vrijdag 6 december 2013

Verrassing.

Wat doen net gepensioneerden meestal als eerste zodra zij weer een beetje op adem zijn gekomen? Juist, zij gaan de rommel opruimen die zij al die jaren hebben verzameld en waarvan zij, meestal uit sentimentaliteit, nooit afstand hebben kunnen doen.
Hoewel ik nog een paar maanden wachten moet voor ik mezelf gepensioneerd mag noemen heeft dit mij er niet van weerhouden om alvast eens naar mijn eigen rommelverzameling te kijken.
Die heeft de laatste jaren uit het zicht een paar vierkante meter van de bovenverdieping in beslag genomen, maar is nu na een kleine verbouwing tevoorschijn gekomen. Wat niet de bedoeling was.

Slechts door het open maken van één doos besefte ik dat dit opruimen straks om een lange adem vraagt. Pennen, pasjes, knijpers, batterijen, brieven, foto’s, munten en een grote hoeveelheid ongedefinieerde rotzooi. Allemaal kriskras door elkaar. Zoals bijvoorbeeld een ketting met het boze oog, zo’n veertig jaar geleden gekregen van Peggy, mijn Amerikaanse vriendin. En nog een andere ketting. Gemaakt van paardenhoefnagels.  Deze was van haar zus Sally, die mij toefluisterde dat de hoefnagels mij zouden openrijten mocht ik Peggy ooit ontrouw zijn. Dat de nagels mij met rust hebben gelaten is het bewijs dat ik haar waarschuwing serieus heb genomen. Ik heb de kettingen naast elkaar aan de muur gehangen, schuin boven het messing Jezuskruis van mijn overleden moeder.  Zij heeft Peggy nog gekend en zou dit wel gewaardeerd hebben.
Toen ik de doos weer wilde sluiten viel mijn oog op een zwarte glanzende steen. Nee, dit kon niet waar zijn. Voorzichtig pakte ik de steen op en legde hem in de palm van mijn hand. Het was alsof ik een zacht galmende vrouwenstem hoorde die vanuit een diepe put zijn weg zocht naar de oppervlakte. Zo’n bibberende stem uit een goedkope B-film van iemand die vanuit gene zijde contact met je zoekt.
Ik zag me weer op Rhodos op het strand van Lindos zitten onder een licht bewolkte hemel. Een zacht najaarsbriesje stuwde het zeewater tussen de grote brokken puinsteen, die mogelijk in een ver verleden door een flinke vulkaanuitbarsting hier naar beneden waren gekomen en overal verspreid lagen. Ik zat hier in mijn eentje en volgde met mijn ogen een schip dat langzaam aan de horizon voorbij vaarde. Zo geconcentreerd zat ik te kijken dat ik niet in de gaten had dat zij naast me was komen staan. Ik schrok op uit mijn gedachten toen ze zacht “Hallo” zei.
Twintig zal ze zijn geweest. Niet veel ouder. Ik werd getroffen door het diepe blauw van haar ogen, die vanuit een volmaakt symmetrisch gezicht naar me keken. Haar schoonheid was zo overweldigend dat ik aanvankelijk geen woord kon uitbrengen en haar stom bleef aanstaren.
Ze stelde zichzelf voor als Kalista en vroeg mij wie ik was en wat ik hier deed. Ik noemde mijn naam en vertelde dat ik op weg was naar Israël. We raakten aan de praat en ze kwam naast me zitten op het zand. Kalista kwam uit Athene en was hier met vakantie. Dit was haar laatste dag op Rhodos.
We deelden wat verhalen met elkaar en opeens, na een korte stilte,  vertelde ze me dat ze in de toekomst kon zien. Ze vroeg me of ze mijn hand mocht lezen. Na afloop vertelde ze me wat ze had gezien en vreemd genoeg zijn diverse van haar voorspellingen uitgekomen.
Toen stond ze op om afscheid te nemen. Ik wist dat ik haar nooit meer zien zou en gaf haar een hand. Ik voelde hoe ze er iets in legde wat glad en hard was. Ze sloot mijn vingers er om heen.

“Als je van je omzwervingen weer thuis komt, bewaar dan deze steen op een plek die je moet vergeten. Als je oud bent zul je hem onverwachts weer terug vinden. Vanaf dat moment zul je beginnen aan de laatste fase van je leven waarin je een vermogend man zal worden. De fantastische geschenken van de Kosmos zullen je verbazen.” Ik keek naar de glimmende zwarte steen die ze me in mijn hand had gedrukt en hoorde slechts vaag wat ze me zei. Toen drukte ze even haar lippen zacht op de mijne en liep zonder om te kijken van me weg in de richting van Lindos.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten