zondag 25 december 2011

Eenzaamheid en verbondenheid

De laatste tijd zie ik opvallend vaak hoe mensen voor anderen klaar staan. Een deur die open gehouden wordt, een kinderwagen die men helpt naar beneden te sjouwen omdat de lift defect is, een tas die bijna wordt vergeten in de tram, maar waarbij de eigenaar nog net op tijd gewaarschuwd wordt, iemand die aandachtig luistert naar het verhaal van een ander.
Het zijn mooie momenten van medemenselijkheid en ondanks mijn soms toch wel cynische kijk op het leven en op mensen in het bijzonder, mezelf beslist niet uitgezonderd, kan ik niet ontkennen dat het me raakt.
Nee, noem me nu niet sentimenteel. Ik weet dat het de donkere dagen zijn voor de kerst en ik weet ook dat de kerken straks weer vol zitten met mensen die er de rest van het jaar hun gezicht niet laten zien. Als atheïst ben ik geneigd om te zeggen: gelukkig maar.
Gekscherend zei ik vanavond nog dat zo’n nachtmis gezien wordt als een goedkope attractie, omdat men geen geld meer over heeft voor een theaterticket.
In werkelijkheid is het natuurlijk zo dat de meesten van ons in deze tijd graag onder de mensen zijn. Niet zozeer bij het doen van kerstinkopen, waarbij men zich vaak wezenloos voor zich uitstarend een weg baant door de massa om bij de kassa te komen, maar in ons eigen huis, bij vrienden of ergens in een goed restaurant of café. Gewoon omdat deze behoefte aan het delen van warmte en genegenheid, deze behoefte aan verbondenheid, een wezenlijke menselijke eigenschap is, die wij in onze harde samenleving soms alleen nog tegen komen bij acties op de tv voor een of ander goed doel.

Het gemis aan verbondenheid leidt tot eenzaamheid. Je komt dit tegen in alle lagen van de bevolking. En al heeft de een meer zichtbare redenen dan de ander om zich eenzaam te voelen en verwaarloosd, ook degenen van wie je het misschien niet zou verwachten kennen deze gevoelens.
Altijd als wij iemand missen die er misschien ook nooit meer zal zijn, maar zelfs ook als wij weten waar deze persoon uithangt en dat het goed met hem of haar gaat, speelt onze behoefte aan verbondenheid op. Wij willen dat die ander hier is, al is het maar voor even.
De moderne communicatiemiddelen nemen dit gevoel niet van ons af, maar versterken het.
Als we het mailtje versturen, het gesprek aan de telefoon beëindigen, stoppen met chatten en weet ik veel welke andere mogelijkheden er nog verder zijn om met elkaar te communiceren, valt er even een stilte in ons hart. Opeens beseffen we dat we die ander even tegen ons aan willen drukken, vast willen houden. Dat we behoefte hebben om, al was het maar voor korte tijd, bij die ander te zijn. En dat is mooi. Dat is prachtig. Want die ander is er natuurlijk altijd. Hij zat al in ons hart en zit daar nog steeds. Soms zijn we dat vergeten, maar het is in deze tijd dat we die ander missen dat we opnieuw weer helder zien wat die ander voor ons betekent of betekend heeft. Vooral de goede momenten komen weer terug in onze herinnering.
Onze eenzaamheid is een symptoom van onze behoefte aan verbondenheid. Een krachtig signaal dat wij mensen anderen nodig hebben om ons mens te kunnen voelen.
Dit is een tijd van koesteren en gekoesterd worden. Een tijd dat de warmte die ons verbindt de koude in ons hart voor een moment verdrijft. Aan iedereen die mij lief is een fijne kerst toegewenst.

vrijdag 23 december 2011

Het cadeau.

Woedend keek ze hem aan. Er sprongen vonken uit haar ogen.
Ik wil nu naar huis, riep ze. Haar hoge schreeuwstem klonk snerpend als een wagen die met gierende banden de bocht nam. Haar armen had ze stijf over elkaar geslagen. Ze maakte geen grapjes. Ze meende het.
Het gezicht van de kleine gedrongen man met de grijze leren jas en het kale hoofd liep rood aan. Ook hij was woedend.
Je hebt zelf gevraagd of je mee mocht. En nu wil je opeens naar huis? Wat is dat voor een onzin?
Zijn woorden maakten weinig indruk. Het meisje met de rode strikjes in haar vlechtjes en het fijn gevormde gezichtje, ouder dan tien jaar was ze beslist niet, gooide meer volume in haar stem. Ik wil naar huis, naar huis, naar huis, krijste ze.
De voorbijgangers liepen haastig voorbij met hun volle tassen en leken geen aandacht aan het stel te besteden. Ze waren teveel met zichzelf bezig. Nog anderhalve dag te gaan en er moest nog van alles worden gedaan. Sommigen van hen hadden de voorafgaande dagen nog gewerkt en moesten nu in allerijl op het laatste nippertje hun boodschappen doen. Gelukkig waren de kerstkaarten verstuurd en was de boom opgetuigd. Maar de wc en de badkamer moesten nog schoon worden gemaakt, de rommel in de huiskamer opgeruimd, het huis gestofzuigd en er moest natuurlijk een mooie volle bos bloemen op tafel, want dat stond zo gezellig.
Anderen waren al dagen aan het winkelen en bijna in een soort trance geraakt van vermoeidheid. Knettergek waren ze inmiddels geworden van de drukte. De rijen bij de kassa’s leken maar niet korter te worden, de kerstliedjes tolden door hun hoofd en nergens konden ze dat ene speciale cadeau vinden dat ze zo graag hadden willen kopen. Tot overmaat van ramp bleken de pinautomaten het weer eens niet te doen. En overal massa’s en massa’s mensen. Er was geen door komen aan.
Uit een loodgrijze lucht viel een zachte motregen. Vorig jaar om deze tijd sneeuwde het, wisten ze. Maar dat het nu minder koud was maakte hen er niet vrolijker op.
Dat stomme cadeau wil ik helemaal niet. Ze spuwde de woorden bijna in zijn gezicht.
Hij pakte haar bij de schouders en drukte zijn neus bijna in haar gezicht. Welk stom cadeau, waar heb je het over? Waar maak je je zo druk over?
Die stomme DVD. Die rot film. Ik had je gezegd dat ik die film niet wilde.
Die stomme DVD? Die is helemaal niet voor jou. Als je zo blijft brullen krijg je helemaal niks.
Ik hoef helemaal niks. Ik wil naar huis.
Je weet helemaal niet wat ik voor je gekocht heb. Je weet helemaal niet wat ik in de kelder heb staan.
Nu had hij haar aandacht. In de kelder? Hij had het cadeau in de kelder gezet. Maar waarom in de kelder? Was het dan zo groot dat het niet onder de boom kon?
Wat heb je in de kelder staan? vroeg ze opeens met zachte stem.
Dat zou jij wel willen weten, hè? Hij grijnsde bijna boosaardig. Luister. Je gaat nu met me mee. Je houdt op met schreeuwen. Ik wil het niet meer horen. Straks gaan we wat eten bij Mc Donalds en daarna breng ik je bij je moeder. Ik beloof je dat als zij je op tweede kerstdag bij mij brengt dat je een heel mooi cadeau krijgt. De film is voor je broertje. Die wou hem wèl graag hebben. Maar je mag hem niks zeggen. Beloof je dat?
Ze zweeg. Haar woede was gezakt. Toen de man een hand uit stak pakte ze hem vast. Samen liepen ze vanonder de overkapping de regen in. Toen ze langs me kwamen gaf de man me een vette knipoog.
Fijne feestdagen, riep ik hen beiden lachend na.

woensdag 21 december 2011

Ik wil geen neukbeer maar troetelbeer voor kerstmis.

Wat nu volgt is een stukje dat ik zo'n twee jaar geleden schreef voor mijn blogje "De bovenkamer".
Tegen mijn eigen verwachting in ben ik op dit moment hondsmoe. En heb daarom even geen puf om wat aan mijn blog te doen. Vandaar deze herhaling. Na morgen heb ik gelukkig twee weken vrij. En is er tijd om weer eens een heleboel leuke dingen te doen. Zoals schrijven aan dit blog.

De column van Wim de Jong uit de VK van 12 december 2009 vraagt toch wel om een reactie. Wim meent dat het hoog tijd wordt dat de Neukbeermonologen worden geschreven. Ik weet niet of hij deze taak zelf op zich gaat nemen of dat hij hoopt met zijn column anderen op ideeën te brengen. Ik citeer “Als je vanaf 2010 een beetje wil meetellen als interessante vent, dan bereid je een coming-out in de media voor als retroseksuele, geile neukbeer, met liefst ook een enigszins scabreuze voorkeur voor het damestype waar je ‘m graag en veel instopt.” Graag zou Wim het boegbeeld zijn van een nieuwe beweging, waarin de neukberen zich eventueel zouden kunnen verenigen. Een beweging bestaat immers uit een groep mensen die een fundamentele verandering nastreven.
Het moet afgelopen zijn met dat stiekeme en dubbelzinnige gedoe. Voortaan niet meer zigzaggend op je doel af koersen maar recht zo die gaat. Stoppen met smoesjes tegen je vriendin over partners die het niet leuk vinden als je al weer belt om te zeggen dat je moet overwerken. Gewoon bellen en zeggen Schat, ik moet nu even de koffiejuffrouw neuken. Het wordt een kwartiertje later vanavond.
Ik stel mij voor dat de beweging bestaat uit mannen die de wereld tot in detail vertellen over de vele keren dat zij hun bolide bij een ander in de garage parkeerden en daarbij naam en toenaam noemen. Het succesverhaal van Kluun wordt door Wim hierbij als voorbeeld opgevoerd.
Elke man is automatisch lid, tenzij hij heeft aangegeven gestemd te hebben op Jan Peter Balkenende als politicus van het jaar.
Ik ken Wim de Jong niet (Ik ben hem nog nooit tegen gekomen bij de hoeren) en weet niet helemaal zeker of hij achter zijn woorden staat. Want behalve dat hij een zekere sympathie lijkt te koesteren voor de vreemdganger, staat hij ook niet onwelgevallig tegenover de feeder.
Zoals bekend is dit iemand die zijn partner uit geilheid vet mest. Je kent vast wel die mooie plaatjes van vrouwen en mannen die alleen nog maar met behulp van een takelwagen een straatje om kunnen gaan en daarom maar in hun eigen vetrollen weggezonken op een enorm bed met droevige ogen zichzelf een kersenbonbonnetje van een zilveren schaaltje offreren, zoals de foto’s ons doen geloven.
Wim koketteert een beetje met het maatschappelijke succes van de geile man, die klinkende munt wil slaan uit de vele escapades, al dan niet in zijn fantasie, waarop hij zich beroept.
Ja Wim, wij mannen zijn neukberen. De troetelbeer heeft afgedaan.
Wij willen echte koffie en echte seks. Niet meer dat surrogaat waarmee wij het vaak moeten stellen. Wij willen de taart en niet de kruimels.
Tussen de verhalenverteller die vroeger van plaats naar plaats trok en zijn publiek wist te boeien met de laatste nieuwtjes en roddels uit de grote stad en de moderne media die om het hardst schreeuwen om onze aandacht te trekken, heeft zich een revolutie voltrokken.
Wat vroeger onder een steen verborgen bleef omdat het daar volgens de goedgemeente thuis hoorde, wordt er nu onder vandaan gehaald en door iedereen die meent een ontdekking te hebben gedaan, aan het daglicht bloot gesteld.
Hé, mannen gaan vreemd. Hé, vrouwen ook. En ze schamen zich er niet eens voor. Ze schrijven er openhartig over en verdienen daar een goed belegde boterham mee. Het zijn onze nieuwe helden. Vreemdgangers over de hele wereld: verenigt u. Bevrijd u van de boeien die u kluisteren. Een nieuwe tijd breekt aan. Paradise at last. De beweging van Wim zal deze wereld op zijn grondvesten doen schudden.

Nawoord 21 december 2011: We hebben nooit meer wat van Wim en zijn neukbeerbeweging gehoord. Jammer eigenlijk.

zondag 18 december 2011

Eet smakelijk.

Hoewel ouder worden, dat een onvermijdelijk neveneffect is van blijven adem halen, vaak met vervelende defecten van het lichaam gepaard gaat, is het zeker niet allemaal komkommer en kwelgeest wat de pot schaft. Althans, dat vind ik.
Er staan nog steeds leuke maaltijden op het menu. De dagschotel is daar een duidelijk voorbeeld van.
Altijd een verrassing en meestal een ratjetoe van de restjes die er gisteren over bleven, maar zeker niet onsmakelijk en soms zelfs beter van smaak dan wat er toen op het menu stond.
Laat u zich niet misleiden door de wartaal die hier staat, want achter elk woord staat er nog een, behalve dan aan het end, want dan komt er niets meer. De laatste maaltijd is genuttigd, het heeft ons goed of minder goed gesmaakt, de rekening komt en wij moeten het veld ruimen voor nieuwe gasten.

De grote Chef-kok houdt van variatie en zet ons steeds een ander bordje voor. Soms is het niet te vreten, maar leeg eten zullen we het. Er is tenslotte niet voor niets gekookt. Gelukkig kunnen we vaak zelf kiezen, maar ieder natuurlijk naar zijn eigen portemonnee. Als je pech hebt krijg je een leeg bord.
Het leven kent vele gangen en niet alleen voorgerechten. Al denken wij daar in onze jeugd mogelijk anders over.
De hoofdmaaltijden zijn het moeilijkst te verteren, maar je kunt er ook langer van genieten. Tenzij er niets te genieten valt en dat komt ook voor. De Kok heeft immers niet altijd zijn dag.
Natuurlijk gaat het niet alleen om wat de pot ons schaft. Onze eigen trek bepaalt of wij sowieso al waarderen wat ons wordt voorgeschoteld. Daarnaast moet je sommige gerechten ook leren eten en dat vraagt geduld.
Het alleen maar eten van goedkoop en drekkig snackvoedsel heeft de smaakpapillen van velen helaas afgestompt. Zij waarderen de kroket en andere snelle hap, maar halen hun neus op voor het betere voedsel dat er ook op de kaart staat. Steeds weer opnieuw stouwen zij zich vol, overvreten zich en kennen geen maat. Een copieuze maaltijd slaan zij in één keer achterover en spoelen het weg met donker bier.
Zelf lust ik gelukkig zowel kroketten (bij voorkeur de kwekkeboom) als oesters (bij voorkeur die uit Belon), drink ik graag een glaasje water, maar van een champie ben ik ook niet afkerig, al drink ik dit maar een paar keer per jaar. Bijvoorbeeld als mijn partner een paar dagen weg is, op Buitenkunst in Drenthe als dit zo uitkomt en met de jaarwisseling. Eén van mijn goed voornemens is om volgend jaar wat vaker zo’n fles met bubbels open te trekken. Lekker snobjes. Of vulgair. Kiest u maar.

De charme van het ouder worden is de wetenschap dat straks het laatste menu uit je handen wordt gerukt en men nog één keer met de dessertkaart komt. Want aan het eind van elke goede maaltijd vind ik dat er een dessert hoort. En zoals ik al zei, hierna komt de rekening.
Tot nu toe heb ik niet over de Chef-kok te klagen gehad. De man verstaat zijn vak. De laatste tijd zijn de maaltijden die ik te verstouwen krijgt wel wat te groot naar mijn smaak. Met de jaren neemt de honger af en de trek immers toe. Als ik soms mijn ogen sluit en mij al dat lekkers voor de geest roep loopt het water in mijn mond. Maar als mijn maag te vol is heb ik weinig trek.
Naast het vaker drinken van champagne in crisistijd neem ik mij daarom voor om wat minder te eten en om de Kok te vragen mijn maaltijden minder groot te maken. Het gaat tenslotte om kwaliteit en niet om kwantiteit in dit leven, al heb ik daar beslist wel eens anders over gedacht.
Wat hij niet op mijn bord doet kan hij dan misschien op het bord van een ander doen.
Eerlijk gezegd zijn mijn smaakpapillen ook niet meer wat ze zijn geweest. Te vaak heb ik zitten schrokken zonder te proeven wat het was. Maar daar komt verandering in. Dat beloof ik.
Aan het eind, voordat de rekening komt, wil ik de Chef bedanken en zal ik hem zeggen dat ik iedereen dit restaurant kan aanbevelen. In mijn geval is een compliment wel op zijn plaats.
Nu maar hopen dat de andere gasten het restaurant niet in de fik zullen steken, want niet iedereen is zo tevreden als ik.

zaterdag 17 december 2011

Nogmaals de kerstboom.

Gelukkig is er tenminste één in huis die het leuk vindt om de kerstboom op te tuigen.
Nee, dat ben ik niet. Dat mag je van mij niet verwachten. Ik denk wel vaak aan God als ik het ding van de vliering haal en weer eens mijn knie of hoofd stoot wanneer ik tussen de tenten en koffers een doos met ballen of andere kerstversiering vandaan vis. Maar dan op de wijze waar de bond tegen het vloeken zo fel tegen gekant is.
Ik zet de boom ook nog in elkaar en maak meestal een beginnetje met het bevestigen van de lampjes. Als ik dan bemerk dat Paula jeukende vingers krijgt omdat ik dat toch weer net even anders doe dan zij graag ziet, ruim ik zonder morren het veld, zodat zij zich verder op het groene plastic monster kan uitleven. Teamwork heet zoiets.
Dit jaar wilde ik haar ontzien. Nog geen week geleden heeft ze immers met haar fiets een doodssmak gemaakt en ze zit nog steeds onder de blauwe plekken. Maar het is een taaie, zoals de meeste vrouwen. En omdat ik zag dat ze bijna begon te kwijlen toen ik licht morrend en met een donkere blik begonnen was aan het karwei waar zo menig huisgezin de gezelligheid mee in huis tracht te halen, bedacht ik mij geen ogenblik en maakte plaats voor haar. Zo’n bal maakt het niet uit wie hem ophangt.


Denk nou niet gelijk dat ik de gezelligheid in huis niet waardeer. Met veel plezier kan ik naar de boom kijken, die goed tot zijn recht komt in onze ruime huiskamer, zoals je op bijgevoegde foto zien kunt. Het heeft wel iets genoeglijks. Als het echter na zo’n week of drie tijd is om alles weer op te ruimen is dat zonder spijt en besef ik des te beter dat we de feestdagen weer achter de rug hebben.

Het had allemaal erger gekund. Heel de Kerst had erger gekund. Nee, ik denk nu niet aan die arme daklozen die straks weer bij het leger des Heils uit de ruif van de barmhartigheid mogen vreten, terwijl een fotograaf dit gebeuren vereeuwigt zodat heel Nederland de volgende dag kan zien dat wij een gastvrij volkje zijn. Of die sloebers te beklagen zijn vind ik moeilijk te beoordelen. Als ik nu een dakloze was geweest zou ik naar het zuiden getrokken zijn, samen met de trekvogels.
En ik heb recht van spreken want ik was weliswaar pas twintig en recht van lijf en leden toen ik als dakloze naar Israël vertrok, maar ik zie zoiets niet als een zaak van leeftijd maar van mentaliteit. Al moet je natuurlijk niet al te krakkemikkig zijn.
Als ik denk aan een vreselijke Kerst dan zie ik een groot huis voor me met een boom van drie meter hoog. Iedereen in zijn netste kleren, opgefokt glimlachend naar elkaar en een vrome smoel trekkend boven de kribbe in de hoek, die zo liefdevol door de kinderen in elkaar is gezet.
Ik denk aan een grote vette kalkoen, kerstliedjes uit de speakers, het zalvende gekwezel voordat de dode vogel wordt aangesneden en straks als verrassing met z’n allen kijken naar een mooie kerstfilm op het megascherm, met de happers en snappers in bakjes op tafel. Aan zelfgenoegzaam gevoerde conversatie waarin we ons gelukkig prijzen dat wij het zoveel beter hebben dan al die arme stakkers die het niet zo goed maatschappelijk hebben gemaakt. Kortom een kerstfeest uit de modebladen. Yughh. Wat zielig.
Paula gaat met de Kerst weer eens een maaltijd uitproberen. Zoals ik al eerder liet weten moeten we afwachten wat het worden gaat en of het smaken zal. Ik heb er vertrouwen in. Het lijkt me heel leuk als straks de kinderen met hun aanhang en mijn kleinkind op eerste kerstdag langs komen. Het zijn allemaal heel fijne mensen. Lekker ongedwongen en vooral geen kapsones. En net als vorige jaar zal het waarschijnlijk heel gezellig zijn. Voorlopig heeft de crisis nog niet bij ons op de deur geklopt.

dinsdag 13 december 2011

Kerstboom

Je zult het niet geloven maar we hebben een kunstboom aangeschaft.
Een kunstboom? Meid, meen je dat nou?
Ja, Kees zei dat hij geen zin meer had in al die naalden. Hij werd er gek van.
Meid. Ik kan het niet geloven. Je zei dat je altijd tegen een kunstboom was.
Was ik ook. Maar nu hij er staat vind ik hem hartstikke mooi.
Dat is toch ongezellig, zo’n kunstboom.
Welnee. Hij lijkt wel echt. Je moet er bovenop staan en dan nog kun je het verschil niet zien.
Maar zo’n plastic boom leeft toch niet. Die kun je toch niet ruiken? Die naalden horen er gewoon bij.
Kees had er geen zin meer in. En zelf ga ik zo’n boom niet kopen. Weet je wel hoe duur die zijn, die echte bomen?
Natuurlijk weet ik dat. Maar je koopt hem toch maar één keer per jaar. En zo’n kunstboom is veel duurder. Hoeveel heb je er eigenlijk voor betaald?
Honderdvijftig euro.
Honderdvijftig euro? Wat een geld. Dan zaten de ballen er zeker al in?
Zo’n boom gaat jaren mee. Die heb je er zo weer uit. En het is goed voor het milieu.
Goed voor het milieu? Zo’n plastic boom. Meid, ga toch weg.
Ja echt. Dat zei die man ook. Het is goed voor het milieu. Niet meteen, maar als je hem een paar jaar hebt. Zes jaar zei hij. En zo’n boom gaat veel langer mee.
Goed voor het milieu… Sinds wanneer geef jij om het milieu?
En je hebt hem zo opgetuigd. Kees is er een half uur mee bezig geweest. Vorig jaar was je eerst twee uur kwijt met het kopen van zo’n ding. Dan moest Kees hem altijd bij zagen anders kon je er geen piek op zetten. Weet je nog dat die bak waarin hij stond is gaan lekken? Dat heb ik je toen verteld.
Ja, maar wat geeft dat nou meid. Even een dweiltje er over en het is weer schoon.
Ja, maar nu heb ik andere vloerbedekking. Als hij nou zou gaan lekken dan wordt het een zooitje.
Dat is wel zo. Maar ik vind het toch vreemd. Vorig jaar zei je nog dat zo’n boom best wel gezellig was. Wat vinden de kinderen er van?
Oh, die? Die hebben niets te vinden. Die hebben hun eigen huishouden. Dit jaar komen ze weer niet.
Ach…is Ria, zo heet je dochter toch? Is Ria nog steeds boos?
Ze zegt van niet. Ze gaan samen weer naar de wintersport. Henk zegt dat hij het skiën niet kan missen.
Dus Kees en jij zijn dan alleen thuis met z’n tweeën? Gôh, wat sneu. Weet je, dan komen jij en Kees lekker bij ons. Wij hebben nog een echte boom.

dinsdag 6 december 2011

Lekker eten.

Sommige mensen hebben ongekend veel geluk. Ik dus. Want Paula heeft er naast het naaien, wat zij zeker niet onverdienstelijk doet, sinds kort een nieuwe hobby bij: koken.
Denk nu niet dat ze dat vroeger nooit deed. Toegegeven, een keukenprinses is het nooit geweest al kon ze af en toe heel leuk uit de hoek komen.
Ik denk dan vooral aan haar soepen en bouillonnetjes. Haar welgevulde kippensoep bijvoorbeeld. Gemaakt van twee stevige dijen van een scharrelkip. En haar runderbouillon, die met wat verse groente werd omgetoverd in een verrukkelijke en stevige groentesoep.
Andere gerechten waarmee zij mij een tongstrelende sensatie bezorgde willen me nu even niet te binnen schieten. Dat zal je nu altijd zien als je op zoek bent naar sprekende voorbeelden.
En ik besef dat ik met mijn verhaal over in partjes gesneden jonge spruitjes uit de wok niemand echt overtuig.
Tegenwoordig is het echter bijna elke dag raak en soms met verrassende resultaten.
Vanavond was bijna driekwart van wat ze op tafel had gezet bijzonder lekker. Zeker, de salade was volkomen mislukt. Na twee happen heb ik er dan ook voor bedankt. Eerst dacht ik nog dat ik mij vergiste. Zoiets smerig kon het toch niet zijn? Wat een gore troep was dat.
De ranzige olie die ze gebruikt had was in alle fijne ingrediënten doorgedrongen en even kreeg ik visioenen van een tijd dat men nog alles at, zonder eigenlijk te weten of het eetbaar was. Een tijd waarin een gemiddelde aardbewoner niet ouder werd dan veertig jaar. Stomweg omdat hij het loodje legde na het eten van zijn laatste maaltijd, dat dan teven zijn galgenmaal geworden was.
Nee, al zou ze de hele dag in de keuken hebben gestaan en het smaakt me niet dan zal ik dat zeggen.
Ik schuif dan met een vies gezicht mijn bord naar voren en zeg: Getverdegetver, wat is dat smerig.
Ik zou mezelf geen lastige eter willen noemen. Maar als ik het vies vind eet ik het niet op.
Ook al hebben de arme kindertjes in Afrika nog zo’n honger.
Heeft zij echter lekker gekookt dan zal ik haar de hemel in prijzen. En zij weet dat ik mijn complimenten dan ook echt meen.

Elke man waardeert het dat, als hij na een dag hard werken thuis komt, er iemand in de keuken staat en zijn neus wordt geprikkeld met de geur van vers gekookt eten.
In mijn geval was mijn neus al verwend tijdens het kleine stukje lopen van de tramhalte naar huis, want het leek of iedereen in de keuken stond. Wat best wel eens zou kunnen want het was tegen etenstijd.
Toen ik thuis kwam stonden er zowaar twee vrouwen te koken. Hier zal ik niet verder over uitweiden.
Mij werd gevraagd om nog maar even naar boven te gaan, want aan een pottenkijker bestond geen behoefte. Dus pakte ik een Duveltje en trok me discreet terug.
Zo’n half uur later kon ik aanschuiven. Ik schonk de dames en mezelf een glas rode wijn in, al voelde ik mij reeds een beetje licht in het hoofd van dat ene Duveltje.
De wijn, een fruitige Mâcon uit 2009, viel gelukkig goed. Ik denk dat ik straks nog maar een glaasje in schenk.

Ja, nu kan ik uitgebreid gaan vertellen wat ik allemaal gegeten heb. Maar wie is daar nu in geïnteresseerd? Ik beperk me daarom tot de overheerlijke borsjt, waarvan ik hier de ingrediënten op zal noemen:
- Bieten
- Wortel
- Ui
- Knoflook
- Kruidenboeket
- Groentebouillon
- Citroensap
- Zout en peper
- Zure room

Vraag me niet om hoeveelheden of het allemaal moet worden klaar gemaakt. Van ons kokkie heb ik inmiddels begrepen dat ze dat zelf ook niet meer weet. Letterlijk zei ze “Ik doe maar wat.”
Lekkerder dan vandaag zal ze het zeker niet kunnen maken. Ja, ik ben een bofkont met zo'n kokkie. Al blijft het altijd spannend wat er op tafel wordt gezet.

zaterdag 3 december 2011

Geloof

In de ogen van religieuze mensen ben ik net zo betrouwbaar als een verkrachter.
Dat blijkt uit een studie in Canada, waar aan 770 religieuze Amerikanen en Canadezen om beschrijvingen gevraagd werd van onbetrouwbare personen.
Atheïsten, waarvan er op aarde van de 7 miljard slechts zo’n 500 miljoen zouden zijn, scoorden volgens onderzoeker Ara Norenzayan behoorlijk hoog op onbetrouwbaarheid.
Na het lezen van dit toch wel schokkende nieuws is mijn hele avond verpest.
Ik geef toe dat ik mij in mijn gedrag niet door Gods woord leiden laat. Dat ik niet het geloof maar mijn verstand gebruik om in het doolhof dat leven heet met wisselend resultaat mijn weg te zoeken. Ik wil toegeven dat dit verstand altijd minder onfeilbaar is dan het geloof, want je kunt immers in alles geloven. Dit in tegenstelling tot het weten, want je kunt niet alles weten en wat je denkt te weten kan ook nog eens onjuist blijken te zijn. Maar geloof kent geen grenzen en dat zou een verklaring kunnen zijn dat er zoveel meer gelovigen zijn dat niet-gelovigen.
Ik zal niet ontkennen dat ik mij zelf tot dwaallicht ben in de schemering en duisternis. Dat ik het risico neem dat ik straks voor eeuwig en nog veel langer zal branden boven een laag vuurtje tot ik lekker knapperig ben, waarna ik een nieuwe huid krijg en de barbecue opnieuw begint. En na dit grapje zullen er nog wel een paar jaren bij komen of wordt het vuurtje wat hoger opgestookt.
Ik wil nog veel meer toegeven als mij daarom vraagt. Vraag daarom maar niets. Ik ben al te openhartig geweest.
Zouden de gelovigen, als men door had gevraagd, ook nog iets aardigs over de atheïsten hebben gezegd?
Voor mijn gelovige medemens, die zijn kracht ontleent aan een handboek voor pech onderweg waarin staat hoe men moet leven, opdat men aan het eind hiervan zijn niet geringe beloning op kan strijken, bestaat er geen twijfel dat wat zij geloven juist is. En mocht de pech onderweg zo dramatisch zijn dat er desondanks toch twijfel ontstaat, dan biedt het zelfde handboek troost. En een duidelijke en eenvoudige weg uit de ellende: Geloof.
Maar ik als atheïst, die vaak twijfelt en het soms ook niet meer weet (Deze aarde gaat immers naar de kloten, we maken er met z’n allen een potje van en vullen de dagen van ons leven met trivialiteiten terwijl we weten dat de afgrond steeds dichter bij komt) waar kan ìk troost vinden?
Wat heb ik anders dan slechts mijn krakkemikkige botten, bekleed met wat schamel vlees en het vooruitzicht dat de aarde straks mij terug eist?
Geloof ik dan helemaal niet? Het kan toch niet zo zijn dat ik helemaal nergens in geloof? Is er dan slechts duisternis in mijn hart? Sta ik hierin helemaal eenzaam en alleen?
Bij nader inzien valt het gelukkig wel mee. 500 miljoen atheïsten. Menig religieuze beweging mocht willen dat zij zoveel gelovigen had. Ik sta niet alleen. Er is gelukkig hoop. Oh ja, en geloof en liefde.

Sam en Moos hadden het tijdens hun leven vaak met elkaar over de hemel. Ze beloofden elkaar dat degene die het eerste dood zou gaan met de ander contact op zou nemen om hem te vertellen hoe de hemel was.
Moos stierf als eerste. Een jaar later kreeg Sam een telefoontje. Het was Moos. Sam vroeg opgewonden hoe het daar was.
“Geweldig”, antwoorde Moos. “Je zou het bijna niet geloven. We beginnen de dag met uitslapen, hebben een verrukkelijk ontbijt van de lekkerste groente die je je maar kunt voorstellen, en de rest van de ochtend bedrijven we de liefde. Dan is er ’s middags een heerlijke lunch, waarna we opnieuw de liefde bedrijven. ’s Avonds is er weer een erg lekkere maaltijd en daarna bedrijven we opnieuw de liefde totdat we moe zijn en gaan slapen.”
Sam is laaiend enthousiast. “Prachtig”, roept hij. “De hemel lijkt me een fantastische plek.”
“De hemel?” zegt Moos. “Ik ben een konijn op de Veluwe.”