Vanmiddag liep ik bij ons in het winkelcentrum toen ik Truus
tegen kwam. Truus is een oud-collega van Paula en is net als zij een tijdje
geleden met pensioen gegaan. Truus kwam in het verleden wel bij ons langs, maar
de laatste twee jaar had ik haar niet meer gezien.
Belangstellend informeerde ze naar Paula en ik kon haar naar
eer en geweten zeggen dat Paula echt van haar pensioen genoot en dat het verder
goed met haar ging. Afgezien dan van wat kleine gezondheidsprobleempjes.
Al pratend over ditjes en datjes kwam het kunstwerk ter
sprake dat sinds kort de gevel van het verzorgingstehuis in onze wijk siert.
Volgende week zou de wethouder het officieel komen onthullen. Iedereen in de
wijk had een uitnodiging ontvangen om er bij aanwezig te zijn. Speech waarin de
kunstenaar zou worden geroemd en vastgesteld zou worden dat het geld goed was
besteed, hapje en drankje en een zoen van de juffrouw. Zo ongeveer luidde het
programma.
Nee, ik zou niet bij de onthulling aanwezig zijn, want ik
vond het kunstwerk spuuglelijk. Ik dacht aanvankelijk dat het een soort
kerstversiering was waarvan alleen de lampjes ontbraken en dat het slechts
tijdelijk tegen de gevel was gespijkerd. Toen ik later hoorde dat het een
kunstwerk was, was ik hoogst verbaasd.
Paula zou er ook niet zijn, want ze had jaren voor de
thuiszorg in het verzorgingstehuis spreekuur gehouden en de mensen verzorgd en
ze had geen zin om door hen aangesproken te worden. Ze vond hen allemaal erg
lief, maar was blij dat ze hen niet meer behoefde te zien. Sommigen van hen
hadden haar vroeger zo geclaimd dat ze hen als het even kon zelfs trachtte te
ontlopen in het winkelcentrum. Zij is immers niet het type dat met de
boodschappentas naast zich een half uur lang de wereldgeschiedenis van onze
wijk gaat doornemen, zoals dit wel gedaan wordt door vele andere vrouwen hier.
Truus fronste verbaasd haar wenkbrauwen. Ook zij had namens
de thuiszorg in het verzorgingstehuis gewerkt, maar ze zag er juist naar uit om
door een van haar vroegere patiënten te worden aangesproken.
“Ik zou ze gelijk
vertellen waar het op staat. Ik bedoel, ik heb er altijd graag gewerkt, maar
wat een zeikerds waren die oudjes vaak. Vergis je niet in die grijze duiven met
hun mooie permanentje. Ze mogen er dan kwetsbaar uit zien, maar wat heb je er
een paar vreselijke galbakken tussen. Als een van die troela’s, die mij vroeger
als een soort sloofje behandelden, mij zou aanspreken zou ik haar de wind van
voren geven. Ik zou haar zeggen dat de slavernij al meer dan honderd jaar
geleden is afgeschaft. Dat ik blij ben dat ik er niet meer werk. Dat ze niet zo
moesten zeuren. Dat het meeste geld toch maar mooi bij de senioren zit en dat
ze geboft hebben dat ze terecht konden in een verzorgingstehuis en niet gelijk
werden opgenomen in een verpleegtehuis.
Dat ze, als ze nog geen alzheimer hadden, grote kans liepen
om dat alsnog te krijgen. Dat ze niet zo moesten vitten op hun kinderen die
nooit wat van zich lieten horen, want dat die daar vast wel een reden voor
hadden.”
Ik was verbaasd over de felheid waarmee Truus sprak. Maakte
ze nu een grapje of kwamen opeens al haar frustraties van jaren geleden naar
boven?
“Die Marja, je weet wel mijn leidinggevende destijds, die
kwam ik laatst tegen. Eerst wilde ik gewoon aan haar voorbij lopen, maar ze
sprak me aan en vroeg me poeslief hoe het met me ging. Ze was zeker vergeten
dat ze destijds het bloed onder mijn nagels vandaan haalde door me te
behandelen als een klein kind. Ik heb haar gevraagd of ze nog steeds haar
baantje had of dat ze er inmiddels op het hoofdkantoor waren achter gekomen dat
ze behalve een bruine tong en eelt op haar ellenbogen geen grammetje verstand
van leidinggeven in haar bovenkamer had. Ik zei haar dat ik vond dat ze destijds
door gebrek aan gewicht naar boven was komen drijven en dat ze met haar bemoeienissen
menig collega de ziektewet had in gewerkt. Je had haar moeten zien. Dat had ze
niet van me verwacht. Je denkt toch niet dat ik destijds alleen maar met
pensioen ben gegaan omdat ik het werk zat was? Haar was ik ook meer dan zat en
ik zag er tegen op om haar nog een paar jaar om me heen te hebben.
Nee, hoor. Ik ga gewoon naar de onthulling van dat
kunstwerk. Ja, ik vind er ook niets aan, maar ik heb wel zin om een paar van
die oudjes de stuipen op het lijf te jagen. Ze maken toch nooit wat mee. Hebben
ze tenminste iets om over te praten met elkaar. Ze mogen me wel dankbaar zijn.”
Verbouwereerd nam ik afscheid
van Truus, die beloofde om binnenkort weer eens bij ons lang te komen.
Ik moest nadenken over wat ze had gezegd. En over haar
ongewone felheid.
Ik herkende het wel. Net als in het onderwijs zouden sommige
managers en leidinggevenden in de zorg veel meer oog moeten hebben voor hun
personeel. Zij zijn vaak debet aan veel leed op de werkvloer en krijgen alle
ruimte om hun gezag te doen gelden naar eigen gebrek aan inzicht. Niet zo
vreemd dat ze soms van een ex-werknemer te horen krijgen dat ze zulke
leeghoofden en bemoeials zijn. Je oogst immers wat je zaait.
Gelukkig maar dat ik straks mijn flitsende carrière afsluit
met de herinnering aan een weliswaar chaotische maar menselijke leidinggevende.
Het was misschien wel lullig van Truus om zo over die oudjes
te praten, maar helemaal ongelijk kon ik haar ook niet geven. Ik herkende de
verhalen immers. Waarom zouden er onder oudere mensen minder zeurpieten zitten
dan onder hun jongere leeftijdgenoten?
Ik moest glimlachen om haar laatste woorden. “Ze mogen me
wel dankbaar zijn”. Uitgemaakt worden voor rotte vis en dan dankbaar zijn. Aan
de andere kant zou de anekdote waarschijnlijk een langer leven beschoren zijn
dan het gevoel van irritatie dat ze met haar woorden zou oproepen. En als je
daarmee je leven in de ogen van anderen wat interessanter maken kunt?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten