Er waren eens drie zussen. Ze waren alle drie beeldschoon en bijna volwassen. Ze woonden samen met hun moeder in een hutje aan de rand van het bos. Zij waren arm maar gelukkig met elkaar. Met het verstellen van kleding en het bakken van taarten wisten zij een karig inkomen bij elkaar te schrapen. En door zuinig te leven wisten zij zich goed te redden.
Moeder ontving af en toe een heer uit het dorp. Zij stuurde haar dochters dan het bos in om bessen te plukken of om naar noten te zoeken, waarna zij zich met de heer afzonderde in haar slaapkamer.
Als de heer weer weg was en de dochters met hun manden vol bessen of noten thuis waren gekomen had zij altijd een lekkere appeltaart gemaakt. Het hele huis geurde er naar. Tjonge jonge wat kon hun moeder lekkere appeltaarten bakken. En als zij dan zo heerlijk van zo’n stukje taart zaten te peuzelen vertelde ze hen soms dat ze nog wat geld in een oude sok gevonden had en dat ze daarom dit weekend met z’n allen naar de stad zouden gaan om te gaan shoppen en dan juichten ze alle drie van blijdschap, want er was niets leukers ter wereld dan shoppen met hun moeder.
De vader van de meisjes was overleden bij de geboorte van de jongste dochter. Hij had er niet tegen gekund dat zijn vrouw zo moest lijden bij de bevalling en had zich zo druk gemaakt dat zijn hart het begeven had.
In die tijd was het niet ongewoon dat de vrouw in het kraambed kwam te overlijden en ook hier had dit niet veel gescheeld. Maar toen de moeder hoorde dat haar man de bevalling niet had overleefd besloot zij te blijven leven. Iemand moest de kinderen tenslotte verzorgen. En zo gebeurde het dat zij haar drie dochters in haar eentje groot bracht. Zij hield zielsveel van hen en de warmte en liefde die zij aan hen gaf straalde van alle drie af.
Op een dag kwam er een loverboy voorbij. Het was een knap uitziende jongen met mooie praatjes. De moeder en haar dochters zaten in de tuin onder de parasol een kopje thee te drinken.
“ Goedemiddag dames”, zei de loverboy. Hij stond bij het hekje met zijn hoed in de hand.
Alle vier keken zij verrast op. Wat een knappe man stond daar. “Heeft u soms een glas water voor me. Ik heb een vreselijke dorst”, zei de loverboy. De moeder nodigde hem uit om bij hen te komen zitten en hij gaf gehoor aan haar uitnodiging.
Hij vertelde dat hij op weg was naar de grote stad over de bergen, waar hij samen met zijn twee broers een herberg bezat. Het was een herberg zo groot als een klein landhuis en onder zijn gasten kende het vele voorname mannen van goede komaf. Hij zocht nog een meisje dat bij hem in de bediening wilde werken. Zou één van haar dochters daar misschien geen belangstelling voor hebben?
De oudste die twintig jaar was keek haar moeder met vragende blik aan. Zij zou zo graag eens wat meer van de wereld willen zien. Haar moeder leek echter in gedachten verzonken. Laatst was de burgemeester bij haar langs geweest. Toen zij haar dochters het bos in had gestuurd en zich met de burgemeester had teruggetrokken in haar haar slaapkamer, had hij haar verteld over een knappe man die al menig jong meisje uit de streek in het verderf had gestort. Met zijn mooie praatjes wist hij hun ouders ervan te overtuigen dat zij een mooi leven tegemoet gingen als zij voor hem en zijn broers in hun herberg kwam werken. En nu hij tegenover haar zat begreep de moeder dat dit hem was. Hij zag er inderdaad knap uit en had mooie praatjes, al wist zij dat deze niet deugden.
“Meisjes, gaan jullie eens wat bessen plukken. Dan bak ik een lekkere bessentaart als jullie terug zijn.” De meisjes waren teleurgesteld dat ze al weer het bos in moesten. Vorige week ook al. Vooral de oudste had moeite om haar teleurstelling te verbergen. Maar zonder tegen te spreken gingen ze op pad, terwijl de knappe jongeling beloofde dat hij op hen zou wachten.
Toen haar dochters weg waren vroeg de moeder aan de man of hij met haar naar haar slaapkamer wilde gaan. Deze was niet verbaasd. Dit was hem al veel vaker overkomen. Hij volgde haar naar de slaapkamer. Zij deed de deur voor hem open en vroeg hem om zich te ontkleden en op het bed te gaan liggen. Hij voldeed aan haar verzoek. Ondertussen sloot zij de gordijnen. Toen hij in de schemer zijn blote niksie op het bed lag zei de moeder dat ze nog even naar het toilet ging. In werkelijkheid ging ze naar de schuur, pakte een bijl en toen ze weer in haar slaapkamer was sloeg ze met een stevige klap de schedel in van de loverboy. Die was van het ene op het andere moment morsdood.
Ze wikkelde het lichaam in het laken en sleepte dat naar buiten. Daar dumpte ze het in een greppel achter haar huis. Ze zou hem op een ander moment wel begraven. Met een emmertje sop boende ze haar kamer schoon, waste zich bij de kraan en was net klaar toen haar dochters weer thuis kwamen.
Deze waren teleurgesteld dat de knappe man ondanks zijn belofte toch was weggegaan.
“Kerels zijn niet te vertrouwen”, zei de oudste dochter. Haar moeder gaf haar gelijk. Ze bakte een heerlijke bessentaart zoals ze had beloofd. En met z’n vieren leefden ze nog lang en gelukkig.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten