Het is zomer in Nederland. Gelukkig
duurt het mooie weer nooit lang, al is het niet zo dramatisch als in dit
gedichtje van Ivo de Wijs:
Kort
Tussen de lente en het najaar
Lag een dag met kalme wind
Met warme zon en blauwe
luchten
Dat was de zomer, lieve kind
Vergeet niet dat de
astronomische zomer nog beginnen moet. Zul je zien dat we, als het echt warm wordt
en deze warmte enkele weken aanhoudt, straks weer massaal mopperen dat het zo vreselijk
warm is. Misschien wordt er net als in de voorgaande jaren opnieuw een
hitterecord gebroken.
Natuurlijk is voor grote
groepen in de samenleving deze hitte niet zo fijn.
Denk aan ouderen, denk aan
mensen met longaandoeningen. Denk aan ouderen met longaandoeningen. Morgen zullen misschien daarom zelfs enkele
van onze landgenoten hun laatste adem uitblazen omdat de voorspelde warmte hen te
veel geworden is. Zij zullen de zomer missen. Denk aan hen als je morgen zit te klagen.
Ach, wat lijdt het mensdom
toch onder de gesel der seizoenen. Daar heb ik een gedichtje over geschreven. Een
mens moet wat…
Alsnog de pijp uit.
De kou duurt nu al weken
Haar ogen tranen, haar lippen
zijn blauw
Zelfs onder haar allerwarmste
deken
Ligt ze te rillen van de kou
Zou zij deze winter
overleven?
Zou zij het redden met dit
barre weer?
Of zou zij de pijp aan
Maarten geven?
Legt zij het bijltje er bij
neer?
Gelukkig is daar eindelijk
toch het voorjaar
En trekt de kou uit haar broze
botten
Eindelijk is het moment weer
daar
Om de plantjes te verpotten
Maar ook de lente gaat
voorbij en het wordt heter
Suf ligt ze te zweten onder
het schuine dak
Amechtig en bang kijkt ze op
de thermometer
Het leek of er binnen in haar
zo-even iets brak
Zo hebben ze haar tenslotte
gevonden
Volledig uitgedroogd,
gemummificeerd
Nakend in haar eigen warme stonde
Niets meer van over, weggeteerd
Zeker , het was al weer een
jaartje later
Wat sneu, zeiden de mensen
tegen elkaar
Het was de warmste zomer in
jaren
Juffrouw Jansen, pas zeventig
jaar