaal niet leuk. Eerst maakten ze nog meer kabaal dan voorheen, maar dat had geen effect op de heer Suffertje. In plaats daarvan wilden steeds meer leerlingen naar de lessen waar het rustig was. In minder dan een maand had de heer Suffertje weer een volle klas. De herrieratten kwamen niet meer naar zijn lessen. Aan zo’n dooie diender als de heer Suffertje was toch geen lol te beleven. En in de klas was niets te doen, want alle serieuze leerlingen volgden zijn lessen nu op een ander tijdstip.
Voortaan kon de heer Suffertje gewoon les geven. Een enkele keer als het desondanks toch lawaaierig was stopte hij met het geven van les, verontschuldigde zich en zei dat het nu tijd voor zijn middagdutje was en dat hij nu naar huis toe ging. Om te voorkomen dat het te onrustig werd in de klas zorgden de leerlingen er zelf voor dat het rustig werd. Herrieschoppers spraken ze aan op hun gedrag en die hielden zich een volgende keer wel in.
Nee, de heer Suffertje was niet zoals zijn naam vermoedde een suffertje. En omdat hij nu voortaan rustig les kon geven en de leerlingen hoge cijfers bij hem haalden was iedereen gelukkig. Alleen weet ik niet of ze allemaal lang en gelukkig leefden. Tenslotte is dit een modern sprookje.
Nu zul je wel denken dat deze docent diep ongelukkig was. Zelf ben ik ook docent en ik stel mij voor dat het niet leuk is om voor een klas met brullende apen te staan. Want daar leek het wel een beetje op als je zijn klas binnenstapte. Iedereen liep heen en weer, men had zijn mobieltjes aan en zat soms uitgebreid te bellen, weer anderen zaten wat te lezen of probeerden wat te slapen, want het was weer laat geworden vannacht. Het was gewoon een zooitje.
Maar vreemd genoeg maakte de heer Suffertje zich niet druk. Hij had zich nog nooit druk gemaakt en zou eerlijk gezegd niet eens weten hoe dit moest. Waar veel van zijn collega’s al waren afgebrand en met een hoge bloeddruk thuis zaten, kwam hij altijd met een goed humeur naar school, bleef vriendelijk tegen iedereen, verhief nooit zijn stem en leek over een oneindig groot geduld te beschikken. Kortom, de heer Suffertje was een gelukkig mens.
Natuurlijk vond hij het jammer dat hij geen orde kon houden. Degenen in de klas die wel graag luisterden omdat ze wat van hem wilden leren en graag hun diploma wilden halen had hij aan het begin van het schooljaar al apart genomen. Na twee lessen te hebben gegeven wist hij precies welke leerlingen een ‘lang leve de lol’ mentaliteit hadden en welke al wat volwassener waren in hun gedrag.
Aan deze wat meer serieuze leerlingen had hij zich verontschuldigd. Ja, hij wist dat hij geen orde kon houden, maar hij had een hekel aan het gebruik van machtsmiddelen. Tenslotte moest het verlangen naar kennis van binnenuit komen en niet worden opgedrongen. Zijn collega’s gaven allen beter les dan hij, maar meldden zich herhaaldelijk ziek. Hij was nooit ziek en altijd de opgeruimdheid zelve.
Hij was er altijd voor zijn leerlingen en dat maakte veel goed.
Behalve dat hij zich verontschuldigde bood hij de serieuze leerlingen aan om op andere momenten les aan hen te geven. Niet verplicht om te komen, maar wel verstandig. Ze moesten dan wel stil zijn, want anders stopte hij met het geven van les. Hij vertelde hen dat als zij naar die lessen kwamen ze wat hem betreft in de lessen waar het altijd zo’n puinhoop was niet aanwezig hoefden te zijn.
De heer Suffertje regelde dit allemaal met de leerlingen zelf en die ontdekten dat het eigenlijk een heel goed plan was. Ze kwamen niet meer naar de lessen waar het altijd feest was, maar alleen naar de lessen waar het stil was. Eerst waren het er vijf, maar de week erna waren het er al 10. Als de heer Suffertje les gaf was doodstil. Hij kon alles goed uitleggen en deed dat met veel plezier.
De herrieschoppers liet hij niet toe in deze lessen en die vonden dit helemaal niet leuk. Eerst maakten ze nog meer kabaal dan voorheen, maar dat had geen effect op de heer Suffertje. In plaats daarvan wilden steeds meer leerlingen naar de lessen waar het rustig was. In minder dan een maand had de heer Suffertje weer een volle klas. De herrieratten kwamen niet meer naar zijn lessen. Aan zo’n dooie diender als de heer Suffertje was toch geen lol te beleven. En in de klas was niets te doen, want alle serieuze leerlingen volgden zijn lessen nu op een ander tijdstip.
Voortaan kon de heer Suffertje gewoon les geven. Een enkele keer als het desondanks toch lawaaierig was stopte hij met het geven van les, verontschuldigde zich en zei dat het nu tijd voor zijn middagdutje was en dat hij nu naar huis toe ging. Om te voorkomen dat het te onrustig werd in de klas zorgden de leerlingen er zelf voor dat het rustig werd. Herrieschoppers spraken ze aan op hun gedrag en die hielden zich een volgende keer wel in.
Nee, de heer Suffertje was niet zoals zijn naam vermoedde een suffertje. En omdat hij nu voortaan rustig les kon geven en de leerlingen hoge cijfers bij hem haalden was iedereen gelukkig. Alleen weet ik niet of ze allemaal lang en gelukkig leefden. Tenslotte is dit een modern sprookje.
maandag 15 november 2010
De sociaal rechercheur
Er was er eens een sociaal rechercheur die het even niet meer zag zitten. Er werd zoveel gefraudeerd dat hij niet meer door de stapels signalen en klikbriefjes heen kon komen.
Tot voor kort dacht men bij de Sociale Dienst dat het allemaal wel mee viel. Het was nog in de goede oude tijd dat ze geen computers hadden en de gegevens van klanten soms in vuistdikke dossiers werden opgeborgen. Voor elke aanvraag een halve centimeter aan formulieren en rapporten.
Men was er zo van overtuigd dat men als organisatie genoeg respect afdwong bij de burgers dat het idee van fraude niet eens in de koppen van het management en de bijstandsmaatschappelijk werkers op kwam. Zij lieten zich niet bedotten.
Maar de feiten logen er niet om. Heel langzaam begon het tot iedereen door te dringen dat deze houding van ‘onaantastbaarheid’ hen blind maakte voor wat er werkelijk allemaal gebeurde. En toen men gericht fraudeonderzoek ging doen bleek er bijna met elk dossier wel wat aan de hand te zijn.
Men trok uiteindelijk een sociaal rechercheur aan omdat men er maar niet in slaagde om de fraude terug te dringen. Vanaf de eerste dag werd deze bedolven onder de frauderapporten.
Vandaag had hij zijn tas vol gegooid met dossiers. In zijn extra grote tas konden tien dikke dossiers.
Hij had de zwaarste gevallen meegenomen. Degene van hen die het minst de boel had getild stond nog steeds een kleine tienduizend gulden, zeg maar vijfduizend euro, bij de Sociale Dienst in het krijt.
De grootste oplichter had de boel vernaggeld voor het tienvoudige.
Allemaal waren het op het eerste gezicht keurig nette eenvoudige mensen die de verleiding niet hadden kunnen weerstaan om hun inkomsten met wat extra’s aan te vullen. Alleenstaande moeders met kinderen, oudere alleenstaanden, gezinnen, jongeren die liever hun hand ophielden dan in de fabriek te gaan staan…Iedereen fleste de boel en zij vonden zichzelf heus geen misdadigers. Nee, dat waren die zakkenvullers in Den Haag. Of die hoge heren bij de Shell of bij de ABN. Die kwamen overal mee weg. Ze waren eerder verontwaardigd dat men ze had gepakt dan dat ze zich schuldig voelden.
Pas toen ze begrepen dat er aangifte zou worden gedaan en dat ze kans liepen op een strafblad beseften ze dat er blijkbaar toch iets niet helemaal klopte. Met de feestdagen in het vooruitzicht was het geen leuk idee dat ze gedagvaard zouden worden. Van sommigen was de uitkering gestopt en anderen hadden te horen gekregen dat ze straks veel geld zouden moeten terugbetalen.
De sociaal rechercheur zette zijn fiets op de standaard en leunde over de rand van de brug. Vijfentwintig meter beneden hem stroomde het kille grijze water van de Maas. Als je van deze hoogte naar beneden viel of sprong kwam je neer op het water alsof het beton was. Geen kans dat je het zou overleven. Hij keek nog eens om zich heen. Geen mens. Alleen wat auto’s die aan de andere kant langs hem heen reden. Met een soepel gebaar maakte hij de tas open, greep de stapel dossiers en zonder te aarzelen gooide hij ze naar beneden. Toen deed hij zijn tas weer dicht. Hij slaakte een zucht van verlichting. Niemand zou hem er van verdenken dat hij de dossiers had weggegooid. Ze zouden ze aanvankelijk niet eens missen. Het gebeurde wel vaker dat dossiers zoek raakten. Niets aan de hand. Dit moest hij vaker doen. Hij klom op zijn fiets en reed fluitend verder.
En de fraudeurs. Die hoorden tot hun verbazing nooit meer iets van de Sociale Dienst. Ze kregen geen dagvaarding, geen korting, geen verzoek om terugbetaling. En ze leefden nog lang en gelukkig.
Tot voor kort dacht men bij de Sociale Dienst dat het allemaal wel mee viel. Het was nog in de goede oude tijd dat ze geen computers hadden en de gegevens van klanten soms in vuistdikke dossiers werden opgeborgen. Voor elke aanvraag een halve centimeter aan formulieren en rapporten.
Men was er zo van overtuigd dat men als organisatie genoeg respect afdwong bij de burgers dat het idee van fraude niet eens in de koppen van het management en de bijstandsmaatschappelijk werkers op kwam. Zij lieten zich niet bedotten.
Maar de feiten logen er niet om. Heel langzaam begon het tot iedereen door te dringen dat deze houding van ‘onaantastbaarheid’ hen blind maakte voor wat er werkelijk allemaal gebeurde. En toen men gericht fraudeonderzoek ging doen bleek er bijna met elk dossier wel wat aan de hand te zijn.
Men trok uiteindelijk een sociaal rechercheur aan omdat men er maar niet in slaagde om de fraude terug te dringen. Vanaf de eerste dag werd deze bedolven onder de frauderapporten.
Vandaag had hij zijn tas vol gegooid met dossiers. In zijn extra grote tas konden tien dikke dossiers.
Hij had de zwaarste gevallen meegenomen. Degene van hen die het minst de boel had getild stond nog steeds een kleine tienduizend gulden, zeg maar vijfduizend euro, bij de Sociale Dienst in het krijt.
De grootste oplichter had de boel vernaggeld voor het tienvoudige.
Allemaal waren het op het eerste gezicht keurig nette eenvoudige mensen die de verleiding niet hadden kunnen weerstaan om hun inkomsten met wat extra’s aan te vullen. Alleenstaande moeders met kinderen, oudere alleenstaanden, gezinnen, jongeren die liever hun hand ophielden dan in de fabriek te gaan staan…Iedereen fleste de boel en zij vonden zichzelf heus geen misdadigers. Nee, dat waren die zakkenvullers in Den Haag. Of die hoge heren bij de Shell of bij de ABN. Die kwamen overal mee weg. Ze waren eerder verontwaardigd dat men ze had gepakt dan dat ze zich schuldig voelden.
Pas toen ze begrepen dat er aangifte zou worden gedaan en dat ze kans liepen op een strafblad beseften ze dat er blijkbaar toch iets niet helemaal klopte. Met de feestdagen in het vooruitzicht was het geen leuk idee dat ze gedagvaard zouden worden. Van sommigen was de uitkering gestopt en anderen hadden te horen gekregen dat ze straks veel geld zouden moeten terugbetalen.
De sociaal rechercheur zette zijn fiets op de standaard en leunde over de rand van de brug. Vijfentwintig meter beneden hem stroomde het kille grijze water van de Maas. Als je van deze hoogte naar beneden viel of sprong kwam je neer op het water alsof het beton was. Geen kans dat je het zou overleven. Hij keek nog eens om zich heen. Geen mens. Alleen wat auto’s die aan de andere kant langs hem heen reden. Met een soepel gebaar maakte hij de tas open, greep de stapel dossiers en zonder te aarzelen gooide hij ze naar beneden. Toen deed hij zijn tas weer dicht. Hij slaakte een zucht van verlichting. Niemand zou hem er van verdenken dat hij de dossiers had weggegooid. Ze zouden ze aanvankelijk niet eens missen. Het gebeurde wel vaker dat dossiers zoek raakten. Niets aan de hand. Dit moest hij vaker doen. Hij klom op zijn fiets en reed fluitend verder.
En de fraudeurs. Die hoorden tot hun verbazing nooit meer iets van de Sociale Dienst. Ze kregen geen dagvaarding, geen korting, geen verzoek om terugbetaling. En ze leefden nog lang en gelukkig.
zondag 14 november 2010
Er was er eens...
Er was er eens nog niet zo lang geleden een mooi meisje van 21 jaar. Zij was hier illegaal in Nederland. Toen zij nog op de Balkan woonde bij haar ouders was zij door haar vader en door haar broers seksueel misbruikt net toen ze 15 jaar was.
Nu zat zij in de prostitutie. Eerlijk gezegd hield zij niet zo van haar werk. Meestal zat ze wat naar achteren in het donker zodat de mannen die wellustig langs haar raam liepen moeite moesten doen om haar te zien. Als zij haar dan zagen waren ze verrast door haar schoonheid en waren zij bereid om veel geld te betalen om met haar naar bed te mogen.
's Nachts lag zij hete tranen schreiend in haar bed.
Had ik maar iemand die van mij hield en voor mij wilde zorgen, dacht ze.
Op zekere dag reed er een grote witte schimmel door de straat waar zij werkte. Op de rug van het beest zat een knappe agent met een mooi uniform aan. Hij leek wel een prins.
Hij stopte voor haar raam en steeg af. Vervolgens drukte hij zijn neus tegen het raam. Ze had zich in het donker zoveel mogelijk teruggetrokken maar hij zag haar toch. Hij gebaarde dat ze open moest doen.
Ze deed de deur open.Beiden keken elkaar sprakeloos aan. Hij dacht "Wat is ze mooi" en zij dacht precies hetzelfde van hem.
Mag ik je papieren eens zien, vroeg hij haar in het Engels. I don't have any papers, antwoordde ze. Hij keek haar nog eens goed aan. Toen klom hij zwijgend op zijn paard, keek haar nog eens diep in de ogen, tikte tegen de rand van zijn pet en liep langzaam weg.
Die avond in het donker kwam hij terug. Hij droeg nu gewone kleding en alleen aan zijn knappe gezicht en goedgekamde haren kon je zien dat hij vermoedelijk een agent was.
Ze herkende hem meteen en liet hem verbaasd binnen. Ze gingen naar haar kamer. Hij vroeg haar hoeveel het was en betaalde. Vanaf dat moment kwam Harry, want zo heette de agent, elke week drie keer langs. Al snel was hun relatie niet alleen zakelijk meer. Na twee maanden bekende hij haar dat hij verliefd op haar was en vroeg haar of ze met hem wilde trouwen. Ze was verrast door zijn aanzoek maar aarzelde geen moment. Ofcourse, zei ze. Als je me belooft om nooit meer naar de hoeren te gaan. Dat beloofde hij en ze leefden nog lang en gelukkig.
Nu zat zij in de prostitutie. Eerlijk gezegd hield zij niet zo van haar werk. Meestal zat ze wat naar achteren in het donker zodat de mannen die wellustig langs haar raam liepen moeite moesten doen om haar te zien. Als zij haar dan zagen waren ze verrast door haar schoonheid en waren zij bereid om veel geld te betalen om met haar naar bed te mogen.
's Nachts lag zij hete tranen schreiend in haar bed.
Had ik maar iemand die van mij hield en voor mij wilde zorgen, dacht ze.
Op zekere dag reed er een grote witte schimmel door de straat waar zij werkte. Op de rug van het beest zat een knappe agent met een mooi uniform aan. Hij leek wel een prins.
Hij stopte voor haar raam en steeg af. Vervolgens drukte hij zijn neus tegen het raam. Ze had zich in het donker zoveel mogelijk teruggetrokken maar hij zag haar toch. Hij gebaarde dat ze open moest doen.
Ze deed de deur open.Beiden keken elkaar sprakeloos aan. Hij dacht "Wat is ze mooi" en zij dacht precies hetzelfde van hem.
Mag ik je papieren eens zien, vroeg hij haar in het Engels. I don't have any papers, antwoordde ze. Hij keek haar nog eens goed aan. Toen klom hij zwijgend op zijn paard, keek haar nog eens diep in de ogen, tikte tegen de rand van zijn pet en liep langzaam weg.
Die avond in het donker kwam hij terug. Hij droeg nu gewone kleding en alleen aan zijn knappe gezicht en goedgekamde haren kon je zien dat hij vermoedelijk een agent was.
Ze herkende hem meteen en liet hem verbaasd binnen. Ze gingen naar haar kamer. Hij vroeg haar hoeveel het was en betaalde. Vanaf dat moment kwam Harry, want zo heette de agent, elke week drie keer langs. Al snel was hun relatie niet alleen zakelijk meer. Na twee maanden bekende hij haar dat hij verliefd op haar was en vroeg haar of ze met hem wilde trouwen. Ze was verrast door zijn aanzoek maar aarzelde geen moment. Ofcourse, zei ze. Als je me belooft om nooit meer naar de hoeren te gaan. Dat beloofde hij en ze leefden nog lang en gelukkig.
zaterdag 13 november 2010
Een onrustige nacht.
Het is donker in mijn slaapkamer. De gordijnen zijn gesloten zodat het licht van de volle maan niet naar binnen kan schijnen.
Uit de kast in de hoek klinkt gekreun en gestommel. Dit is nu al zo sinds ik in bed lig. Ik sta maar weer eens op en bonk met mijn vuist op de kast.
Stilte, roep ik hard. Stilte. En ik bonk nog eens. Het is stil. Ik ga weer terug naar bed. Als ik er naast sta word ik onverwachts bij mijn enkels vastgepakt.
Hou op, gil ik geschrokken met overslaande stem en ruk me los.
Het geschuifel en gezucht vanonder het bed klinkt alsof het door iets groots wordt voortgebracht en houdt dan op. Ik kruip onder de dekens. Op dat moment gaat de telefoon. Ik zie ik dat het bijna drie uur is. Wie belt er nu midden in de nacht? Dat kan alleen maar slecht nieuws zijn. En omdat ik dat niet horen wil laat ik de telefoon net zo lang overgaan tot deze ophoudt.
Het is nu weer doodstil in de slaapkamer. Na wat onrustig woelen sta ik op en schuif een gordijn opzij. De maan staat groot en koud aan de hemel. Ik open het raam en klim naar buiten. Voorzichtig laat ik me zakken op het platte dak. Het is fris zo in mijn blote gat. Waarom ben ik ook zo stom geweest om niet even wat warms aan te trekken?
Van slapen zal vannacht niet veel meer komen.Ik ga op mijn hurken zitten. Maar goed dat niemand mij kan zien. Een blote man op een plat dak in het volle maanlicht is zo niet 2010. Dit deed je in de zestiger jaren met een jointje tussen je lippen.
Na nog geen 10 minuten hou ik het wel voor gezien en klim weer naar binnen.
Ik ben nu koud tot op het bot en klappertandend trek ik de dekens over mij heen.
Straks kan ik gelukkig uitslapen. Als ik tenminste nog in slaap val.
Uit de kast in de hoek klinkt gekreun en gestommel. Dit is nu al zo sinds ik in bed lig. Ik sta maar weer eens op en bonk met mijn vuist op de kast.
Stilte, roep ik hard. Stilte. En ik bonk nog eens. Het is stil. Ik ga weer terug naar bed. Als ik er naast sta word ik onverwachts bij mijn enkels vastgepakt.
Hou op, gil ik geschrokken met overslaande stem en ruk me los.
Het geschuifel en gezucht vanonder het bed klinkt alsof het door iets groots wordt voortgebracht en houdt dan op. Ik kruip onder de dekens. Op dat moment gaat de telefoon. Ik zie ik dat het bijna drie uur is. Wie belt er nu midden in de nacht? Dat kan alleen maar slecht nieuws zijn. En omdat ik dat niet horen wil laat ik de telefoon net zo lang overgaan tot deze ophoudt.
Het is nu weer doodstil in de slaapkamer. Na wat onrustig woelen sta ik op en schuif een gordijn opzij. De maan staat groot en koud aan de hemel. Ik open het raam en klim naar buiten. Voorzichtig laat ik me zakken op het platte dak. Het is fris zo in mijn blote gat. Waarom ben ik ook zo stom geweest om niet even wat warms aan te trekken?
Van slapen zal vannacht niet veel meer komen.Ik ga op mijn hurken zitten. Maar goed dat niemand mij kan zien. Een blote man op een plat dak in het volle maanlicht is zo niet 2010. Dit deed je in de zestiger jaren met een jointje tussen je lippen.
Na nog geen 10 minuten hou ik het wel voor gezien en klim weer naar binnen.
Ik ben nu koud tot op het bot en klappertandend trek ik de dekens over mij heen.
Straks kan ik gelukkig uitslapen. Als ik tenminste nog in slaap val.
Abonneren op:
Reacties (Atom)