Mijn leven zit vol met misverstanden. Zo ook vandaag.
Als wij dapper met de wind in onze rug door het mooie Delfland rijden zie ik twee grote houtduiven op een hek zitten die met elkaar kroelen.
“Kijk daar eens”, roep ik tegen Paula, want zo heet mijn vriendin, die ik volgens sommigen gewoon mijn vrouw zou moeten noemen omdat wij geheel toevallig al zo’n vijfendertig jaar het zelfde huis en hetzelfde bed met elkaar delen, iets wat ik niet gedaan zou hebben met een vriendin als ik een vrouw zou hebben gehad. Ons huis en ons bed zijn mij heilig.
“Oh, wat leuk,” roept zij enthousiast. Zij weet dat als ik enthousiast ben het nooit kwaad kan om ook enig enthousiasme te tonen. Dat begon al heel vroeg in onze relatie, want ik heb de gewoonte om mijn enthousiasme luidruchtig met anderen te delen omdat mijn impulscontrole niet geheel is wat het misschien zou moeten zijn. In de trein kwam zij nooit toe aan het lezen van een boek omdat ik haar elke vijf minuten met een glunderende blik aanstootte om haar op iets te wijzen wat mijn aandacht had getrokken. “ Moet je die boerderij eens zien.” Of “ Kijk eens wat een mooie wolken” of “ Zo, dat noem ik pas een lekker wijf”.
Zij deelde mijn enthousiasme en ging daarin zelfs zo ver dat, als wij eens een kopje koffie nuttigden op een terras, zij mij aanstootte als er een mooie vrouw voorbij kwam, meestal net als deze al voorbij was en ik alleen nog haar achterste kon zien, waarop zij mij toevoegde dat het jammer was dat ik haar leuke gezichtje niet had gezien.
“Wat een leuke tortelduiven”, zegt ze. Ik verbeter haar, want ik heb meer verstand van vogels dan zij. Als je er geen verstand van hebt moet je je mond houden, vind ik.
“Het zijn houtduiven”, zeg ik maar mijn stem verwaait in de wind.
“Echt twee lieve tortelduifjes”, herhaalt ze nog eens.
In de winter, toen er dagenlang een dik pak sneeuw lag, had ook ik elke dag vers vogelvoer op een bord in de tuin gedaan. Als zovelen hebben wij altijd brood over en moeten wij dit weggooien omdat het na zes of zeven dagen zo beschimmeld is, dat ook wij vinden dat het niet eetbaar meer is.
De enige vogels die ik deze winter in onze tuin gezien heb waren twee houtduiven en die aten alleen het vogelzaad op maar lieten de groene stukken brood ongemoeid. De duiven op het hek lijken op onze wintergasten.
Mijn vriendin Paula komt naast me fietsen.
“Die vrouw vertelde me laatst dat de duiven van haar man allemaal op liefdespad zijn.” “Welke vrouw?” vraag ik haar. Ik wil niet doen alsof ik weet over wie zij het heeft, want ik heb geen idee wie ze bedoelt. Ondertussen zoek ik in mijn geheugen als een gek naar een vrouw die haar dit gezegd kan hebben, maar er schiet mij niemand te binnen.
Als wij zulke gesprekken voeren lukt het me meestal wel om snel aan te haken. Ik heb geleerd om te reageren op opmerkingen die uit het niets lijken te komen en die vaak een voortzetting zijn van een eerder gevoerd gesprek die dag of in een van de dagen er voor. Het record ligt op een half jaar, toen ze zomaar tijdens het vrijen zei “Het was Peter Aerts” en ik reageerde met “ Weet je zeker dat het niet Albert Kraus was?” en zei op stellige toon zei “Nee, het was Peter Aerts.” Hiermee hadden we dan eindelijk ons gesprek over het wereldkampioenschap kickboksen in 1998 afgerond.
“Die vrouw uit RoemeniĆ« met dat rode haar en die witte papegaai op haar schouder”, antwoordt ze me.
“Kaketoe”, zeg ik. “Het was een kaketoe,” en ik zie de prachtige witte vogel met zijn grote kuif weer helemaal voor me. Maar die vrouw kan ik me niet voor de geest halen.
Achter ons klinkt driftig geklingel. Wij wijken uit en een luidruchtig groepje wielrenners passeert ons al roepend “Fietsers, fietsers, renners, renners” want er komen ons twee hardlopers tegemoet rennen.
Ik pijnig mijn hersens. “Hoe zag die vrouw er ook al weer uit? En waar hebben we haar gezien? Waarom had ze een kaketoe op haar schouders? Was het een oude vrouw of was ze juist heel jong?”
Hoe hard ik ook mijn best doe, ik zie geen vrouw voor me die voldoet aan de beschrijving. Maar wel een mooie witte kaketoe.
“Die vrouw waar ik je gisteren over heb verteld. Die met een witte papegaai op haar schouders voor de ingang van Albert Heijn de straatkrant stond te verkopen.”
Ik slaak een zucht van opluchting. Ik heb de vrouw nog nooit gezien. Die vogel dus blijkbaar ook niet, maar ik heb een grote fantasie.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten