Ze zit naast hem aan het bed en veegt met een vochtig washandje het zweet van zijn voorhoofd. Nog een kwartier, dan gaat ze weer weg. Het is een eind rijden naar huis.
“Pa, straks komt de zuster. Zal ik je helpen om wat rechter te gaan zitten?” Ze gaat staan en trekt de dekens naar beneden zodat ze hem goed beet kan pakken. Met zijn ruim honderd kilo is hij eigenlijk veel te zwaar voor haar en ze moet uitkijken voor haar rug.
Hijgend probeert hij zich op te richten. Er loopt een kwijlsliert langs zijn kin.
“Hoor je de engelen blazen op hun trompetten? Het hemelse gerecht heeft zich ten lange leste erbarmd over mij…Halleluja. De klaroenen schallen. Moeder, ik kom.”
Ze moppert. “Pa, zit nu eens stil. Zo kan ik je toch niet helpen. En het is heus je tijd nog niet. Ik hoor de muziek ook. De radio staat aan. Kijk maar.” Ze wijst op de radio waarvan het rode lichtje brandt. Hij negeert haar en gaat door met oreren.
“Wee de zondaars die andere goden aanbidden, zij zullen branden als fakkels in de hel.”
“ Wist je dat ik kan toveren?” zegt hij opeens en kijkt olijk. “Niks in mijn linkermouw, niks in mijn rechtermouw, maar moet je hier eens kijken…”
Ze schrikt. “Pa, dit kan toch echt niet. Wat zijn dit voor rare grappen. Trek je broek omhoog.” Ze helpt hem overeind en fatsoeneert zijn pyjamajasje.
“Wanneer halen ze de stekker er nu eens uit? Laat ze me euthanaseren, laat ze er een eind aan maken.”
Ze negeert wat hij zegt en gooit het over een andere boeg.
“Pa, je kleindochter is zwanger. Is dat niet leuk?”
Hij kijkt haar verbaasd met grote ogen aan. Dringt het tot hem door wat ze hem heeft gezegd?
“Nog meer mensen op de wereld. Blijven jullie allemaal doorfokken?”
“Als Anja komt zou het fijn zijn als je anders zou reageren”, zegt ze bestraffend.
Er komt een vrouw de zaal op. Ze herkent haar als de arts die ze vorige week ook gesproken heeft.
Toen lag hij nog aan allerlei slangetjes, half in coma. Vergeleken met toen is hij aardig opgeknapt.
De dokter geeft haar een hand. “Uw vader heeft een delier. Zoals u ziet is hij helemaal in de war”, zegt ze.
”Hij heeft het steeds maar weer over euthanasie”, zegt de vrouw.
“Zolang hij een delier heeft mogen we hier niet teveel waarde aan hechten. Als hij straks weer is opgeknapt zullen we eens met hem praten en vragen wat hij wil”, zegt de arts.
Beiden praten nog wat verder over de toestand van de oude man die met twee kussens in zijn rug keurig rechtop in bed zit, zijn twee handen boven de dekens gevouwen alsof hij zit te bidden.
“Is uw vader gelovig?” vraagt de arts nieuwsgierig. Ook zij had hem al menigmaal hele stukken uit de bijbel horen citeren als zij weer eens haar ronde deed.
“Alleen als hij gedronken heeft”, antwoordt de vrouw en in gedachten ziet ze hem weer op het dak staan om het evangelie te verkonden. Dat was drie jaar geleden toen ze onverwachts bij hem langs kwam. De buren probeerden hem naar beneden te praten, maar met in zijn linkerhand een fles cognac en in zijn rechterhand de bijbel had hij het prima naar zijn zin zo op het platte dak.
Uiteindelijk moest de brandweer hem naar beneden halen.
“Ik moet weer weg. Als het slechter met hem gaat of als er wat is dan hoor ik het wel”, zegt de vrouw en ze pakt haar jas. Ze kijkt naar buiten. De zon schijnt fel en staat laag aan de hemel. Over een uur zal het donker zijn.
“Nou pa, tot een volgende keer”, zegt ze en kust hem op een wang. Bij de deur draait ze zich nog een keertje om.” Misschien zie ik hem nu wel voor het laatst”, denkt ze. Ze zwaait maar hij reageert niet.
In de wagen op weg naar huis is ze zo in gedachten verzonken dat ze de grote truck, die een haar tegemoet komende tractor passeert, pas opmerkt als ze nog geen tien meter van hem vandaan is.
Haar vader knapte tegen alle verwachtingen in weer op. Hij vond het vreemd dat zijn dochter niet meer langs kwam maar stond er niet lang bij stil. Hij leefde nog een half jaar verder als een kasplantje. Niet lang en ook niet gelukkig. Zo gaan de dingen soms.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten