zaterdag 7 december 2013

Frustratie.

Vanmiddag liep ik bij ons in het winkelcentrum toen ik Truus tegen kwam. Truus is een oud-collega van Paula en is net als zij een tijdje geleden met pensioen gegaan. Truus kwam in het verleden wel bij ons langs, maar de laatste twee jaar had ik haar niet meer gezien.
Belangstellend informeerde ze naar Paula en ik kon haar naar eer en geweten zeggen dat Paula echt van haar pensioen genoot en dat het verder goed met haar ging. Afgezien dan van wat kleine gezondheidsprobleempjes.
Al pratend over ditjes en datjes kwam het kunstwerk ter sprake dat sinds kort de gevel van het verzorgingstehuis in onze wijk siert. Volgende week zou de wethouder het officieel komen onthullen. Iedereen in de wijk had een uitnodiging ontvangen om er bij aanwezig te zijn. Speech waarin de kunstenaar zou worden geroemd en vastgesteld zou worden dat het geld goed was besteed, hapje en drankje en een zoen van de juffrouw. Zo ongeveer luidde het programma.
Nee, ik zou niet bij de onthulling aanwezig zijn, want ik vond het kunstwerk spuuglelijk. Ik dacht aanvankelijk dat het een soort kerstversiering was waarvan alleen de lampjes ontbraken en dat het slechts tijdelijk tegen de gevel was gespijkerd. Toen ik later hoorde dat het een kunstwerk was, was ik hoogst verbaasd.
Paula zou er ook niet zijn, want ze had jaren voor de thuiszorg in het verzorgingstehuis spreekuur gehouden en de mensen verzorgd en ze had geen zin om door hen aangesproken te worden. Ze vond hen allemaal erg lief, maar was blij dat ze hen niet meer behoefde te zien. Sommigen van hen hadden haar vroeger zo geclaimd dat ze hen als het even kon zelfs trachtte te ontlopen in het winkelcentrum. Zij is immers niet het type dat met de boodschappentas naast zich een half uur lang de wereldgeschiedenis van onze wijk gaat doornemen, zoals dit wel gedaan wordt door vele andere vrouwen hier.
Truus fronste verbaasd haar wenkbrauwen. Ook zij had namens de thuiszorg in het verzorgingstehuis gewerkt, maar ze zag er juist naar uit om door een van haar vroegere patiënten te worden aangesproken. 
“Ik zou ze gelijk vertellen waar het op staat. Ik bedoel, ik heb er altijd graag gewerkt, maar wat een zeikerds waren die oudjes vaak. Vergis je niet in die grijze duiven met hun mooie permanentje. Ze mogen er dan kwetsbaar uit zien, maar wat heb je er een paar vreselijke galbakken tussen. Als een van die troela’s, die mij vroeger als een soort sloofje behandelden, mij zou aanspreken zou ik haar de wind van voren geven. Ik zou haar zeggen dat de slavernij al meer dan honderd jaar geleden is afgeschaft. Dat ik blij ben dat ik er niet meer werk. Dat ze niet zo moesten zeuren. Dat het meeste geld toch maar mooi bij de senioren zit en dat ze geboft hebben dat ze terecht konden in een verzorgingstehuis en niet gelijk werden opgenomen in een verpleegtehuis.
Dat ze, als ze nog geen alzheimer hadden, grote kans liepen om dat alsnog te krijgen. Dat ze niet zo moesten vitten op hun kinderen die nooit wat van zich lieten horen, want dat die daar vast wel een reden voor hadden.”
Ik was verbaasd over de felheid waarmee Truus sprak. Maakte ze nu een grapje of kwamen opeens al haar frustraties van jaren geleden naar boven?
“Die Marja, je weet wel mijn leidinggevende destijds, die kwam ik laatst tegen. Eerst wilde ik gewoon aan haar voorbij lopen, maar ze sprak me aan en vroeg me poeslief hoe het met me ging. Ze was zeker vergeten dat ze destijds het bloed onder mijn nagels vandaan haalde door me te behandelen als een klein kind. Ik heb haar gevraagd of ze nog steeds haar baantje had of dat ze er inmiddels op het hoofdkantoor waren achter gekomen dat ze behalve een bruine tong en eelt op haar ellenbogen geen grammetje verstand van leidinggeven in haar bovenkamer had. Ik zei haar dat ik vond dat ze destijds door gebrek aan gewicht naar boven was komen drijven en dat ze met haar bemoeienissen menig collega de ziektewet had in gewerkt. Je had haar moeten zien. Dat had ze niet van me verwacht. Je denkt toch niet dat ik destijds alleen maar met pensioen ben gegaan omdat ik het werk zat was? Haar was ik ook meer dan zat en ik zag er tegen op om haar nog een paar jaar om me heen te hebben.
Nee, hoor. Ik ga gewoon naar de onthulling van dat kunstwerk. Ja, ik vind er ook niets aan, maar ik heb wel zin om een paar van die oudjes de stuipen op het lijf te jagen. Ze maken toch nooit wat mee. Hebben ze tenminste iets om over te praten met elkaar. Ze mogen me wel dankbaar zijn.”
Verbouwereerd  nam ik afscheid van Truus, die beloofde om binnenkort weer eens bij ons lang te komen.
Ik moest nadenken over wat ze had gezegd. En over haar ongewone felheid. 
Ik herkende het wel. Net als in het onderwijs zouden sommige managers en leidinggevenden in de zorg veel meer oog moeten hebben voor hun personeel. Zij zijn vaak debet aan veel leed op de werkvloer en krijgen alle ruimte om hun gezag te doen gelden naar eigen gebrek aan inzicht. Niet zo vreemd dat ze soms van een ex-werknemer te horen krijgen dat ze zulke leeghoofden en bemoeials zijn. Je oogst immers wat je zaait.
Gelukkig maar dat ik straks mijn flitsende carrière afsluit met de herinnering aan een weliswaar chaotische maar menselijke leidinggevende.
Het was misschien wel lullig van Truus om zo over die oudjes te praten, maar helemaal ongelijk kon ik haar ook niet geven. Ik herkende de verhalen immers. Waarom zouden er onder oudere mensen minder zeurpieten zitten dan onder hun jongere leeftijdgenoten?
Ik moest glimlachen om haar laatste woorden. “Ze mogen me wel dankbaar zijn”. Uitgemaakt worden voor rotte vis en dan dankbaar zijn. Aan de andere kant zou de anekdote waarschijnlijk een langer leven beschoren zijn dan het gevoel van irritatie dat ze met haar woorden zou oproepen. En als je daarmee je leven in de ogen van anderen wat interessanter maken kunt? 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten