dinsdag 24 september 2013

Spiegel.

Op weg naar school of naar huis kom ik ze altijd in groten getale tegen. Mensen.  Ze hebben niet meer dezelfde lichte blos van opwinding op hun wangen als toen ze misschien lang geleden op weg waren naar een sollicitatiegesprek. Ook in hun ogen ontbreekt de sprankelende vonk van weleer.
Vergis ik me of zien ze er gewoon vreselijk moe uit? Sommigen zelfs uitgeput. Het is alsof hun energie door vampiers uit hun is weggezogen. Ze lijken een beetje gestorven van binnen. Als planten die, ver van het licht dat door het raam valt,  te lang op de verkeerde plek in de kamer hebben gestaan en al lange tijd geen water hebben gekregen.
Wat gebeurt er toch met de meeste mensen als zij zijn opgenomen in het arbeidsproces?
Worden ze soms langzaam door de eisen die men aan hen stelt uitgebeend?
Ik kijk om mij heen en als ik het treurige gezelschap zie heb de neiging om hard te lachen. Maar de sfeer is zo beklemmend dat ik zelfs de glimlach die zich spontaan om mijn lippen vormt verborgen hou achter mijn hand. Nee, ook vandaag heb ik geen zin om gelyncht  te worden.
Dan bedenk ik me dat ik er zelf ook niet zo fraai uit moet zien. Een chronisch tekort aan slaap roept vlagen van een lichte luciditeit bij me op en ik voel me baldadig worden. Ik moet opnieuw aan seks denken. En de dag is nog geen twee uur oud. Als ik een plofferige brillenkop zie die droevig voor zich uit staart kom ik van binnen weer wat tot rust. Met dit soort gedachtes lukt het me om ook mijn orgasmes uit te stellen.  Zo hebben we allemaal onze trucjes om het genot wat te rekken.
Ik begrijp waarom mensen liever in hun eentje in een auto stappen en de voorkeur geven aan dat half uur in de file boven het Openbaar Vervoer, waar ze steeds zichzelf weer in de spiegel zien die anderen hen voorhouden.
Want van mijn blosjes is ook niet zoveel meer over. Moe ben ik. Al is het bij vlagen en weet ik me nog steeds te herstellen in het weekend. Nee, ik voel me niet leeggezogen. Ik weet de vampiers die het op mij gemunt hebben nog gemakkelijk van me af te slaan. Maar het worden er wel steeds meer.  

Een extra teentje knoflook en een Jezuskruis moeten mij beschermen. Het kruis hangt naast me in mijn werkkamer. Het is van mijn moeder geweest.  Ik vermoed dat ze, toen ze nog leefde, er veel troost aan heeft ontleend. En ook al vind ik het heel lekker, de knoflook eet ik voorlopig alleen bij volle maan. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten