zaterdag 28 mei 2011

Vogels

Mijn leven zit vol met misverstanden. Zo ook vandaag.
Als wij dapper met de wind in onze rug door het mooie Delfland rijden zie ik twee grote houtduiven op een hek zitten die met elkaar kroelen.
“Kijk daar eens”, roep ik tegen Paula, want zo heet mijn vriendin, die ik volgens sommigen gewoon mijn vrouw zou moeten noemen omdat wij geheel toevallig al zo’n vijfendertig jaar het zelfde huis en hetzelfde bed met elkaar delen, iets wat ik niet gedaan zou hebben met een vriendin als ik een vrouw zou hebben gehad. Ons huis en ons bed zijn mij heilig.
“Oh, wat leuk,” roept zij enthousiast. Zij weet dat als ik enthousiast ben het nooit kwaad kan om ook enig enthousiasme te tonen. Dat begon al heel vroeg in onze relatie, want ik heb de gewoonte om mijn enthousiasme luidruchtig met anderen te delen omdat mijn impulscontrole niet geheel is wat het misschien zou moeten zijn. In de trein kwam zij nooit toe aan het lezen van een boek omdat ik haar elke vijf minuten met een glunderende blik aanstootte om haar op iets te wijzen wat mijn aandacht had getrokken. “ Moet je die boerderij eens zien.” Of “ Kijk eens wat een mooie wolken” of “ Zo, dat noem ik pas een lekker wijf”.
Zij deelde mijn enthousiasme en ging daarin zelfs zo ver dat, als wij eens een kopje koffie nuttigden op een terras, zij mij aanstootte als er een mooie vrouw voorbij kwam, meestal net als deze al voorbij was en ik alleen nog haar achterste kon zien, waarop zij mij toevoegde dat het jammer was dat ik haar leuke gezichtje niet had gezien.
“Wat een leuke tortelduiven”, zegt ze. Ik verbeter haar, want ik heb meer verstand van vogels dan zij. Als je er geen verstand van hebt moet je je mond houden, vind ik.
“Het zijn houtduiven”, zeg ik maar mijn stem verwaait in de wind.
“Echt twee lieve tortelduifjes”, herhaalt ze nog eens.
In de winter, toen er dagenlang een dik pak sneeuw lag, had ook ik elke dag vers vogelvoer op een bord in de tuin gedaan. Als zovelen hebben wij altijd brood over en moeten wij dit weggooien omdat het na zes of zeven dagen zo beschimmeld is, dat ook wij vinden dat het niet eetbaar meer is.
De enige vogels die ik deze winter in onze tuin gezien heb waren twee houtduiven en die aten alleen het vogelzaad op maar lieten de groene stukken brood ongemoeid. De duiven op het hek lijken op onze wintergasten.
Mijn vriendin Paula komt naast me fietsen.
“Die vrouw vertelde me laatst dat de duiven van haar man allemaal op liefdespad zijn.” “Welke vrouw?” vraag ik haar. Ik wil niet doen alsof ik weet over wie zij het heeft, want ik heb geen idee wie ze bedoelt. Ondertussen zoek ik in mijn geheugen als een gek naar een vrouw die haar dit gezegd kan hebben, maar er schiet mij niemand te binnen.
Als wij zulke gesprekken voeren lukt het me meestal wel om snel aan te haken. Ik heb geleerd om te reageren op opmerkingen die uit het niets lijken te komen en die vaak een voortzetting zijn van een eerder gevoerd gesprek die dag of in een van de dagen er voor. Het record ligt op een half jaar, toen ze zomaar tijdens het vrijen zei “Het was Peter Aerts” en ik reageerde met “ Weet je zeker dat het niet Albert Kraus was?” en zei op stellige toon zei “Nee, het was Peter Aerts.” Hiermee hadden we dan eindelijk ons gesprek over het wereldkampioenschap kickboksen in 1998 afgerond.
“Die vrouw uit Roemenië met dat rode haar en die witte papegaai op haar schouder”, antwoordt ze me.
“Kaketoe”, zeg ik. “Het was een kaketoe,” en ik zie de prachtige witte vogel met zijn grote kuif weer helemaal voor me. Maar die vrouw kan ik me niet voor de geest halen.
Achter ons klinkt driftig geklingel. Wij wijken uit en een luidruchtig groepje wielrenners passeert ons al roepend “Fietsers, fietsers, renners, renners” want er komen ons twee hardlopers tegemoet rennen.
Ik pijnig mijn hersens. “Hoe zag die vrouw er ook al weer uit? En waar hebben we haar gezien? Waarom had ze een kaketoe op haar schouders? Was het een oude vrouw of was ze juist heel jong?”
Hoe hard ik ook mijn best doe, ik zie geen vrouw voor me die voldoet aan de beschrijving. Maar wel een mooie witte kaketoe.
“Die vrouw waar ik je gisteren over heb verteld. Die met een witte papegaai op haar schouders voor de ingang van Albert Heijn de straatkrant stond te verkopen.”
Ik slaak een zucht van opluchting. Ik heb de vrouw nog nooit gezien. Die vogel dus blijkbaar ook niet, maar ik heb een grote fantasie.

dinsdag 24 mei 2011

Mijn jaguar.

Vijf jaar geleden, toen ik als geriater in het Reinier de Graaf ziekenhuis in Delft werkte, had ik een zonderling gesprek met een patiënt. Tot voor kort was deze man altijd gezond geweest, maar bij het ramen lappen was hij van de ladder gevallen en had zijn hoofd lelijk bezeerd. Hij had een grote pleister op zijn voorhoofd over een diepe snee die hij door de val had opgelopen.
De man was tachtig en had niet zo lang meer te leven. Tijdens mijn rondje had ik even tijd om een praatje met hem te maken.
Ik weet het niet, zuchtte de oude grijsaard op mijn vraag wat hij verwachtte na de dood.
Ik heb geleerd dat er een hemel is voor degenen die hier op aarde goed zijn geweest en een hel voor hen die zich niet hebben gehouden aan de tien geboden, maar nu ik zelf op het punt sta om dood te gaan denk ik dat ik na mijn dood terug kom als een jaguar.
Een jaguar? Maar die zijn toch bijna uitgestorven, reageerde ik.
Ik bedoel de auto, antwoorde de oude man. Ik denk dat ik terug kom als een mooie statig blauwe jaguar.
Maar waarom een blauwe jaguar? Waarom niet een zwarte porsche?
Ik heb altijd graag in een jaguar willen rijden. Dit lijkt mij het op één na grootste genot.
Wat is dan het grootste genot?
Een jaguar te zijn. Maar dan wel een blauwe.
Stel dat u terug komt als een auto, wat mij onwaarschijnlijk lijkt. Maar stel. En het is een opel corsa. Wat zou dat voor u betekenen?
Ik zou erg teleurgesteld zijn. Ik denk dat ik mezelf al snel te pletter zou rijden.
Denkt u dat alle auto-ongelukken moedwillig door de auto’s zelf zijn veroorzaakt?
Ja zeker. Misschien niet alle, maar veel toch wel.
Dan zijn er dus volgens u veel teleurgestelde auto’s?
Vindt u dat dan vreemd? Er worden maar weinig jaguars gemaakt. En heel veel opeltjes. Niet iedereen kan na zijn dood zijn grootste wens vervuld zien gaan. Dat verklaart een flink deel van het aantal ongelukken.
Het lijkt mij eenvoudiger om te geloven in een hemel of een hel.
Dat dacht ik vroeger ook. Maar toen ging ik eens nadenken. Niemand heeft ooit de hel of de hemel gezien. Je moet er in geloven, maar auto’s…
Hoezo auto’s?
Auto’s bestaan. Iedereen weet dat auto’s bestaan. En auto’s hebben een ziel. Een nieuwe auto met een jonge ziel rijdt heel anders dan een auto met een oude ziel.
Is dat niet een kwestie van slijtage?
Ook. Maar je bent het toch wel met mij eens dat er meer is dan dat? En waarom is het niet vreemd om te geloven dat je na je dood misschien naar de hemel gaat of als je pech hebt naar de hel, maar wel als je gelooft terug te keren als auto?
Ik moest hem het antwoord op deze vraag schuldig blijven. Twee dagen later stierf hij.

Vorige week heb ik een tweedehands jaguar aangeschaft. Een witte. Hij rijdt als een zonnetje en dit jaar gaan we er met het hele gezin een reis van drie weken door Europa mee maken.
De verkoper vertelde dat de wagen vroeger blauw was geweest, maar dat de vorige eigenaar hem na een ongeluk met een opel corsa opnieuw had laten spuiten.
Tijdens het rijden vanmorgen dacht ik dat de achteruitrijspiegel kapot was. Ik zag een grote barst.
Toen ik er op een rustig moment opnieuw naar keek zag ik dat er aan de spiegel niets mankeerde. Maar vanuit een bepaalde hoek en bij het juiste licht leek het wel of er een groot litteken op mijn voorhoofd zat. Alsof ik op mijn hoofd was gevallen.

maandag 23 mei 2011

Herinneringen en fantasie.

Geboren worden en dood gaan. Vraag de mensen of ze liever geboren worden of dood gaan en ze staan met een mond vol tanden. Maar voor de reïncarnisten onder ons zou het een serieuze vraag moeten zijn.
Van mijn geboorte kan ik mij niets meer herinneren. Toch ben ook ik geboren. Maar mocht iemand beweren dat ik onder een steen vandaan ben gekropen dan is dat misschien zo, want dat kan ik mij ook niet herinneren.
We moeten onze ouders maar vertrouwen als zij beweren dat wij geboren zijn. En van hen aannemen dat jij dat lieve kleine kindje op de foto bent, al is enige gelijkenis met het nu levende exemplaar ver te zoeken.
Niet alleen mijn geboorte gaat in nevelen gehuld; dit geldt ook voor grote stukken uit mijn leven. Een ieder die daar meer van weet dan ik wordt hierbij uitgenodigd om mij anekdotes toe te zenden over die fases in mijn leven die ik vergeten ben.
Beroemde personen krijgen van hun biografen herinneringen aangereikt die hen welgevallig zijn. Al ben je nog zo’n grote klootzak, voor geld koop je een nieuw en voor jezelf acceptabel verleden.
Ik ben nog niet beroemd en zal daarom vanuit mijn herinneringen zelf mijn verleden moeten schrijven. Voor iemand die een speelfilm drie keer in een jaar kan zien en telkens denkt dat het een nieuwe film is, gewis geen eenvoudige opgave. Maar gelukkig vult mijn fantasie de gaten in. Zo weet ik bijvoorbeeld zeker dat ik als kind verliefd was op mijn blonde schooljuf. Als ik mijn ogen dicht doe zie ik een jonge blonde vrouw voor me. Ze heeft een mooi rank figuur en stevige borsten, cup c.
Ze is niet al te groot, heeft een zwoele blik in haar grijsblauwe ogen, een zachte erotiserende stem en een lieve lach. Wat een juf was dat.
Tot aan het sluiten van mijn ogen waren het herinneringen, hierna nam de fantasie over. Je ziet dat ze elkaar perfect aanvullen.

vrijdag 20 mei 2011

Herinneringen.

Al weer bijna tien uur ‘s avonds en nog steeds licht. Net als die meimaand in 1972, toen M. een meisje mee had gesmokkeld uit England. Ze was weggelopen uit een tehuis voor ondeugende meisjes en samen met M. naar Nederland gereisd.
M. had ze toen al lang niet meer op een rijtje, maar dat is nooit een belemmering geweest voor mijn vriendschap met hem. Hoe gekker hoe beter, mits men maar gewoon doet tegen mij. Echt normale mensen liggen mij niet zo. Ze zijn zo vreselijk aangepast en saai. Dan ben ik liever alleen saai.
Ik kende M. al enige jaren en als je niet beter wist dan dacht je gewoon dat hij normaal was, want dat kon hij goed spelen. Tijdens een feest heeft hij alle aanwezigen eens getrakteerd op een witte neus en dat heeft hem erg veel geld gekost. Hieruit bleek toen duidelijk dat hij het normaal zijn alleen maar speelde.
Het meisje heette Hannah (niet haar werkelijke naam hoor, net zomin als M. staat voor Mike maar voor Marco), maar ik zal haar hier Chris noemen, want dat was haar echte naam.
Nu ik er weer over nadenk zou het ook in augustus of september van 1971 geweest kunnen zijn. Je ziet, dat ik blijkbaar wat te verbergen heb. Of dat mijn geheugen ook niet meer is wat het nooit is geweest.
In ieder geval was het net zo’n mooie avond als nu. Ik kan mij althans geen regen herinneren. Misschien was het wat frisser en enigszins bewolkt. Het kan zelfs zijn dat er een stevige wind stond.
Ik was dat weekend bij twee vrienden van me in het dorpje G. in Z-H.
M. was net weer naar Rotterdam vertrokken en had Chris achter gelaten, want het leek haar wel leuk om bij mijn vrienden te slapen en deze keer niet bij M..
Ook ik bleef die nacht bij mijn vrienden slapen. Ik geloof dat ik weer eens ruzie thuis had gehad, maar misschien had ik gewoon zin om bij mijn vrienden te zijn. Nee, ik weet het weer. Ik had die middag net de tafel in de huiskamer bij mijn ouders ondersteboven gegooid met alles wat er op stond. En daarna was ik naar G. afgereisd, want ik had geen zin om te wachten tot mijn vader thuis kwam, want die zou wel boos zijn.
Al kon ik behoorlijk driftig zijn, slecht was ik zeker niet. Bloemenkinderen waren we toen. En we geloofden heilig in vrije liefde. Ik tenminste wel als het me zo uitkwam, want ik was toen ook al goedgelovig als het gaat over seks.
Ik wist niet dat Chris net zo goedgelovig was. Later die avond toen wij op zolder in onze slaapzakken lagen vroeg ze me nog, terwijl ik bij haar binnen drong, of M. het geen probleem zou vinden dat zij met mij naar bed ging. Ik stelde haar gerust. Natuurlijk zou M. het geen probleem vinden. Dat bleek later ook te kloppen, dus ik had goed gegokt. Oké, een beetje knorrig was hij wel, maar hij liet dat niet blijken.
Sommigen zullen het walgelijk vinden dat ik M. met Chris bedroog. Maar zo voelde het zeker niet.
En omdat wij er beiden geen spijt van hadden en M. er later ook niet veel woorden aan vuil maakte denk ik dat het goed is geweest dat de kleine Chris met haar grote borsten en ik de vruchten hadden geplukt toen ze rijp waren, de thee hadden gedronken toen deze nog lekker heet was en ik in haar roompotje had geroerd toen ze me vroeg om de room op te kloppen.
En al deze herinneringen, echt of verzonnen door mijn warrige brein, komen op terwijl de zon misschien voor het laatst onder gaat, want volgens hen die het kunnen weten vergaat morgen de wereld. En dat terwijl ik mijn vakantiegeld nog niet heb gehad.

donderdag 19 mei 2011

Telefoon

Met een tas vol boodschappen tussen mijn benen zat ik lekker wijdbeens op een bankje in de tram. Ik ga niet vertellen wat er allemaal in zat, al mag je wel weten dat ik dol ben op zacht fruit en ik blauwe bessen, frambozen, bramen en aardbeien gekocht had. Maar ook een paar films, waarvan ik hoop dat ze goed zijn, want films die niet goed zijn daar hou ik niet zo van.
Ik moest er natuurlijk wel voor zorgen dat het zachte fruit niet geplet werd door de doosjes waar de Dvd’s in waren opgeborgen.
Daarom hield ik de tas tussen mijn benen angstvallig in de gaten als de tram weer eens een bocht nam. Dat gebeurde telkens als hij een hoek om moest. Je kon de bochten aan zien komen. Of beter gezegd, de bochten zagen de tram op zich af komen. En dan hield ik mijn hand tussen de doosjes fruit en de doosjes met de Dvd’s. Dat zal er vreemd uit hebben gezien, maar zoals je weet gebeuren er wel meer vreemde dingen in een tram. Zo gaan er onbekende mensen naast je zitten en die beginnen soms zomaar keihard te praten. Ik was op zoek naar een boek in mijn rugzak toen dit mij gebeurde.
Eerst ging ze schuchter naast me zitten. Zo half van me af gedraaid en haar benen in het gangpad. Het leek me een gewone vrouw van middelbare leeftijd, die daarom niet zo jong meer was. Aantrekkelijk was ze ook niet en ik had mijn belangstelling al verloren voordat deze was opgewekt.
Opeens graaide ze in haar tas. Ik schrok op, want ik was even afgeleid en had de bocht niet gemerkt. Ook ik stak mijn hand snel in mijn tas. Het stond misschien wat vreemd en misschien dacht zij wel dat ik haar in de maling nam. Zij trok haar hand terug en begon luid en omstandig uit te leggen aan iemand die niet in deze tram zat dat het een geweldige vakantie was geweest. Ze hadden slechts vijf dagen regen gehad. En het eten was zo lekker. En ze hadden zulke leuke winkeltjes. En de mensen waren zo aardig en gastvrij.
Zowel de mensen die voor in de tram zaten als achterin hoefden geen woord te missen, want ze had een stem als een bootwerker. Ik weet nu dat ze Mieke heet, een man heeft, minstens één dochter, dat haar hond Whisky heet en niet zo jong meer is, dat ze een baan heeft in de verzorging en dat ze ruzie heeft met de buren, want die maken altijd zo’n ‘teringherrie’ met die harde muziek. Iedereen die in de tram zat weet het.
De moderne communicatiemiddelen brengen de mensen weer bij elkaar. Volkomen onbekenden ken je na een ritje met het OV beter dan je buren, die je alleen hoort bellen als er wordt gebarbecued, maar wat ze zeggen is dan moeilijk te verstaan door het geroezemoes van de anderen die geen behoefte hebben om mee te luisteren omdat zij toch wel weten waar het over gaat en zichzelf daarom liever vergrijpen aan een zwart geblakerde karbonade of bruine worst.
Al mijn fruit had de reis netjes overleefd en ik ga nu naar “Burn after reading” van de Coen Brothers kijken. Volgens insiders die het weten kunnen een film die je niet mag missen.

woensdag 18 mei 2011

Buitenkunst.

Hoe verlang ik nu al naar Buitenkunst. Naar mijn tentje in het bos, m’n hangmatje, het kampvuur, het meertje, de mensen, de programma’s, de ongedwongenheid, de creativiteit, de melancholie, het zwoele, zeg maar geile sfeertje, de muziek, de gesprekken. Kijk, ik word al weer helemaal lyrisch.
Ruim vijfentwintig jaar ga ik er al naar toe. Elk jaar weer. Buitenkunst verlangt dus ook naar mij.
Het kost geen drol. Voor € 190,- per week heb je alles. Toneel, dans, schrijven, muziek, beeldend, zang, percussie en presentaties. Elke dag weer.
En regen. Want Buitenkunst in Drenthe zonder regen is geen Buitenkunst. Menig buitje heb ik er meegemaakt. Na een droge periode neemt de grond niet gelijk het water van een bui op en spoelen de tenten weg die op de verkeerde plekken zijn neergezet.
Jaren geleden, toen ik er nog met het gezin naar toe ging en de kinderen klein waren, hadden we tegen het advies van anderen in de tent op een mooi vlak stukje grond in ‘De Kuil’ gezet.
Ik kroop die nacht met een alles behalve helder hoofd in mijn slaapzak (Ik had gewoon teveel gezopen en geblowd) en werd ’s morgens wakker omdat mijn luchtbed bewoog. Het goot en de kuil liep al snel vol. Vier uur ’s morgens, drie kleine kinderen, een ongeruste vrouw en een niet geheel aanspreekbare man in een tent die weg drijft. Zie je het voor je?
Ik moet daar als een gedesoriënteerde holbewoner met een wezenloze blik in mijn ogen hebben rond gewandeld in de grauwe ochtendschemer, de adviezen van mijn partner zo goed en kwaad als het ging negerend, zodat zij en de kinderen er alleen voor stonden en ik hen bovendien ook nog eens voor de voeten liep. Ja, dat heb ik toen goed aangepakt.
Behalve dat het er flink kan regenen kan het er ook ongenadig warm zijn en dan bieden de plekken tussen de bomen veel verkoeling. Net als een duik in het meertje dat nog geen vijfhonderd meter verderop in het bos ligt.

Behalve dat ik naar Buitenkunst ga, ga ik ook nog met Paula drie weken met een camper weg. Reisbestemming: onbekend. En mogelijk ga ik nog één of twee weken wandelen.
Opeens besef ik dat dit weer een drukke en vermoeiende vakantie wordt. Ik verlang nu al naar het nieuwe schooljaar.

dinsdag 17 mei 2011

Kwaaltjes

Dat is ook zoiets, schat. Dan moet je er om acht uur zijn en word je om kwart voor negen geholpen.
Nou meid, toen ik voor mijn darmen…
Ik bedoel maar. Dan kunnen ze je toch ook om half negen laten komen.
Het was helemaal verkleefd. De dokter zei…
Een kwartiertje wachten is geen probleem, maar bijna een uur…
Als ik nog langer gewacht had was het misschien te laat geweest, zei de dokter.
Te laat?
Ja lieverd. Mijn darmen, weet je wel. Ach, jij luistert toch nooit naar wat ik …
Natuurlijk luister ik wel. Mijn schoonzoon zegt dat ik zo goed kan luisteren. Zo’n leuke jongen. Heel anders dan die Marco waar ze toen mee om ging.
Het was al gaan ontsteken. Nog niet zo erg, maar ik heb een hele week aan het infuus gelegen. Mijn darmen moesten tot rust komen, weet je.
Henk heet-ie. Henk. Vroeger heeft ze ook al een Henk gehad. Hij is natuurlijk niet echt mijn schoonzoon. Anders had ik er inmiddels wel tien gehad. Ze houdt het vaak niet lang met ze vol. Als ze er op is uitgekeken zet ze ze gewoon aan de kant.
Wat ik zo raar vind is dat ze zo weinig controleren. Ik zat vol met pleisters. De vrouw die tegenover me lag is dood gegaan. Het was zo’n lief mensje. Maar ze was op, hè. Negentig was ze. Of zoiets.
Ik zeg wel eens “Je lijkt net op je moeder”.
Annemarie? Vind je dat ze op je lijkt? Ik vind van niet.
Nee, niet haar gezicht. Die neus heeft ze van haar vader. Arm kind. Ik bedoel haar karakter.
Wat is er mis met haar karakter, lieverd?
Daar is niets mis mee. Maar ze heeft mijn karakter. Als ik vroeger een man zat was, dan was het snel met hem afgelopen.
Wanneer heb jij dan voor het laatst een man gehad? Ik heb je nog nooit met een man gezien.
Nee schat, dat was allemaal voor jouw tijd. Ik heb na mijn scheiding geen kerel meer aangeraakt.
Dat is zo’n twintig jaar geleden, toch? Dat jij…
Kerels, je hebt er meer last van dan plezier.
Denkt Annemarie daar ook zo over?
Nog niet, maar dat komt wel. Al hoop ik dat ze nog een tijdje met die Henk blijft gaan. Dat is toch zo’n leuke knul.
Op de afdeling waar ik lag was een jonge dokter. Ook zo’n leukerdje. Die dokters lijken steeds jonger te worden.
Niemand wordt jonger. Iedereen wordt ouder.
Je begrijpt wat ik bedoel. Als hij langs kwam vroeg hij altijd hoe het me ging en of ik goed geslapen had.
Dat vragen ze allemaal, schat.
Maar niet zo. Zo persoonlijk als hij was heb ik het nog nooit mee gemaakt. En je weet dat ik al jaren bij het ziekenhuis loop. Dan zei ik dat ik het ’s nachts zo verschrikkelijk koud had gehad. En dan wist hij niet meer wat-ie moest zeggen.
Ik loop ook al jaren bij het ziekenhuis. Dat weet je, schat. Dit weekend nog. Toen moest ik er om acht uur zijn. En weet je wanneer ik aan de beurt was? Bijna een uur later. Snap jij dat nou dat ze je zo vroeg laten komen als ze pas een uur later tijd voor je hebben?
Met mijn darmen werd ik gelijk geholpen. Ik heb misschien maar een kwartier hoeven wachten.

maandag 16 mei 2011

X-amens

Hoewel het afleggen van een examen in onze samenleving een mild inwijdingsritueel is, waarbij je laat zien dat je klaar bent voor het zetten van de volgende stap, levert het voor alle betrokkenen vaak flinke spanningen op. Slapeloze nachten, erectieproblemen en constipatie zijn er het gevolg van. Alles jeukt, het ademhalen gaat zwaar en au, wat doet mijn rug toch pijn.
Zelf heb ik er geen last van. Eerder genoemde problemen zijn mij onbekend. Tenslotte heb ik al een diploma.
De examentijd is voor veel docenten vaak net zo pittig als voor de examenkandidaten. Want alles wat er fout kan gaan gaat er soms fout bij examens. En als dit niet gebeurt, dan ben je bang dat het straks alsnog fout gaat. Daar heb je immers ervaring mee.
Het zou mooi zijn als de leerlingen wisten wat er allemaal bij komt kijken voordat je ze een diploma in de handen kunt drukken. Sommigen zouden mogelijk voor het diploma bedanken en zeggen “Van mij hoeft het niet. Doe geen moeite. Ik heb hier een leuke tijd gehad en daar ging het mij om. Het diploma heb ik altijd als bijzaak gezien. Vandaar dat er bijna twintig onvoldoendes op mijn lijst staan.” Zulke leerlingen zou ik willen omarmen en ze bedanken voor hun begrip. En ze graag zonder diploma weg willen sturen.
Helaas zit het onderwijs zo niet in elkaar.
De laatste keer dat ik zelf examen deed is al weer enkele jaren geleden. Afstuderen noemen ze dat. Als ze toen bij langstudeerders het collegegeld hadden verhoogd, had ik waarschijnlijk tien jaar korter over mijn studie gedaan.
En hoewel het leuk klinkt om te kunnen zeggen dat je een doctorandus in de psychologie bent koop je er natuurlijk geen brood mee op de plank. Al kan dat natuurlijk wel.
Maar was ik toen gespannen? Zeker. Had ik echter erectieproblemen of last van constipatie? Om de dooie dood niet. Ik bedoel maar. Het is geen wetmatigheid. Je moet wel een beetje aanleg hebben voor dit soort kwaaltjes.
Ik ga hier maar niet opschrijven hoeveel onvoldoendes ik heb gezien bij het nakijken van het theoretische deel van het examen. Het was echt heel erg. Maar ik wil niemand zenuwachtig maken en hoop daarom dat deze bijdrage aan mijn blog door niemand wordt gelezen. En die kans is gelukkig wel groot.
Gelukkig maar dat er zoiets bestaat als ‘herkansing’.

zondag 15 mei 2011

Boeken.

Boeken kunnen een grote vreugde geven en daarom ben ik blij dat ik zo van lezen hou.
Het eerste boek dat ik kreeg was Dik Trom. Ik zal toen acht jaar geweest zijn. Man, man, wat heb ik gehuild. Vreselijk gewoon. Ik had veel liever een pistool of pijl en boog voor mijn verjaardag gekregen. Maar mij gaven ze een boek. Wat moesten mijn ouders een hekel aan mij hebben gehad.
Toen ik na een paar weken ziek in bed lag en mij verveelde, besloot ik toch maar om het te lezen. Daarmee stapte ik in een wereld die vele malen groter was dan ik kon bevatten en waarin ik mij onmiddellijk thuis voelde. Een wereld zonder grenzen . Een wereld waar alles mogelijk is. Na al die jaren keer ik er nog steeds als het even kan graag naar terug.
Bovendien ben ik er op gesteld dat men mij met rust laat als het mij zo uitkomt en dan helpt het als je een boek bij de hand hebt. Al zijn er ook die daar ongevoelig voor lijken te zijn.
Laatst nog zat ik in de trein een boek te lezen van Willem Frederik Hermans. Hem lees je alleen voor je plezier als het niet hoeft. Hermans is immers een groot schrijver wiens werk je niet al te luchthartig mag nemen. Als goed Nederlander betaamt het hem om anderen voortdurend de les te lezen. Dan wil je natuurlijk niet het risico lopen dat je net dat stukje tekst mist waarin hij jou de maat neemt.
Toen ze toch tegenover me ging zitten zag ik vanuit mijn ooghoeken dat ze blond was. En dat ze een mooi ovaal gezicht had met twee amandelvormige blauwe ogen. Een mooie jonge vrouw die niet gebukt ging onder haar eigen schoonheid.
Ik concentreerde mij op mijn boek, maar tevergeefs. Als ik stiekem onder mijn wenkbrauwen naar haar keek deed ze of ze mij niet zag loeren.
Ook mijn gekuch negeerde ze. Ik liet mijn boek daarom vallen en bij het oprapen streek ik even met mijn linkerhand langs haar been. Maar ze reageerde alsof ik niet bestond.
Ik wou dat ze me met rust liet. Hoe kon ze nu juist tegenover mij gaan zitten? Door mijn boek een beetje schuin te houden en naar haar toe te draaien zorgde ik er voor dat ze te zien kreeg welk boek ik las.
“Dat is een goed boek”, zei ze. Ik keek haar niet-begrijpend aan. Ze bevestigde nogmaals dat het een goed boek was. ”Ik heb het op de middelbare school gelezen voor mijn examen”, verduidelijkte ze.
Ik zei niets. “Nu begint ze ook al tegen me te praten”, dacht ik en draaide mij van haar af.
Wat dacht ze wel? Waar haalde ze het lef vandaan?
De trein minderde vaart. “Ik zal u niet verder storen,” zei ze, stond op, pakte haar tas en liep het gangpad uit. Haar blonde haren golfden over haar schouders. Ik keek haar na. Wat een achterste.
Het was goed dat ze hier uitstapte. Het was zo’n type dat was blijven zitten als ze er niet uit had gemoeten.
Gezien mijn reactie op haar poging tot het voeren van een gesprek zou zij misschien wel zijn gaan zitten op de bank schuin tegenover me, die vrij was gekomen. Ze begreep vermoedelijk heel goed dat ik Hermans verkoos boven haar.
Ongevoelige vrouwen zoals zij zijn echter een uitzondering. Mensen respecteren het als je leest en laten je graag met rust. Ook dat is een reden waarom een boek mij grote vreugde kan geven.

zaterdag 14 mei 2011

Gele lucht

Vandaag is de lucht weer geel. Wat een geluk, want dit is al de derde keer deze maand. De weerman had voorspeld dat het zou gaan regenen, maar hij had wijselijk geen uitspraak gedaan over de kleur van de lucht. Na door zijn superieuren op zijn vingers te zijn getikt toen hij er voor een tweede keer dit seizoen naast zat, had hij besloten over de kleur van de lucht geen uitspraken meer te doen. Het viel de mensen niet eens op.
Als de lucht geel is kom ik weer wat tot leven. Bij paarse of bruine luchten voel ik me toch zo afschuwelijk somber. Daar hebben meer mensen last van. Volgens psychologen komt dit omdat paars door veel mensen in verband wordt gebracht met ons treurig parlementaire verleden, waarbij paars lange tijd een dominante rol heeft gespeeld. Velen van ons hebben daar geen fijne herinneringen aan.
De kleur bruin wordt vaak geassocieerd met poep. En van een drol word ik ook niet vrolijk. Tenzij hij natuurlijk van mezelf is. Zo hebben we allemaal onze vooroordelen.
Daarnaast is het mij opgevallen dat Twente morgen van Ajax gaat winnen. Veel mensen weten dat nu nog niet en dat is ook de reden dat men nog stug doorwerkt aan het podium op het museumplein omdat men op tijd klaar wil zijn om het straks weer af te kunnen breken. Het huren van zo’n podium is niet goedkoop en elk uur telt. Vandaar dat men zo hard werkt.
In Delft is er deze week het Fringefestival. Ik heb er niet veel van meegekregen toen ik vandaag door deze plaats liep. Niemand leek zich overigens druk te maken over de moord op Willem van Oranje en dat vond ik toch wel enigszins harteloos. Nee, er waren hier en daar orkestjes op straat en ik voelde mij met sommige muzikanten wel verbonden, want zij speelden minstens zo slecht als ik.
Mijn muzikale capriolen wil ik in de vakantie wel eens met andere delen, die dan toch te dronken of stoned zijn om kritisch te kunnen luisteren. Maar zomaar op straat spelen terwijl je het eigenlijk niet kunt is meer voorbehouden aan anderen met een nog slechtere smaak dan ik.
Ja, vandaag is de lucht weer geel. Het maakt me vrolijk en geeft me energie. Een mens is soms met heel weinig tevreden zoals je ziet.