woensdag 24 november 2010

De grote eenzame man.

Nee, deskundig was hij nooit geweest. De positie die hij had gehad en die hij nu moest opgeven in verband met zijn leeftijd had hij ook niet te danken gehad aan enig talent, of het moest zijn fijne neus zijn voor wie hij in de kont moest kruipen. Hij had zich een weg omhoog geknokt en geslijmd. Er zat eelt op zijn ellenbogen en met zijn bruine tong likte hij op de spaarzame momenten van rust de wonden die hem in de strijd door zijn rivalen waren toegebracht.
Vrienden had hij al lang niet meer. Hij was de laatste jaren omgeven geweest door hielenlikkers en lakeien. Niemand die hem ooit de waarheid had durven te vertellen. Niemand die tegen hem had durven zeggen “ Hé lul, wat ben jij een rat. Besef je niet dat het onkruid dat je oogst door jezelf gezaaid is? Dat je een spoor van verwoesting hebt achtergelaten overal waar jij je gezicht hebt laten zien. Dumbo!”
Omdat iedereen om zijn flauwe grapjes lachte dacht hij in het begin nog dat hij leuk was. Maar die illusie verloor hij al snel en hij raakte de gewoonte kwijt om te lachen om zijn eigen grapjes. Hij werd er zelfs droevig van.
Soms, op recepties en informele bijeenkomsten, had hij geprobeerd om amicaal te zijn, maar behoedzaam hield men altijd afstand, terwijl men hem geen moment uit het oog verloor.
Men rook zijn geldingsdrang, men proefde zijn angst voor werkelijk menselijk contact op de tong.
Hij zoog je leeg met zijn hunkering naar warmte en begrip. Voortdurend zat hij te hengelen naar bevestiging. Je voelde je verloren door zijn eenzaamheid. Om zelf niet beschadigd te raken moest je wel vluchten. Alleen degenen die de prijs wilden betalen, alleen zij die dachten dat zij onschendbaar waren, bleven in zijn buurt. Een nieuwe generatie slappelingen die anderen nodig hadden om hun ego mee te voeden. Totdat deze zo groot en vet was dat hij op punt van barsten stond. Brulkikkers in de nacht, die het water in de stille vijver aan het rimpelen brachten, waarna het weer stil werd en het leek of er niets was gebeurd.
In de spiegel zag hij een man die de vele veldslagen in de maatschappij gewonnen had maar op het punt stond om onvermijdelijk de laatste en belangrijkste slag te verliezen.
“ Heeft het leven mij gegeven wat ik er van had gedroomd?” vroeg hij zich af. Hij zat in de huiskamer op de bank, de televisie aan, het geluid weggedraaid. Zijn vrouw lag al te slapen. Hij hoorde haar snurken door de slaapkamerdeur heen. “Ben ik een gelukkig mens?”
De telefoon ging. Hij was verbaasd. Telefoon? Om deze tijd? Het was vijf voor twaalf. Hij nam op.
“Hé, ouwe rukker. Gefeliciteerd. En nog vele jaren” Op de achtergrond hoorde hij gelach en gejoel en een paar vrouwenstemmen zongen ”Lang zal die leven”.
“Met wie spreek ik?”, vroeg hij. Hij hoorde hoe iemand aan de andere kant tegen een ander zei “ Ik geloof dat ik een verkeerd nummer heb gebeld”. Even was het stil. Toen werd de verbinding verbroken. Hij stond daar met de telefoon in zijn hand. Hij zag dat het twaalf uur was. Hij was nu vijfenzestig. Voortaan zou hij alleen zijn vrouw nog hebben om de baas over te spelen. Zij was echter sterker dan hij en speelde de baas over hem als zij dat nodig vond.
Hij liep naar de keuken, stak een kaars aan en zette die op het aanrecht. Toen draaide hij de gaskraan van de oven wijd open, deed het licht uit en liep naar de slaapkamer. Zijn vrouw lag nog steeds te snurken. Ze hadden hem bij het afscheid op de zaak nog een lang en gelukkig leven toegewenst. Jammer voor iedereen, maar hij geloofde niet in sprookjes.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten