Er was er eens een eenvoudige man. Ik laat hem hier zijn verhaal vertellen, want dat kan hij beter dan ik.
Mijn naam is Herman, van beroep financieel adviseur, 35 jaar en sinds twee jaar gescheiden. Gelukkig zijn er geen kinderen en is mijn ex-vrouw zelf in staat om voor een inkomen te zorgen. Dat betekent dat we elkaar na de scheiding uit het oog zijn verloren.
U heeft mij vast wel eens gezien. Naast u in het openbaar vervoer, tegenover u aan tafel in de bibliotheek of gewoon ergens op straat. Ik zal u niet zijn opgevallen want ik zie er gewoontjes uit. Een doorsnee man, tenger gebouwd, normale lengte, bril en al wat kalend op mijn achterhoofd. Dat wist ik tot voor kort zelf niet, maar iemand heeft me er op gewezen. Eerst schrok ik natuurlijk, maar nu ben ik er aan gewend. Ik draag sindsdien wel een hoed.
Ik heb een klein adviesbureau en werk twee dagen per week als accountant voor een verzekeringsbedrijf. Mijn uitgaven zijn minimaal en ik overdrijf niet als ik zeg dat ik maandelijks een flink bedrag opzij kan zetten. Overigens interesseert het me niet zoveel hoeveel ik verdien. Sinds mijn scheiding leef ik alleen voor mezelf en ik heb niet veel nodig. Geldzorgen hebben lijkt mij in deze samenleving , waarin we omkomen in onze eigen overvloed, één van de ergste dingen. Misschien omdat ik weet dat ik veel van al die spulletjes kopen kan doe ik het niet. Mijn huis is dan ook eenvoudig ingericht en ik wil dit zo houden.
Sinds mijn scheiding ga ik naar de kroeg. Thuis word ik door de stilte naar buiten gejaagd.
Niet dat ik zo’n gezelligheidsmens ben. Integendeel. Ik heb mij in het gezelschap van mensen altijd onhandig gevoeld en dat heb ik nog steeds. Als ik in de kroeg zit dan word ik het liefst met rust gelaten. Ik kan dan rustig om mij heen kijken en naar de gesprekken luisteren die er worden gevoerd. Luisteren kan ik goed. Niets ontgaat me. Als kind al probeerde ik de gesprekken tussen mijn ouders te begrijpen. Tevergeefs, natuurlijk. Al kon ik aan de wijze waarop ze met elkaar praatten wel horen of ze ruzie met elkaar hadden of goed met elkaar waren. Meestal hadden ze ruzie. Mijn vader was een driftig man en kon zijn handen niet altijd thuis houden. Na de scheiding, ik was toen negen jaar, heeft mijn moeder mij alleen opgevoed. Broertjes of zusjes had ik niet. Misschien dat ik mij daarom onder de mensen altijd een beetje ongemakkelijk heb gevoeld.
Maar genoeg over mij. Ik wil u iets vertellen wat mij gisteravond is overkomen. Ik zit er een beetje mee en u bent misschien de enige die mij begrijpt en mij een advies zou kunnen geven.
Gisteren zat ik hier ook. Bijna op dezelfde plek. De barman had mij een wit biertje ingeschonken en ik zat rustig de te lezen toen er een schaduw over mijn krant viel. Ik keek opzij, recht in het bebaarde gezicht van een reus. Dat was tenminste mijn eerste indruk.
De man had een ernstige blik in zijn donkere ogen en keek mij vriendelijk aan.
“Herman?” vroeg hij. Ik herkende de stem onmiddellijk. “Theo?”. Er verscheen een brede grijns op zijn gezicht. Hij pakt mij bij de schouders en schudde mijn hand. Het leek of mijn arm er werd afgerukt.
“Hoe gaat het met je? Dat is lang geleden.”
“Zeker vijf jaar”, was mijn reactie.
“Vijf jaar? Ja, het zal wel. Alles goed?”
“Prima. Ja hoor , alles goed. En met jou?”
“Ook goed”. We stonden als kleine jongens te glunderen. Alsof we vroeger de grootste vrienden waren geweest. Dat was niet het geval, maar we deelden beiden wel een deel van ons leven. We zaten allebei gedurende zeker twee jaar bij elkaar in dezelfde cel. Toen ik vrij kwam moest Theo nog een jaartje zitten. Ik heb hem nog één keer opgezocht, maar hij begreep wel dat dat de laatste keer was.
Ik bestelde twee biertjes en Theo ging naast me op een lege kruk zitten. Zijn kolossale gestalte leek in de krappe ruimte van de cel wel twee keer zo groot, maar ook nu werd ik geïmponeerd door deze oersterke man, die zijn eigen krachten niet kende.
Ik hoorde van Theo dat hij tegenwoordig uitsmijter was bij een bekende nachtclub. Hij was getrouwd en had een zoon. Het leek er op dat hij zijn leven goed op de rails had gekregen na zijn gevangenisstraf.
Ik aarzelde met het stellen van een vraag die eigenlijk gelijk in mij opkwam toen ik hem had herkend. Misschien zou hij er zelf wel over beginnen.
“Nog steeds in geldzaken?” vroeg Theo aan me. Ik knikte. Ik vertelde hem dat ik een eigen bedrijfje had en een paar dagen in loondienst werkte. Bijna kwam ik in de verleiding om hem te vertellen van mijn nevenverdiensten, maar dit leek mij niet verstandig. Hoe minder mensen dit wisten des te beter.
Destijds hadden mijn illegale activiteiten mij ontzettend veel geld opgeleverd. Een groot deel daarvan stond nog steeds op een bank in Zwitserland, maar ook al was ik jaren vrij, ik durfde het niet op te nemen omdat ik het idee had dat ik nog steeds in de gaten werd gehouden. Wat ook zo was.
“Je zult je wel afvragen of ik nog contact heb opgenomen met die weduwe?” begon Theo opeens tot mijn verrassing. Het onderwerp kwam op zo’n natuurlijke manier ter sprake alsof we het er gisteren nog over hadden gehad.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten