Er was er eens een sociaal rechercheur die het even niet meer zag zitten. Er werd zoveel gefraudeerd dat hij niet meer door de stapels signalen en klikbriefjes heen kon komen.
Tot voor kort dacht men bij de Sociale Dienst dat het allemaal wel mee viel. Het was nog in de goede oude tijd dat ze geen computers hadden en de gegevens van klanten soms in vuistdikke dossiers werden opgeborgen. Voor elke aanvraag een halve centimeter aan formulieren en rapporten.
Men was er zo van overtuigd dat men als organisatie genoeg respect afdwong bij de burgers dat het idee van fraude niet eens in de koppen van het management en de bijstandsmaatschappelijk werkers op kwam. Zij lieten zich niet bedotten.
Maar de feiten logen er niet om. Heel langzaam begon het tot iedereen door te dringen dat deze houding van ‘onaantastbaarheid’ hen blind maakte voor wat er werkelijk allemaal gebeurde. En toen men gericht fraudeonderzoek ging doen bleek er bijna met elk dossier wel wat aan de hand te zijn.
Men trok uiteindelijk een sociaal rechercheur aan omdat men er maar niet in slaagde om de fraude terug te dringen. Vanaf de eerste dag werd deze bedolven onder de frauderapporten.
Vandaag had hij zijn tas vol gegooid met dossiers. In zijn extra grote tas konden tien dikke dossiers.
Hij had de zwaarste gevallen meegenomen. Degene van hen die het minst de boel had getild stond nog steeds een kleine tienduizend gulden, zeg maar vijfduizend euro, bij de Sociale Dienst in het krijt.
De grootste oplichter had de boel vernaggeld voor het tienvoudige.
Allemaal waren het op het eerste gezicht keurig nette eenvoudige mensen die de verleiding niet hadden kunnen weerstaan om hun inkomsten met wat extra’s aan te vullen. Alleenstaande moeders met kinderen, oudere alleenstaanden, gezinnen, jongeren die liever hun hand ophielden dan in de fabriek te gaan staan…Iedereen fleste de boel en zij vonden zichzelf heus geen misdadigers. Nee, dat waren die zakkenvullers in Den Haag. Of die hoge heren bij de Shell of bij de ABN. Die kwamen overal mee weg. Ze waren eerder verontwaardigd dat men ze had gepakt dan dat ze zich schuldig voelden.
Pas toen ze begrepen dat er aangifte zou worden gedaan en dat ze kans liepen op een strafblad beseften ze dat er blijkbaar toch iets niet helemaal klopte. Met de feestdagen in het vooruitzicht was het geen leuk idee dat ze gedagvaard zouden worden. Van sommigen was de uitkering gestopt en anderen hadden te horen gekregen dat ze straks veel geld zouden moeten terugbetalen.
De sociaal rechercheur zette zijn fiets op de standaard en leunde over de rand van de brug. Vijfentwintig meter beneden hem stroomde het kille grijze water van de Maas. Als je van deze hoogte naar beneden viel of sprong kwam je neer op het water alsof het beton was. Geen kans dat je het zou overleven. Hij keek nog eens om zich heen. Geen mens. Alleen wat auto’s die aan de andere kant langs hem heen reden. Met een soepel gebaar maakte hij de tas open, greep de stapel dossiers en zonder te aarzelen gooide hij ze naar beneden. Toen deed hij zijn tas weer dicht. Hij slaakte een zucht van verlichting. Niemand zou hem er van verdenken dat hij de dossiers had weggegooid. Ze zouden ze aanvankelijk niet eens missen. Het gebeurde wel vaker dat dossiers zoek raakten. Niets aan de hand. Dit moest hij vaker doen. Hij klom op zijn fiets en reed fluitend verder.
En de fraudeurs. Die hoorden tot hun verbazing nooit meer iets van de Sociale Dienst. Ze kregen geen dagvaarding, geen korting, geen verzoek om terugbetaling. En ze leefden nog lang en gelukkig.
Misschien, ook gezien het bovenstaande, aardig te lezen wat een sociaal rechercheur motiveert in zijn vak:http://zilvervis.net/2012/01/17/speurneuzen-van-de-overheid/
BeantwoordenVerwijderen