vrijdag 14 februari 2014

Vaarwel en tot ziens.

De afgelopen weken heb ik consequent niets meer toegevoegd aan mijn blog. Alsof ik voor even uitgeluld was. Mijn leven is nu eenmaal niet zo interessant als dat van  vele anderen om mij heen. Als ik hun verhalen lees op Facebook benijd ik ze wel eens. 
Je hebt het niet altijd voor het kiezen, maar ik had graag wat dommer en oppervlakkiger geweest. 
Mij is verteld dat dit het leven veraangenaamt. Je ziet dan immers minder de nuances. Geen vijftig tinten grijs, maar gewoon zwart, wit en grijs. En soms zelfs alleen maar zwart en wit.
Ook was ik graag wat meer optimistisch geweest en had ik wat meer van mijn medemens willen houden. Niet zozeer uit een behoefte, maar omdat sommige van mijn medemensen dit verdienen. Gewoon omdat ze geweldig zijn.
Helaas ben ik een echte azijnpisser en voel ik me juist aangetrokken tot spreuken als If there's one thing you can say about mankind, there's nothing kind about man.” van Tom Waits. 
Verder heb ik maar een matige belangstelling voor de wereld om mij heen.
Zo kan ik bijvoorbeeld niet meepraten over de Olympische Spelen, want ik interesseer me daar niet voor. Misschien komt dat omdat ik als schaatser zelf nooit veel heb voorgesteld.
Net  als de rest van Nederland gun ik onze jongens en meisjes in Sotsji die mooie medailles, maar als anderen hadden gewonnen had ik dat ook best gevonden.

Vandaag neem ik afscheid van dit blog. Het wordt tijd voor wat anders.
Als ik in de afgelopen jaren sommige passanten een frons of een glimlach heb weten te ontlokken is dat mooi. Maar mijn ambities reiken verder. Nog mooier zou het zijn als ik straks met mijn nieuwe blog bij sommigen het schuim op hun lippen van woede of een schaterlach zou oproepen.
Alsof ze een klap krijgen met een mokerhamer of gekieteld worden door een veertje.
Want er komt een nieuw blog. Een blog waarin ik het schrijven zelf centraal wil stellen.
Zoals je hebt kunnen vaststellen ben ik een matig schrijver. Een met weinig diepgang en  slechts bij vlagen een beetje gepassioneerd. Wordt het niet de hoogste tijd dat ik daar iets aan ga doen? Als ik straks gepensioneerd ben heb ik daar immers alle tijd voor.
Als ik een betere schrijver wil worden zal ik harder moeten werken. En zal ik mezelf moeten afvragen welk innerlijk verlangen ik met mijn schrijven wil bevredigen.
Dat kan niet mijn geilheid zijn, want van schrijven zelf heb ik nooit een harde gekregen, laat staan dat ik er op klaar ben gekomen. Zoiets past meer bij iemand die vieze boekjes leest.
Iets dat ik al lang niet meer doe. Hooguit een enkel erotisch verhaal.

Iedereen ziet de wereld op zijn eigen manier en tegen beter weten in heb ik heel lang gedacht dat de ironie mijn metgezel was; bij nader inzien bleek ik meesttijds in het gezelschap van een cynicus te verkeren.
Dat vind ik jammer. Het heeft vaak mijn blik vertroebeld waardoor ik alleen nog maar oog had voor mijn eigen ‘gelijk’. Hierdoor zag ik niet dat ik net zo stom was als de meeste mensen om mij heen. Soms zelfs nog stommer.
Het wordt dus de hoogste tijd dat ik beter leer kijken en luisteren. Als me dat lukt wordt mijn leven misschien net zo interessant als dat van vele anderen om me heen.




dinsdag 10 december 2013

Boek

Ik moest me haasten om mijn trein nog op tijd te halen. Anders zou ik misschien een kwartier later thuis zijn en was het eten mogelijk verpieterd. Maar na de hele dag nauwelijks wat gegeten te hebben  had ik zo’n trek in wat lekkers dat ik nog even snel de Hema in schoot en daar een zakje  Japanse Peanut Mix kocht.  Van die pinda’s met een knapperig beige korstje waarin wat sesamzaadjes verwerkt zijn. Ze zeggen dat je er niet dik van wordt en het leek me een niet al te ongezonde keuze. 
Snel schoot ik na mijn kleine zonde de roltrap op waar een paar NS-controleurs op het perron alle reizigers alvast op een geldig vervoersbewijs controleerden. Aan hun chagrijnige koppen te zien hadden ze nog geen potentiele zwartrijders kunnen betrappen. Je zag ze denken “Als ze allemaal netjes de reis betalen waar hebben ze mij dan nog voor nodig?”
Dan rennen naar de trein die overvol zat, er nog net op tijd inspringen  en mezelf tussen drie dames op de bank proppen, die met strakke gezichten naar het schermpje van hun smartphones staarden.
En waar ik ook verder keek, iedereen was vertrokken naar zijn eigen virtuele wereld en onbereikbaar geworden voor zijn medereizigers.
Daar zat ik dan. Afgezien van het gesnotter en gerochel om mij heen was het doodstil. Blijkbaar was iedereen onbekend voor elkaar. 
Zo’n scene heeft iets absurds en intimiderends. Een grote groep stilzwijgende mensen die liever anoniem een korte tijd dezelfde ruimte en aanwezige lucht met elkaar deelden dan elkaar aanspraken  om wat basale informatie uit te wisselen. Dat deden ze alleen via Facebook.
Nu vind ik het ook niet gepast om in mijn eentje te gaan zitten snoepen als ik met zoveel mensen bijeen zit. Maar toen ik al die lege, vermoeide en elkaar ontwijkende blikken zag werd ik opstandig en haalde het krakende plastiek zakje met noten uit mijn tas. Dit trok bij sommigen gelijk de aandacht. En het werd nog erger toen ik de pinda’s met het knapperige jasje tussen mijn kiezen brak. Het klonk in mijn hoofd als een lege emmer die omvalt in een eveneens lege kerk. Wat een kabaal geeft dat.
Meerder hoofden wendden zich mijn kant op. Om zich daarna onmiddellijk weer af te wenden en de blik te richten op het plaatje voor zich. Zouden ze zich gestoord voelen? Dachten ze misschien “He makker, dat kan wel wat zachter. Kun je die nootjes niet gewoon opzuigen?” Dachten ze sowieso eigenlijk wel wat?
En plotseling zag ik haar een paar meter van me vandaan naar me lachen. Een jonge vrouw met een lieve lach. Dachten we allebei hetzelfde? Hadden we op dit ene ondeelbare moment even contact en zagen we beiden het absurde van de situatie in?

En weet je, dat ene mistige, korte maar wezenlijke contact gaf me even het gevoel dat ik in een treincoupé zat met mensen en niet met robots. Toen ik uitstapte en langs haar liep zag ik dat zij de enige was die niet met een smartphone in haar handen zat maar met een gewoon boek. En omdat ik vond dat ze er zo leuk uitzag maakte ik mezelf wijs dat het natuurlijk een boek was van gerecycled papier.

zaterdag 7 december 2013

Frustratie.

Vanmiddag liep ik bij ons in het winkelcentrum toen ik Truus tegen kwam. Truus is een oud-collega van Paula en is net als zij een tijdje geleden met pensioen gegaan. Truus kwam in het verleden wel bij ons langs, maar de laatste twee jaar had ik haar niet meer gezien.
Belangstellend informeerde ze naar Paula en ik kon haar naar eer en geweten zeggen dat Paula echt van haar pensioen genoot en dat het verder goed met haar ging. Afgezien dan van wat kleine gezondheidsprobleempjes.
Al pratend over ditjes en datjes kwam het kunstwerk ter sprake dat sinds kort de gevel van het verzorgingstehuis in onze wijk siert. Volgende week zou de wethouder het officieel komen onthullen. Iedereen in de wijk had een uitnodiging ontvangen om er bij aanwezig te zijn. Speech waarin de kunstenaar zou worden geroemd en vastgesteld zou worden dat het geld goed was besteed, hapje en drankje en een zoen van de juffrouw. Zo ongeveer luidde het programma.
Nee, ik zou niet bij de onthulling aanwezig zijn, want ik vond het kunstwerk spuuglelijk. Ik dacht aanvankelijk dat het een soort kerstversiering was waarvan alleen de lampjes ontbraken en dat het slechts tijdelijk tegen de gevel was gespijkerd. Toen ik later hoorde dat het een kunstwerk was, was ik hoogst verbaasd.
Paula zou er ook niet zijn, want ze had jaren voor de thuiszorg in het verzorgingstehuis spreekuur gehouden en de mensen verzorgd en ze had geen zin om door hen aangesproken te worden. Ze vond hen allemaal erg lief, maar was blij dat ze hen niet meer behoefde te zien. Sommigen van hen hadden haar vroeger zo geclaimd dat ze hen als het even kon zelfs trachtte te ontlopen in het winkelcentrum. Zij is immers niet het type dat met de boodschappentas naast zich een half uur lang de wereldgeschiedenis van onze wijk gaat doornemen, zoals dit wel gedaan wordt door vele andere vrouwen hier.
Truus fronste verbaasd haar wenkbrauwen. Ook zij had namens de thuiszorg in het verzorgingstehuis gewerkt, maar ze zag er juist naar uit om door een van haar vroegere patiënten te worden aangesproken. 
“Ik zou ze gelijk vertellen waar het op staat. Ik bedoel, ik heb er altijd graag gewerkt, maar wat een zeikerds waren die oudjes vaak. Vergis je niet in die grijze duiven met hun mooie permanentje. Ze mogen er dan kwetsbaar uit zien, maar wat heb je er een paar vreselijke galbakken tussen. Als een van die troela’s, die mij vroeger als een soort sloofje behandelden, mij zou aanspreken zou ik haar de wind van voren geven. Ik zou haar zeggen dat de slavernij al meer dan honderd jaar geleden is afgeschaft. Dat ik blij ben dat ik er niet meer werk. Dat ze niet zo moesten zeuren. Dat het meeste geld toch maar mooi bij de senioren zit en dat ze geboft hebben dat ze terecht konden in een verzorgingstehuis en niet gelijk werden opgenomen in een verpleegtehuis.
Dat ze, als ze nog geen alzheimer hadden, grote kans liepen om dat alsnog te krijgen. Dat ze niet zo moesten vitten op hun kinderen die nooit wat van zich lieten horen, want dat die daar vast wel een reden voor hadden.”
Ik was verbaasd over de felheid waarmee Truus sprak. Maakte ze nu een grapje of kwamen opeens al haar frustraties van jaren geleden naar boven?
“Die Marja, je weet wel mijn leidinggevende destijds, die kwam ik laatst tegen. Eerst wilde ik gewoon aan haar voorbij lopen, maar ze sprak me aan en vroeg me poeslief hoe het met me ging. Ze was zeker vergeten dat ze destijds het bloed onder mijn nagels vandaan haalde door me te behandelen als een klein kind. Ik heb haar gevraagd of ze nog steeds haar baantje had of dat ze er inmiddels op het hoofdkantoor waren achter gekomen dat ze behalve een bruine tong en eelt op haar ellenbogen geen grammetje verstand van leidinggeven in haar bovenkamer had. Ik zei haar dat ik vond dat ze destijds door gebrek aan gewicht naar boven was komen drijven en dat ze met haar bemoeienissen menig collega de ziektewet had in gewerkt. Je had haar moeten zien. Dat had ze niet van me verwacht. Je denkt toch niet dat ik destijds alleen maar met pensioen ben gegaan omdat ik het werk zat was? Haar was ik ook meer dan zat en ik zag er tegen op om haar nog een paar jaar om me heen te hebben.
Nee, hoor. Ik ga gewoon naar de onthulling van dat kunstwerk. Ja, ik vind er ook niets aan, maar ik heb wel zin om een paar van die oudjes de stuipen op het lijf te jagen. Ze maken toch nooit wat mee. Hebben ze tenminste iets om over te praten met elkaar. Ze mogen me wel dankbaar zijn.”
Verbouwereerd  nam ik afscheid van Truus, die beloofde om binnenkort weer eens bij ons lang te komen.
Ik moest nadenken over wat ze had gezegd. En over haar ongewone felheid. 
Ik herkende het wel. Net als in het onderwijs zouden sommige managers en leidinggevenden in de zorg veel meer oog moeten hebben voor hun personeel. Zij zijn vaak debet aan veel leed op de werkvloer en krijgen alle ruimte om hun gezag te doen gelden naar eigen gebrek aan inzicht. Niet zo vreemd dat ze soms van een ex-werknemer te horen krijgen dat ze zulke leeghoofden en bemoeials zijn. Je oogst immers wat je zaait.
Gelukkig maar dat ik straks mijn flitsende carrière afsluit met de herinnering aan een weliswaar chaotische maar menselijke leidinggevende.
Het was misschien wel lullig van Truus om zo over die oudjes te praten, maar helemaal ongelijk kon ik haar ook niet geven. Ik herkende de verhalen immers. Waarom zouden er onder oudere mensen minder zeurpieten zitten dan onder hun jongere leeftijdgenoten?
Ik moest glimlachen om haar laatste woorden. “Ze mogen me wel dankbaar zijn”. Uitgemaakt worden voor rotte vis en dan dankbaar zijn. Aan de andere kant zou de anekdote waarschijnlijk een langer leven beschoren zijn dan het gevoel van irritatie dat ze met haar woorden zou oproepen. En als je daarmee je leven in de ogen van anderen wat interessanter maken kunt? 


vrijdag 6 december 2013

Verrassing.

Wat doen net gepensioneerden meestal als eerste zodra zij weer een beetje op adem zijn gekomen? Juist, zij gaan de rommel opruimen die zij al die jaren hebben verzameld en waarvan zij, meestal uit sentimentaliteit, nooit afstand hebben kunnen doen.
Hoewel ik nog een paar maanden wachten moet voor ik mezelf gepensioneerd mag noemen heeft dit mij er niet van weerhouden om alvast eens naar mijn eigen rommelverzameling te kijken.
Die heeft de laatste jaren uit het zicht een paar vierkante meter van de bovenverdieping in beslag genomen, maar is nu na een kleine verbouwing tevoorschijn gekomen. Wat niet de bedoeling was.

Slechts door het open maken van één doos besefte ik dat dit opruimen straks om een lange adem vraagt. Pennen, pasjes, knijpers, batterijen, brieven, foto’s, munten en een grote hoeveelheid ongedefinieerde rotzooi. Allemaal kriskras door elkaar. Zoals bijvoorbeeld een ketting met het boze oog, zo’n veertig jaar geleden gekregen van Peggy, mijn Amerikaanse vriendin. En nog een andere ketting. Gemaakt van paardenhoefnagels.  Deze was van haar zus Sally, die mij toefluisterde dat de hoefnagels mij zouden openrijten mocht ik Peggy ooit ontrouw zijn. Dat de nagels mij met rust hebben gelaten is het bewijs dat ik haar waarschuwing serieus heb genomen. Ik heb de kettingen naast elkaar aan de muur gehangen, schuin boven het messing Jezuskruis van mijn overleden moeder.  Zij heeft Peggy nog gekend en zou dit wel gewaardeerd hebben.
Toen ik de doos weer wilde sluiten viel mijn oog op een zwarte glanzende steen. Nee, dit kon niet waar zijn. Voorzichtig pakte ik de steen op en legde hem in de palm van mijn hand. Het was alsof ik een zacht galmende vrouwenstem hoorde die vanuit een diepe put zijn weg zocht naar de oppervlakte. Zo’n bibberende stem uit een goedkope B-film van iemand die vanuit gene zijde contact met je zoekt.
Ik zag me weer op Rhodos op het strand van Lindos zitten onder een licht bewolkte hemel. Een zacht najaarsbriesje stuwde het zeewater tussen de grote brokken puinsteen, die mogelijk in een ver verleden door een flinke vulkaanuitbarsting hier naar beneden waren gekomen en overal verspreid lagen. Ik zat hier in mijn eentje en volgde met mijn ogen een schip dat langzaam aan de horizon voorbij vaarde. Zo geconcentreerd zat ik te kijken dat ik niet in de gaten had dat zij naast me was komen staan. Ik schrok op uit mijn gedachten toen ze zacht “Hallo” zei.
Twintig zal ze zijn geweest. Niet veel ouder. Ik werd getroffen door het diepe blauw van haar ogen, die vanuit een volmaakt symmetrisch gezicht naar me keken. Haar schoonheid was zo overweldigend dat ik aanvankelijk geen woord kon uitbrengen en haar stom bleef aanstaren.
Ze stelde zichzelf voor als Kalista en vroeg mij wie ik was en wat ik hier deed. Ik noemde mijn naam en vertelde dat ik op weg was naar Israël. We raakten aan de praat en ze kwam naast me zitten op het zand. Kalista kwam uit Athene en was hier met vakantie. Dit was haar laatste dag op Rhodos.
We deelden wat verhalen met elkaar en opeens, na een korte stilte,  vertelde ze me dat ze in de toekomst kon zien. Ze vroeg me of ze mijn hand mocht lezen. Na afloop vertelde ze me wat ze had gezien en vreemd genoeg zijn diverse van haar voorspellingen uitgekomen.
Toen stond ze op om afscheid te nemen. Ik wist dat ik haar nooit meer zien zou en gaf haar een hand. Ik voelde hoe ze er iets in legde wat glad en hard was. Ze sloot mijn vingers er om heen.

“Als je van je omzwervingen weer thuis komt, bewaar dan deze steen op een plek die je moet vergeten. Als je oud bent zul je hem onverwachts weer terug vinden. Vanaf dat moment zul je beginnen aan de laatste fase van je leven waarin je een vermogend man zal worden. De fantastische geschenken van de Kosmos zullen je verbazen.” Ik keek naar de glimmende zwarte steen die ze me in mijn hand had gedrukt en hoorde slechts vaag wat ze me zei. Toen drukte ze even haar lippen zacht op de mijne en liep zonder om te kijken van me weg in de richting van Lindos.

donderdag 5 december 2013

Snotter-John.

Met een dikke keel en verstopte neus zit ik achter mijn computer en voel me prima. Alleen al de gedachte dat ik morgen niet om zes uur hoef op te staan is voldoende om te vergeten dat ziek zijn ook een  keerzijde heeft. Al een week zit ik thuis te snotteren en te sputteren. Eerst nog met een lichte hoofdpijn en koorts, maar inmiddels alleen nog maar snuivend en rochelend.
Nee, de mens ziet er niet bepaald fraai uit als hij verkouden is. En zeker niet deze mens.
De hele dag loop ik rond in een donkerblauwe fluweelzachte kamerjas, die hoognodig eens in de was moet. Met sloffen aan mijn voeten uit het jaar nul, die nog net niet helemaal versleten zijn maar die ik blijf dragen omdat ze zo lekker zitten.
Paula vindt het zowaar gezellig dat ik de deur niet uit hoef en verheugt zich net als ik al op de dag dat ik als loonslaaf mijn vrijheid weer terug krijg. En dat is over nog geen drie maanden.
Ja, ik mag dan nog zo veel van mijn werk houden, er gaat toch maar niets boven baas over jezelf zijn.
Zo’n twintig jaar heb ik met veel plezier voor de klas gestaan. Pas de laatste maanden begonnen de ketenen me te knellen. De maatregelen die er zijn genomen om de organisatie weer gezond te maken hebben het werk er immers niet leuker op gemaakt.
Niet voor het personeel en niet voor de leerlingen. Bovendien heb ik er eerlijk gezegd niet veel vertrouwen in dat ze op langere termijn effectief zullen blijken te zijn.
Door de jaren heen heb ik de kwaliteit van het onderwijs achteruit zien hollen. Ondanks dat het personeel harder is gaan werken. Maar als stuurlui aan de wal het voor het zeggen krijgen loopt het schip vroeg of laat averij op. Dat kan een kind bedenken.
Geld is er niet. Visie heb ik nergens gezien. De twee elementen die een organisatie succesvol kunnen maken.
Zo is het met de middelen om goed onderwijs te kunnen verzorgen droevig gesteld.
De training in telefoneren geef ik bijvoorbeeld met behulp van twee walkietalkies aan zo’n vijftig leerlingen en daar heb ik tien uur de tijd voor. In nog eens tien uur moet ik hen leren om baliegesprekken te voeren. Een trieste zaak. En frustrerend voor mij en de leerlingen.
Het is makkelijk om dit voorbeeld met nog meer voorbeelden aan te vullen maar ik laat het hierbij.  
Er zijn zoveel ergere dingen.
Nee, ik doe er verstandiger aan om vooruit te kijken. Plannen te maken voor een eigen praktijk als S&O psycholoog, me te verdiepen in perma-cultuur en vierkante meter tuintjes, HDR-fotografie, wandelingen die ik maken wil, mijn schrijven dat ik op een hoger niveau wil brengen net als het spelen op mijn gitaar. En nog veel andere zaken waarover ik hier niet verder wil uitweiden.
Hoe bizar is het lot dat juist door het toedoen van een slecht functionerende bestuurder ik straks met een gouden handdruk op mijn luie reet mag gaan liggen. Want zonder reorganisatie had ik zeker nog drie jaar moeten werken.
Paula verwoordde het simpel: “we zitten onder het gat van de duvel.” Die schijt immers altijd op de grote hoop en dat heeft hij wel vaker bij ons gedaan.

Het hagelt en er staat een harde wind. Morgenochtend draai ik me nog eens een paar keer om en stel me voor dat ik al gestopt ben met werken. Nu ga ik eerst nog even lekker stomen en een warme douche nemen. Misschien ben ik overmorgen, net als het weekend begint, weer helemaal beter.

woensdag 16 oktober 2013

Kippetjes

Een tijdje geleden gaf ik al aan dat ik na mijn pensioen kippen ga verbouwen en groenten fokken.
Een gepensioneerde vriend van mij, die mijn verhaaltje gelezen had, wees mij er op dat het juist andersom is. Dat je kippen fokt en groenten verbouwt. “Je kunt kippen ook fucken”, sprak mijn vriend die vrijgezel is, “maar ik denk niet dat je dat bedoelt”.
Ik bedankte hem voor de goede raad. Ik weet van hem dat hij zelf wel eens een kip fuckt, maar dat is uit mededogen. De arme beesten moeten het namelijk stellen zonder een haan, want deze bleek op zekere dag verdwenen te zijn. Mogelijk heeft het arme dier zijn leven afgesloten met een bezoekje aan de poelier. Toen hij me dit vertelde moest ik denken aan het liedje van de haan en de hen van Cornelis Vreeswijk. Daarin komt het volgende couplet voor:

Geef ons toch een haan met ‘dat’
Die we hebben zijn we zat
Hij is lui en heel onwillig
Impotent en onverschillig
Geef ons toch een nieuwe haan zeg
Zo is het toch niets gedaan zeg
Wij zijn treurig, tok tok tok
Het gaat niet best bij ons in het hok

Ja, treurig zullen de kippetjes van mijn vriend ook wel zijn nu zij hun minnaar hebben verloren. Ik kan me ook niet voorstellen dat deze leegte door een eenzame oude vrijgezel kan worden opgevuld.
Zo’n ren met kippen zorgt overigens wel voor veel geluidsoverlast. Al dat gekakel en getok.
Ook in de klas zitten soms van die kleine groepjes meiden die net zo onrustig zijn als kippetjes die een eitje moeten leggen. En maar kakelen, en maar onrustig heen en weer schuiven op die stoelen.
Ze vermanen en ze netjes vragen om stil te zijn helpt meestal niet. Pas als je er een het kippenhok uitstuurt worden de anderen heel braaf. Schijters, denk ik dan. Wat is er immers fijner dan even verlost te zijn van zo’n alsmaar doorrazende docent die je allerlei dingen vertelt waarin je toch niet geïnteresseerd bent. Is dan weggestuurd worden uit de klas niet een cadeautje? Even lekker in de kantine zitten of, als het weer er naar is, buiten in het zonnetje. Hoe is het toch mogelijk, vraag ik me dan af, als ik de dametjes zo timide naar me zie kijken nadat ze is duidelijk gemaakt wie er de haan in het kippenhok is, dat er een tijd in mijn leven geweest is dat ik me door al die lieve kopjes liet intimideren? Want al zie ik dit nu volledig anders, als jongen voelde ik me vaak  niet zo op m’n gemak in het gezelschap van die bijdehante meiden. En ik weet dat ik dat niet alleen had. De meeste jongens die kende hadden er last van.
Ja, de ouderdom zet alles in een ander perspectief. Je ziet dat je je onnozele zelf steeds verder achter je laat, al zal hij nooit helemaal uit je gezichtsveld verdwijnen. Mensen zijn immers makers van hun eigen werkelijkheid. Je ziet de wereld zoals je hem wil zien en misschien maar het beste kunt zien. De azijnpissers natuurlijk daargelaten. En wat betreft het maken van je eigen werkelijkheid; zou het soms kunnen zijn dat ik straks kippen wil gaan fokken omdat ik het gekakel van de hennetjes in de klas erg zal missen? Of doe ik het alleen voor de verse eieren?

maandag 7 oktober 2013

Opzouten.

Wordt het niet tijd dat ik opzout? Ik bedoel; heeft mijn baas niet lang genoeg van mijn diensten gebruik kunnen maken? En dat voor een koopje?
Een ander reken ik mogelijk het dubbele of drievoudige als ik straks de cursus gebakken lucht die ik destijds in Leiden gevolgd heb ga verzilveren.  Ik ken tenslotte nog wel meer trucjes dan alleen les geven.
Zoals genoegzaam bekend wordt er bij ons stevig gereorganiseerd. Ik heb daar al menig maal over gemopperd en heb beloofd om dit niet meer te doen. Nou vooruit. Nog één keertje dan.
De nieuwe rekenmeester die onze tent runt lijkt in ieder geval de boekhouding weer op orde te krijgen. Dat is wel een complimentje waard. Hiermee wordt mogelijk veel werkgelegenheid behouden. Dus: Chapeau!
Over de wijze waarop hij de troep die zijn voorganger heeft achtergelaten opruimt zijn de meningen overigens wel verdeeld.
Op mij komt het over alsof er een vuilnisemmer wordt leeggegooid. De inhoud ligt op straat, maar je emmer is mooi leeg. Grote schoonmaak zullen we maar zeggen. Tussen het vuil liggen gefrustreerde docenten en leerlingen. Ze begrijpen niet goed wat hen is overkomen en vragen zich af hoe het komt dat ze daar als afgedankte lorren op een hoop gesmeten zijn. Ja beste mensen, waar gehakt wordt vallen spaanders. Jullie zijn niet het slachtoffer van kwaadaardigheid maar van het streven naar doelmatigheid en efficiëntie. Welkom in de nieuwe wereld van het MBO.

Grote kans dat ik er zelf dus ook binnenkort mee kap. Ik heb geen zin om straks net als hen weggegooid te worden met het nog resterende vuil. Al zou mij dat wel een flinke smak geld kunnen opleveren. Mijn voorkeur gaat uit naar de ‘nette’ manier.
Er wordt nu op mijn verzoek uitgezocht wat de in het sociaal akkoord opgenomen ‘ouwelullenregeling’ schuift. Als ik tevreden ben over het antwoord pak ik nog dit jaar mijn biezen.  En zo niet, dan wacht ik nog een paar jaartjes. Want mijn werk blijf ik gelukkig leuk vinden.
Een rare gedachte dat ik mogelijk na twintig jaar onderwijs straks even een tijdje ga rentenieren.
Ik ben er nog niet aan gewend. Als het zover is zal het me vast wel enige tijd kosten om er alsnog aan te wennen.
‘k Heb altijd gedacht dat ik door zou gaan tot het gaatje. En dan gaan ze opeens met van die mooie flappies zwaaien. Ook ik ben daar niet ongevoelig voor.  

Ja, het gaat onverwachts snel. Daarbij speelt mee dat dit kabinet veel geld nodig heeft en dat daarom een aantal fiscaal gunstige regelingen mogelijk per 1 januari komen te vervallen, waardoor de ontslagregeling mogelijk minder interessant wordt. Dus moeten er op erg korte termijn knopen worden doorgehakt door mij. Nee, ik heb nog geen besluit genomen. Maar er is zeker een kans dat ik volgend jaar een langere vakantie heb dan de zes weken die mijn collega’s hebben.

dinsdag 1 oktober 2013

Helpen; je wordt er zo moe van.

Een kind valt in het water en ik spring het achterna
Ik ben opeens voor iedereen een held
Een grote bos bloemen en een foto in de krant
Maar helaas geen grote zak met geld

Een brandend huis, ik ren naar binnen
‘k Red een vrouw, haar kinderen en een luizige hond uit de woning
‘k Krijg van de burgemeester een medaille
Maar helaas weer geen financiële beloning

Een kind dreigt uit het raam te vallen van vier hoog
Ik zie het aan de vensterbank hangen
Ik snel toe en spreid mijn armen; kijk, het valt
Echt, ik had het bijna opgevangen

Ik voel me niet best na deze mislukte poging
Ik had toch zo mijn best gedaan
Bijna is helaas net niet helemaal
Had ik maar een metertje naar rechts gestaan

Ja, het helpen zit mij in het bloed
Reeds menig leerling hielp ik aan zijn of haar diploma
Daarom is mijn baas echt reuze trots op mij
En ziet niet graag dat ik er vandoor ga

Maar de chaos op school wordt mij soms te veel
Het is dweilen met de kraan wijd open
Niemand die mij of mijn collega’s helpt
’t Lijkt soms wel of ze ons willen slopen

Ik ben nu zelf gestopt met helpen
Mij ontbreekt de tijd èn perspectief
Ik ga kippen houden en groenten verbouwen
En ik verberg mij in de armen van mijn lief

Zij troost mij en strijkt mijn grijze haren
Ze zegt: "Het is mooi geweest, het is genoeg
Laten we samen de lakens bevuilen
Of ons bezatten in de kroeg"

Ja, ik ben begonnen met afscheid te nemen
Ik denk steeds vaker aan het leven dat nog voor me ligt
Ik kan niemand helpen, laten zij het zelf maar doen
Nog even en ik trek de deur voorgoed achter mij dicht.

woensdag 25 september 2013

Terugblik.

Het was laat op de avond van mijn 63e verjaardag. De gasten waren weg en met mijn vijfde Belgische biertje van die avond in mijn hand keek ik terug op een bewogen jaar op school. 
Een paar maanden eerder had ik mijn werkmanskleren voorgoed aan de kapstok gehangen. Een overhemd dat ik iets te vaak gedragen had en dat bij de boorden versleten was. Een uitgelubberde grijze broek, die ik aanvankelijk op moest houden met een riem, maar die mij, nu ik al drie maanden niet meer voor de klas had gestaan, twee maatjes te klein was geworden. Mijn tas vol gaten en scheuren lag op zolder ergens in een hoek.
Alle boeken en verslagen die ik de afgelopen jaren bewaard had, alle mappen en handleidingen die ik ooit geschreven had, heel de zooi had ik weggeflikkerd.

Het goede leven dat mij bij mijn pensionering was beloofd bleek te bestaan uit laat naar bed gaan, lang uitslapen, teveel eten, drinken en blowen. Een teveel aan alles wat slecht voor mijn gezondheid en mijn geestelijk welbevinden was. Het kostte me moeite om het mezelf toe te geven, maar ik zat in een rouwproces.
Ik miste mijn fijne collega’s, mijn energieke en leuke leerlingen en de ergernis over het management, dat mij nu niet meer gek kon maken met zijn belachelijke eisen.
Ik bleek opeens volledig overbodig te zijn en daar treurde ik over. Het schip waarop ik zo lang op gediend had zou zinken zonder mij, terwijl de kapitein de bemanning en de passagiers optimistisch moed in zou blijven spreken totdat de oceaan zich boven iedereen gesloten had.

Had ik niet beter aan boord kunnen blijven en mee naar de kelder kunnen gaan? Was ik niet als een vuile rat bezweken voor de verleiding van de zak met geld die mij beloofd was als ik gebruik zou maken van de ‘ouderenregeling’, waardoor ik vervroegd met pensioen kon gaan?
Daar zat ik dan eenzaam aan het eind van mijn feestje. Vandaag geen collega’s die mij feliciteerden en mij een fijne avond toewensten. Geen leerlingen die mij toezongen. Dat was allemaal geweest.
25 september 2013 was het de laatste keer dat ik koeken van de Hema trakteerde aan de mensen waarmee ik zij aan zij geknokt had voor betere werkomstandigheden en beter onderwijs.  
De laatste keer dat ik na een chronisch slaaptekort stond te hakkelen voor de klas terwijl de leerlingen mij allen een fijne verjaardag toe wensten.   

Ik voelde mij een verrader nu ik mijn collega’s en mijn leerlingen zo had laten barsten. Ik trok nog eens een flesje open. Het kostte me enige moeite want ik kon nog steeds niet erg goed tegen alcohol. Maar ik voelde dat ik dat wel zou leren in de stille jaren die nu voor me lagen.

dinsdag 24 september 2013

Spiegel.

Op weg naar school of naar huis kom ik ze altijd in groten getale tegen. Mensen.  Ze hebben niet meer dezelfde lichte blos van opwinding op hun wangen als toen ze misschien lang geleden op weg waren naar een sollicitatiegesprek. Ook in hun ogen ontbreekt de sprankelende vonk van weleer.
Vergis ik me of zien ze er gewoon vreselijk moe uit? Sommigen zelfs uitgeput. Het is alsof hun energie door vampiers uit hun is weggezogen. Ze lijken een beetje gestorven van binnen. Als planten die, ver van het licht dat door het raam valt,  te lang op de verkeerde plek in de kamer hebben gestaan en al lange tijd geen water hebben gekregen.
Wat gebeurt er toch met de meeste mensen als zij zijn opgenomen in het arbeidsproces?
Worden ze soms langzaam door de eisen die men aan hen stelt uitgebeend?
Ik kijk om mij heen en als ik het treurige gezelschap zie heb de neiging om hard te lachen. Maar de sfeer is zo beklemmend dat ik zelfs de glimlach die zich spontaan om mijn lippen vormt verborgen hou achter mijn hand. Nee, ook vandaag heb ik geen zin om gelyncht  te worden.
Dan bedenk ik me dat ik er zelf ook niet zo fraai uit moet zien. Een chronisch tekort aan slaap roept vlagen van een lichte luciditeit bij me op en ik voel me baldadig worden. Ik moet opnieuw aan seks denken. En de dag is nog geen twee uur oud. Als ik een plofferige brillenkop zie die droevig voor zich uit staart kom ik van binnen weer wat tot rust. Met dit soort gedachtes lukt het me om ook mijn orgasmes uit te stellen.  Zo hebben we allemaal onze trucjes om het genot wat te rekken.
Ik begrijp waarom mensen liever in hun eentje in een auto stappen en de voorkeur geven aan dat half uur in de file boven het Openbaar Vervoer, waar ze steeds zichzelf weer in de spiegel zien die anderen hen voorhouden.
Want van mijn blosjes is ook niet zoveel meer over. Moe ben ik. Al is het bij vlagen en weet ik me nog steeds te herstellen in het weekend. Nee, ik voel me niet leeggezogen. Ik weet de vampiers die het op mij gemunt hebben nog gemakkelijk van me af te slaan. Maar het worden er wel steeds meer.  

Een extra teentje knoflook en een Jezuskruis moeten mij beschermen. Het kruis hangt naast me in mijn werkkamer. Het is van mijn moeder geweest.  Ik vermoed dat ze, toen ze nog leefde, er veel troost aan heeft ontleend. En ook al vind ik het heel lekker, de knoflook eet ik voorlopig alleen bij volle maan.