zondag 30 oktober 2011

Gurdjieff

Snuffelend tussen de bestanden op mijn harde schijf kom ik af en toe teksten tegen die voor mij heel inspirerend zijn. Ik maak me er vandaag makkelijk van af door zo'n tekst op te nemen in mijn weblog.
Gisteren is het zoals verwacht weer laat geworden. Gelukkig is de wintertijd ingevoerd en duurt vandaag 25 uur. Dat ene extra uurtje heb ik wel nodig om van mijn indolentie af te komen.
Vandaag ga ik niet de deur meer uit.



In order to do it is necessary to be. (Gurdjieff)

A very important moment in the work on oneself
is when a man begins to distinguish his personality and his essence.
A man’s real I, his individuality, can grow only from his essence.
It can be said that a man’s individuality is his essence, grown up, mature.
But in order to enable essence to grow up,
it is first of all necessary to weaken the constant pressure of personality upon it,
because the obstacles to the growth of essence are contained in personality.

Certain teachings compare man to a house of four rooms.
Man lives in one room, the smallest and poorest of all, and until he is told of it,
he does not suspect the existence of the other rooms which are full of treasures.
When he does learn of this he begins to seek the keys to these rooms and especially the fourth, the most important, room. And when a man has found his way into this room he really becomes the master of his house, for only then does the house belong to him wholly and forever.

The crowd neither wants nor seeks knowledge, and the leaders of the crowd, in their own interests, try to strengthen its fear and dislike of everything new and unknown. The slavery in which mankind lives is based upon this fear.

There is no compulsory, mechanical evolution.
Evolution is the result of conscious struggle.
The evolution of man is the evolution of his consciousness, and ‘consciousness’ cannot evolve unconsciously. The evolution of man is the evolution of his will, and ‘will’ cannot evolve involuntarily. The evolution of man is the evolution of his power of doing, and ‘doing’ cannot be the result of things which ‘happen’.

‘Progress’ and ‘Civilization’, in the real meaning of these words, can appear only as a result of conscious efforts. They cannot appear as the result of unconscious mechanical actions.

Of the desires expressed the one which is most right
is the desire to be ‘master of oneself’, because without this nothing else is possible.
Everything is dependent on everything else, everything is connected, nothing is separate. Therefore everything is going in the only way it can go.
If people were different everything would be different.
They are what they are, so everything is as it is.

The evolution of man can be taken as the development in him of those powers and possibilities which never develop by themselves, that is, mechanically.
Only this kind of development, only this kind of growth, marks the real evolution of man.
There is, and there can be, no other kind of evolution whatever.

One thing alone is certain, that man’s slavery grows and increases.
Man is becoming a willing slave.
He no longer needs chains.
He begins to grow fond of his slavery, to be proud of it.
And this is the most terrible thing that can happen to a man.

Imagine that we are sitting here talking of religions and that the maid Masha hears
our conversation. She, of course, understands it in her own way and she repeats
what she has understood to the porter Ivan. The porter Ivan again understands it in
his own way and he repeats what he has understood to the coachman Peter next
door. The coachman Peter goes to the country and recounts in the village what the
gentry talk about in town. Do you think that what he recounts will at all resemble
what we said? This is precisely the relation between existing religions and that which
was their basis. You get teachings, traditions, prayers, rites, not at fifth but at
twenty-fifth hand, and, of course, almost everything has been distorted beyond
recognition and everything essential forgotten long ago.

vrijdag 28 oktober 2011

Mauro

Er was er eens een kleine jongen van tien jaar, die door zijn ouders naar Nederland werd gestuurd omdat het levensgevaarlijk was in hun eigen land en zij een veilige toekomst voor hun kind voor ogen hadden.
Hun kind mocht voorlopig in Nederland blijven, maar een rare PVDA-man, met een veel voorkomende Joodse achternaam, had er voor gezorgd dat er een wetje kwam waarin stond dat de jongen, net als alle andere jongetjes en meisjes die hier zonder ouders waren aangekomen, weer terug naar zijn land zou moeten als hij 18 was.
En de jongen groeide op in de Nederlandse samenleving en werd een echte Nederlander. Hij was nu acht jaar in Nederland en de grote dag was bijna aangebroken. Hij zou op kosten van Nederland een enkele reis Angola krijgen. Wat was deze jongen blij. Hij kon niet wachten om afscheid te nemen van het gezin waarin hij zo liefdevol was groot gebracht. Ook zij juichten zijn komende vertrek toe.
Wat hij allemaal geleerd had op school zou hij vast goed kunnen gebruiken als hij weer in Angola zou zijn. Ook zou hij zijn vrienden Nederlands kunnen leren, want zoals iedereen wel weet is Nederlands een wereldtaal die iedereen graag beheerst. Maar terwijl onze Mauro, want zo heette de knul, vol verwachting alvast zijn koffers aan het pakken was, stak er een politieke partij een stokje voor zijn vertrek. Want zij hadden last van hun, je raadt het nooit, ik zal het hier met hoofdletters spellen, hun G E W E T E N. En die politieke partij was het CDA en de minister van emigratie (of was het immigratie?) en Asiel, Gerd Leers, was een echte CDA’er. Een man die als burgemeester van Maastricht voortijdig moest aftreden omdat, toen er problemen ontstonden over de privé- aanschaf van een vakantievilla in Bulgarije, hij zijn functie als burgemeester gebruikte om zijn recht te halen, terwijl de gemeente Maastricht hier niets van wist. En deze Gerd wilde toch zo graag dat Mauro hier zou blijven. Dan kon iedereen zien dat het Nederlandse immigratiebeleid zo slecht nog niet was. Maar iedereen raakte wel een beetje in de war van zijn gedraai toen hij, zoals hij wel eerder gedaan had, van mening veranderde. Aan de bijzettafel van de regering van dat land zat namelijk een grote briesende blonde fee, die dreigde een vloek over Gerd en de zijnen uit te spreken als Mauro een verblijfsvergunning zou krijgen. Zelfs zijn partijgenoten wisten niet meer wat er van hen werd verwacht.

Terzijde: iedereen weet dat er niets leukers is dan het zien van de worsteling die het CDA voert met zijn geweten, al is het nooit een spannend gevecht. Natuurlijk delft het geweten het onderspit, maar dat komt omdat veel CDA’ers sterker zijn dan hun zwak ontwikkelde geweten. Voor sommigen is het zelfs verwoorden tot een rudimentair aanhangsel dat hen alleen maar zo af en toe een vervelende jeuk bezorgt. CDA’ers hebben deze strijd vaker gestreden. Altijd met de bijbel in hun hand en hun geweten aan de kant. Dat er mensen zijn als Ad Koppejan en Kathleen Ferrier die hun Bijbelse uitgangspunten trouw gebleven zijn is mooi, want anders zou er helemaal van een gevecht geen sprake zijn. Maar wel jammer dat ze straks elke geloofwaardigheid verliezen als ze op de valreep alsnog bakzeil halen en het besluit ondersteunen waarin staat dat Mauro Manuel terug moet naar Angola. Want zo is de wet nu eenmaal. En CDA’ers houden zich altijd aan de wet en die bijbel is de lijmpot die de christenen bindt. De bladzijden plakken er van aan elkaar, de handen zijn er smerig van, maar welke christen leest tegenwoordig nog de bijbel? Dan zijn er tegenwoordig wel leukere boeken. En dat geinige weblog natuurlijk van “Dutchy”. Rare naam trouwens. Zou die jongen wel een verblijfsvergunning hebben? Einde terzijde.

Gerd zei dat hij alle mogelijkheden had bekeken maar dat hij geen mogelijkheden zag om Mauro hier te houden. Hij moest de jongen die zo graag terug wilde naar Angola laten gaan.
Gerd had echter de Volkskrant niet gelezen. Hier volgt een stukje uit het artikel dat daar in stond.

Hoogleraren recht: Leers kan Mauro wel degelijk verblijfsvergunning verlenen

Minister Gerd Leers kan de Angolese asielzoeker Mauro wel degelijk een verblijfsvergunning verlenen. Daar zijn namelijke goede juridische argumenten voor op te voeren. Dat stelt een groep van twaalf rechtshoogleraren morgen in een opiniestuk in de Volkskrant.

Leers zei eerder deze week alle mogelijkheden te hebben onderzocht om Mauro alsnog in Nederland te kunnen houden, maar er geen één gevonden te hebben. Volgens de hoogleraren heeft de minister echter een grote mate van vrijheid om zijn discretionaire bevoegdheid te gebruiken.

Redelijkheid
Daarvoor 'kunnen goede en juridisch houdbare argumenten worden aangevoerd', zo staat in het opiniestuk. Immers, de Raad van State oordeelde dan wel dat de minister 'in redelijkheid' heeft mogen oordelen dat Mauro geen verblijfsvergunning hoefde te worden verstrekt op grond van zijn gezinsbanden, maar dat geldt evengoed andersom.

Mauro vormt namelijk een gezin met zijn pleegouders en pleegbroer. 'Dit gezinsleven verdient bescherming op grond van onder meer artikel 8 van het Europese mensenrechtenverdrag.'

En dus, zo schrijven de hoogleraren: 'de rechter zou ongetwijfeld ook vinden dat de minister vanwege het gezinsleven in redelijkheid wél een vergunning aan Mauro kan geven'.


Uiteindelijk werd besloten om Mauro niet tegen te houden. Als hij zo graag terug wilde naar Angola, dan moest hij maar gaan. De ondankbare hond.
En zo geschiedde het dat in de donkere dagen vlak voor Kerst een groot vliegtuig van Schiphol opsteeg en richting Angola koerste met aan boord Mauro, de bijna echte Nederlander. In Angola zaten ze met open armen op hem te wachten. En Mauro leefde nog lang en gelukkig. En Gerd natuurlijk ook.

woensdag 26 oktober 2011

Schlemiel.

Herfst. Ik word er een beetje melancholisch van. Om onduidelijke reden komen er gedachten in mij op waarin ik de schlemiel, die in een ieder van ons verborgen zit, in mezelf herken.
Zoals je weet is een schlemiel een ‘pechvogel’. Maar wel een, die zijn pech aan zichzelf te wijten heeft.
Ik zal twintig geweest zijn. We zaten achter een biertje gezellig te bomen over sciencefiction toen Andrew voorstelde om met elkaar een ruilbeurs te organiseren. Als we nu eens volgende week de sciencefictionboeken die we gelezen hadden bij elkaar zouden leggen, dan kon iedereen de boeken die hij zelf wilde lezen mee nemen. Voor niets.
Een win-winsituatie, zo hield hij ons voor. Zo kwam je van je overbodige boeken af en kreeg je er andere gratis voor terug. Het klonk te mooi om waar te zijn, maar we lieten ons overtuigen door zijn enthousiasme. Aan boeken komen zonder ze te hoeven kopen of te lenen sprak ons wel aan.
Ik kwam op het afgesproken moment langs met een volle plastic zak. Ruim twintig, misschien wel dertig boeken had ik bij me. Ik raakte ze allemaal kwijt die avond. Vooral Andrew bleek nog veel boeken niet gelezen te hebben. Met vier of vijf boeken die ik nog niet kende ging ik de deur uit. Ook toen al was ik in dit soort zaken een schlemiel. Andrew zal wel een goede zakenman zijn geworden.

Natuurlijk had ik dit van mezelf kunnen weten. Ik ben immers als schlemiel geboren.
Wie kent er niet het spel ‘handje raaien’, dat je als kind speelde? Je moest dan raden hoeveel knikkers iemand in zijn twee gesloten handen had. Raadde je het goed, dan kreeg je de knikkers. Maar als je het verkeerd had moest je het verschil bijpassen.
Al was het maar een kinderspel, het werd bloedernstig gespeeld.
Ik herinner mij dat ik op een kwade dag na schooltijd met bijna een schoenendoos vol knikkers het spel speelde met Wout. Hij was wel twee koppen groter dan ik en had kolenschoppen van handen.
‘Vijf’ riep ik bijvoorbeeld, nadat ik de twee opeen gedrukte handen nauwkeurig had geïnspecteerd.
Wout deed dan zijn handen open en hij bleek er dan wel zestig kleine knikkertjes in te hebben.
Zo’n ronde kostte me dan meer dan vijftig knikkers.
Natuurlijk wilde ik ze weer terug verdienen. ‘Tien’ zei Wout dan nadat hij mijn handen bekeken had.
Hij zat er vijf naast en triomfantelijk overhandigde hij me vijf knikkers. ‘Dat heb je goed gedaan’, zei hij dan ironisch. En ik dacht toen nog dat hij me werkelijk een compliment gaf.
Binnen een half uur was ik al mijn knikkers kwijt. Wout was verrukt over zijn onverwachte succes en verbaasd dat hij mij zo gemakkelijk van mijn knikkers had afgeholpen.
Geschrokken van mijn verslagenheid gaf hij mij een handje knikkers terug.
‘Ik moet nu naar huis. Eten’. En triomfantelijk ging hij er vandoor, mij in verwarring achter latend.
‘Het is niet verstandig om alles op het spel te zetten als je kansen op winst erg klein zijn’, was de boodschap. Maar of ik werkelijk wat van deze gebeurtenis heb geleerd…

Niet alleen als het om boeken of knikkers ging, ook in andere zaken ging het wel eens mis.
Zo had ik als tienjarige een houten stok urenlang met een klein zakmesje bewerkt. Ik hield nu een prachtig zwaard in mijn handen en voelde mij oppermachtig. De andere kinderen keken vol bewondering naar het resultaat van mijn noeste arbeid. ‘Mag ik hem even vasthouden?’ vroegen ze en welwillend stond ik dit toe. Het mooie houten zwaard ging van hand tot hand en iedereen was het er over eens dat dit toch wel het mooiste zwaard was van allemaal.
Later op de dag trokken we met een klein groepje jongens met houten zwaarden een andere wijk in.
Hier woonde de vijand en die gingen we opzoeken. Het duurde niet lang of we hadden hem gevonden. Ik zwaaide woest met mijn zwaard door de lucht. “Kom maar op, als jullie durven” riepen we naar de andere jongens, die een eindje verder op in een afwachtende houding naar ons stonden te kijken. Terwijl ik met opgeheven zwaard “Aanvalluhhh” brulde, voelde ik opeens hoe mijn houten wapen uit mijn handen werd gerukt. Schuin achter me stond een jongen die minstens vijf jaar ouder was. “Mooi zwaard heb jij. Zelf gemaakt?” Toen, zonder mijn antwoord af te wachten, tilde hij zijn rechterbeen op en brak het zwaard op zijn knieën door midden. ”Niet erg sterk”, zei hij lachend en gaf mij de twee gebroken stukken hout terug. Hij had zomaar mijn zwaard, het zwaard waar ik uren op gezwoegd had, door midden gebroken. Ik was verbijsterd.
“En nou opsodemieteren”, riep hij onverwachts dreigend. We stoven weg, want zin in een pak slaag had niemand van ons. Mijn zwaard was stuk. In de ogen van mijn vriendjes was ik dappere ridder af.
Wat voelde ik mij een schlemiel. Met mijn zakmesje maakte ik later van het houten lemmet een mooie houten dolk. “Eigenlijk veel mooier dan zo’n groot onhandig zwaard”, dacht ik. En goed te verstoppen voor de vijand, zodat ze hem niet zo snel meer van me zouden af pakken.
Ook toen al zag ik na een vervelende gebeurtenis weer snel de zon in het water schijnen.

Een halve eeuw is er sindsdien voorbij gegaan. Nog steeds komen mensen met goede ideeën die vooral voor hen zelf goed uitpakken. Misschien moet je jezelf wel altijd de vraag stellen wie er beter wordt van dat idee voordat je er in mee gaat.
Ik moet altijd lachen om de onnozelen die hun vaak zuur verdiende spaarcentjes uitlenen aan mensen met goeie ideeën die hen 10% rente beloven in tijden dat je op de bank slechts 3% krijgt.
Vervolgens zijn ze alles kwijt en willen ze dat wij hen zielig vinden. Stom zijn ze. Hartstikke stom.
De schlemiel in hen heeft het van hun gezonde verstand gewonnen.

Mijn ervaringen met het knikkerspel kun je gemakkelijk doortrekken naar deze tijd. Overal wordt het spel om de knikkers bloedserieus gespeeld. Knikkerimperiums komen en gaan. Opnieuw worden er enkelen schatrijk van de crisis in Europa. Alles wordt er op het spel gezet. Maar ik schat in dat de winkansen heel klein zijn. Alle schlemielen van Europa verenigt u. Ontwaakt, schlemielen dezer aarde. Voorwaarts en niet vergeten…de solidariteit. We worden allemaal genaaid en vragen om meer. Nu, we zullen het krijgen ook.

De tijd heeft stil gestaan. Er bestaat geen vooruitgang.
Er zijn alleen maar gebeurtenissen. En winnaars en schlemielen.

dinsdag 25 oktober 2011

Rustig aan.

Even erg druk. Jammer, maar helaas.Tip voor mensen die van goeie documentaires houden:
Hier!!!

Alles in het Engels en werkelijk een schat aan informatie.

zondag 16 oktober 2011

Occupy

Het was lekker om in het zonnetje te demonstreren op het Beursplein in Amsterdam. Degenen die niet geweest zijn hebben wat gemist. Natuurlijk was ik niet gegaan als het had geregend.
Nee, ik ben zeker niet iemand die vooraan op de barricaden staat. Maar zoals die man op het journaal al zei: ”Het is vijfendertig jaar geleden dat ik voor het laatst heb gedemonstreerd. Nu vond ik het hoog tijd om weer te gaan. De uitwassen van het kapitalistische systeem raken iedereen”.
En het is moeilijk om het daar niet mee eens te zijn.
Nu wordt gezegd dat het alleen de machtigen zijn die een donker gordijn leggen over onze toekomst. Dat zij als enigen de aarde uitbuiten en verantwoordelijk zijn voor de verwoestingen die worden aangericht.
Hierbij wordt helaas voorbij gegaan aan onze eigen verantwoordelijkheid.
Die 1% machtigen maken er met elkaar toch nog altijd een minder grote troep van dan die 99% machtelozen. Waarvan er velen stiekem dromen dat zij of hun kinderen eens zullen behoren tot de 1% machtigen die deze aarde nu regeren.
Ik weet dat het niet sympathiek is om te zeggen dat Jan Modaal dezelfde mentaliteit heeft als degenen die over ons heersen. Dat wil hij niet horen en hij wil hier niet over nadenken. Dat heeft hij nooit geleerd en niemand in zijn omgeving is hem er dankbaar voor als hij dat wel doet. Op dominees zit niemand te wachten. Het is niet voor niets dat de kerken leeg lopen.
Maar al die geschoolde mensen die het wel geleerd hebben? Die weten dat wat ik hier neer zet juist is? Kennis moet niet met moraliteit worden verward. Kennis kan heel goed leiden tot immoreel of amoreel gedrag. Ook al is men niet gewend dat het zo genoemd wordt. Je hoort wat je horen wilt.

Natuurlijk is ook bij mij het hemd nader dan de rok. Enerzijds maak ik mij zorgen over de grote ontwikkelingen die ik zie. De uitbuiting van de mensen en de natuur. De niet te stoppen klimaatverandering. De oorlogszuchtige taal die veel landen uitslaan. De hebzucht en graaimentaliteit van velen. Want we denken allemaal dat succes in het leven hetzelfde is als ‘rijk zijn’.
Anderzijds wil ook ik niet inleveren. Ook ik wil alleen maar meer en beter.
Alleen doe ik hier niet veel aan. Want eigenlijk interesseert het me niet. Zo lang ik maar niet rood sta. En een comfortabel huis heb om in te wonen. Met alle spulletjes die het leven zo kunnen veraangenamen. En zo is de situatie nu.

Wat veel mensen blijkbaar niet lijken te beseffen is dat we het allemaal in een razend snel tempo weer kwijt kunnen raken. En die kans schat ik hoog in.
Ik heb het nu niet eens over de schade die hebzucht en kortzichtigheid in de hele wereld aanrichten, waarbij de meest kwetsbaren als altijd het eerst voor de bijl gaan.
Dus al vind ik dat iedereen die na kan denken verantwoordelijk is voor de chaos die op ons af komt en die sommigen al heeft bereikt, het zijn wel de meer machtigen die echt de sleutel tot verandering in handen hebben. De massa kan zich wel gaan organiseren en moet dat ook doen. Maar hun gebrek aan ervaring in het besturen en hun goedgelovigheid en gemakzucht zullen een effectieve organisatie in de weg staan. Zij denken het liefst in ‘zwart-wit’. In ‘Goed versus Slecht.’ En velen vinden het maar wat fijn om de slachtofferrol op zich te nemen.
“Ik geloof niet in democratie”, zei een vooraanstaand correspondent bij de Wall Street Journal.
“Het is alsof een wolf en een lam samen een besluit moeten nemen”.
Het tekent het cynisme van de mensen die er met hun neus dagelijks bovenop staan en zien dat de schapen worden opgevreten door de wolf als hij hongerig is.
Zo’n man ziet z’n hele leven al wat macht met de mentaliteit van de mensen doet. Om het maar eens duidelijk te stellen: Het lijkt er op dat het ze geen reet kan schelen of deze wereld en alles wat daar op leeft naar de verdommenis gaat. Als de kassa maar rinkelt.

Stevige druk op de rijke bankiers, ceo’s van grote bedrijven, corrupte politici, speculanten, mediamagnaten en de hele rambam kan mogelijk tot een mentaliteitsverandering leiden. Maar de mensen zijn erg verdeeld. Bij velen staat het water nog niet tot de lippen. Daarom maak ik mij hier geen illusies over.
Niemand die de machtige tegen houdt. Dit gaat ook niet gebeuren. Misschien zal hij worden vervangen, maar dat hoeft geen verbetering te zijn.
Nee, ik ben zeker niet tegen het kapitalisme. In zijn zuiverste vorm lijkt het mij het beste systeem dat voor handen is. Het sluit namelijk het beste aan op wat de meeste mensen van het leven willen. Ik raad daarom iedereen aan om de film “Capitalism: a love story” van Michael Moore te gaan zien.
Het is zeker geen rechtvaardig systeem. En ook niet duurzaam. Maar een alternatief dat door iedereen wordt omarmd hebben we helaas nog niet. Al begrijp ik dat de ‘cradle to cradle’ gedachte langzaamaan steeds meer terrein wint.

Ja, wij zijn met z’n allen vreselijk verwend. Onze rijkdom beschouwen we als vanzelfsprekend. We willen ook niet weten wat de prijs is die we hiervoor met z’n allen betalen.
Wat een mooie paradox: De prijs die we betalen voor onze rijkdom.
Ik voorspel dat ‘Occupy’ zal groeien. Dat onderschat wordt wat hiervan de gevolgen zijn. Italiaanse toestanden zullen overal plaats vinden. Groepen in de samenleving zullen de beweging proberen te ‘kapen’. Mensen zullen tegen elkaar worden uitgespeeld. De polarisatie zal toenemen.
We mogen in onze handjes knijpen als het allemaal vreedzaam zal gaan. Maar gezien mijn vertrouwen in de menselijke natuur (Of beter gezegd ‘mijn gebrek aan vertrouwen’) verwacht ik hier niet veel van. Langzaam kantelt ons wereldbeeld en hiermee de wereld zelf. We staan opnieuw aan de rand van grote veranderingen. Het zonnetjes schijnt nog. Het is windstil. De stilte voor de storm.

donderdag 13 oktober 2011

Talent

Ik ben een uitermate slecht gitaarspeler. Zo. Het is er uit. En nu weet iedereen het die dit leest of die mij wel eens gitaar heeft horen spelen. En toch schijnt het niet moeilijk te zijn. Een kind kan de was doen. Theo, zullen we deze dame vragen of ze met ons een band wil starten? Ik vrees dat ik helaas niet door de selectie kom.

dinsdag 11 oktober 2011

Mijn kleinzoon Teim

Het gaat goed met mijn kleinzoon Teim. Laatst kreeg ik een foto van hem toegestuurd door mijn dochter.

Is het geen schatje? Je zou de gelukkige ouders moeten zien.

zondag 9 oktober 2011

Reis over de taart (2.)

De wereld lag aan mijn voeten. Een wereld van marsepein. Eerst reed ik naar Azië. Daar kwam ik twee oude bekenden tegen: Ying en Yang. Zoals wel vaker waren ze weer eens volledig uit balans en stonden ze ruzie te maken. Dat heb je er van als je niet mèt maar ook niet zonder elkaar kunt. Dat leidt onvermijdelijk tot frustraties. Maar uit de cirkel van het Tao waarin ze vast zaten konden ze niet ontsnappen. Daarvoor waren ze teveel met elkaar verbonden.
In Yang klonk altijd het stemmetje van Ying en in Ying kon je de stem van Yang terug horen. In essentie waren ze één, al voelden ze zich verdeeld. Of zoiets.
Deze keer hadden ze ruzie over de taart waarop ze leefden. Yang vond zoveel zoetigheid maar niets. “Te zoet, veel te zoet”, riep hij luid en ijsbeerde heen en weer. “Maar na het zoet komt altijd het zuur en dat is goed”, riep Ying wanhopig. Yang wilde hier echter niets van horen.
Geamuseerd luisterde ik naar hun gebekvecht. Na enige tijd onderbrak ik hen en vroeg hen of ze mij konden vertellen waar Amerika lag. Want dat was mijn volgende bestemming.
Gelukkig waren ze het hier met elkaar over eens en beiden wezen naar het Oosten. ”Je kunt ook wel naar het Westen gaan, dan kom je er ook”, zei Yang. “Maar de kortste weg is naar het Oosten”. Ik bedankte hen voor hun hulp en nam afscheid. Terwijl ik verder reed hoorde ik hen achter mij vrolijk verder kibbelen. ”Het is waar”, dacht ik. “Of je nu naar het Westen of het Oosten gaat maakt weinig uit. Heb je haast dan neem je kortste weg. En heb je naar je gevoel meer tijd dan kies je voor de toeristische route. Uiteindelijk leiden alle wegen naar Rome. Bij wijze van spreken dan.”
Door mijn ontmoeting met Ying en Yang was ik in een filosofische stemming gekomen.
Ha, daar zag ik Amerika al liggen.
Een grote gele emoticon kwam mij grijnzend tegemoet. Ik vond hem er een beetje luguber uit zien.
“Waarom loop jij zo te grijnzen?” , vroeg ik hem.
“Omdat ik in het rijkste land ter wereld woon. In het land of the free. And the home of the brave.”
Ik hoorde op de achtergrond het geluid van het Amerikaanse volkslied, wilde mijn hoed afnemen maar ontdekte dat ik deze vergeten was, boog eerbiedig het hoofd, legde mijn rechterhand op mijn hart en wachtte tot de laatste klanken waren weg gestorven.
“Dan heb je reden om te lachen”, beaamde ik. “Alleen heb ik wel eens gehoord dat jullie hier per duizend inwoners meer mensen in de gevangenis hebben zitten dan waar ook ter wereld. En dat er zo'n 650.000 daklozen zijn.
Daarnaast zijn er 46 miljoen Amerikanen die leven onder de armoedegrens, 41 miljoen Amerikanen kunnen zichzelf en hun gezin niet voeden zonder gratis voedselbonnen; 30 miljoen basisschoolkinderen kunnen op school ontbijten dankzij het National Breakfast Program; 10 miljoen kinderen krijgen ook een gratis of goedkope lunch op school; 48 miljoen Amerikanen hebben geen ziektekostenverzekering; 38 miljoen Amerikanen zijn onderverzekerd voor ziekte of arbeidsongeschiktheid; 2 miljoen Amerikanen moesten dit jaar hun huis veilen; 5 miljoen huiseigenaren hangt dit boven het hoofd; 14 miljoen Amerikanen hebben volgens de officiële cijfers geen baan,maar deskundigen schatten het werkelijke cijfer op 25 miljoen werklozen. Dus helemaal tof is het niet bij jullie.
De emoticon keek me met toegeknepen ogen aan. "Wij hebben jullie destijds bevrijd van de Nazi's. Hun kinderen komen nu naar Scheveningen waar jullie hen veel te veel laten betalen voor een zakje patat of frikandel. Zonder ons zaten jullie nu allemaal in kampen en waren jullie kinderen lid van de Hitler Jugend geweest." Hij lachte triomfantelijk. "Schaakmat", hoorde ik hem denken.
Gelukkig zag ik een vredesactivist voorbij komen. Nee, ik moest niet alle emoticons op een hoop gooien. Er waren er genoeg die het beste wilden en die zich schaamden voor de eerder genoemde schokkende cijfers in de statistieken. De vloek van het ongebreidelde kapitalisme raakte iedereen.
"Hi," riep ik naar hem. Dat is de manier waarop Amerikanen elkaar groeten. Een eenvoudig "Hi". Nee, niet "High". Dat is weer wat anders. Daar zullen we het een andere keer over hebben.

zaterdag 8 oktober 2011

Reis over de taart (1.)

Met de zoete geur van marsepein in mijn neus werd ik die ochtend wakker. Vijfentwintig september tweeduizend-en-elf. Eindelijk zestig. Voor mijn gevoel had ik er wel honderd jaar op moeten wachten.
Paula was natuurlijk al naar beneden om een kopje koffie te zetten en een vers glaasje sinaasappelsap voor me uit te persen. De lieverd. Dat deed ze bijna elke ochtend. Behalve als ik als eerste op stond. Wat helaas door mijn rooster sinds het begin van het nieuwe schooljaar het geval was. En daarom zette ìk nu meestal ’s morgens voor ons beiden een kopje koffie.
Je moet namelijk weten dat ik leraar ben aan een heel grote school. Samen met anderen leid ik daar jonge mensen op tot dienstverlener. Een dienstverlener is iemand die andere mensen helpt die zichzelf niet kunnen helpen zonder eerst zelf geholpen te zijn. Snap je? Mensen die teveel geld hebben uitgegeven en nu niets meer te eten hebben bijvoorbeeld. Of mensen die hun baan zijn kwijt geraakt en nu weer op zoek zijn naar werk.
Een dienstverlener geeft ze dan geld of zorgt dat ze weer kunnen werken. Als het geld tenminste niet op is. En er werk is. Dit moet je altijd maar afwachten. Zo zit dat.
Kwiek als een jonge oude man sprong ik uit bed, trok mijn mooie blauwe duster aan (“Die moet je maar weer eens in de was gooien”, had ze me vorige maand nog gezegd. “Hij ruikt een beetje.”) en liep neuriënd de trap af. De geur van marsepein was nu zo indringend dat ik er een beetje weeïg van werd.
Halverwege de trap stond ik stil. Ik kon mijn ogen niet geloven. In de ruime huiskamer stond een Volkswagenbus op ware grootte, helemaal gemaakt van marsepein.
Verbijsterd liep ik verder. Hoe was dit mogelijk?
Paula was nergens te bekennen maar op de keukentafel lag een briefje. Er stond maar één woord op geschreven. Maar wel in heel grote letters. “HELP” stond er. Dat zag ik al van verre. Ik herkende het sierlijke handschrift van Paula. “Zij heeft mijn hulp nodig”, dacht ik geschrokken. Want iemand die “HELP” heeft opgeschreven en nergens te bekennen is zit in moeilijkheden.
Maar waar was ze? Waar moest ik beginnen te zoeken? En wat deed die enorme Volkswagenbus van marsepein hier in de huiskamer? Wat een vreemd begin van een verjaardag. Ik snapte er niets van.
Nieuwsgierig liep ik op de Volkswagenbus af en deed de deur open. Van binnen was het een gewone auto. In het dashboardkastje vond ik een plattegrond. Maar het was wel een vreemde plattegrond. Links in een hoekje stond met kleine lettertjes “HELP” geschreven. Ik keek nog eens goed. Dit was een afbeelding van het briefje dat Paula aan mij geschreven had. Nu wist ik waar ik mij op deze plattegrond bevond. Helemaal aan de andere kant van de kaart stond in dezelfde kleine lettertjes geschreven “HIER BEN IK”. Daar moest ik dus naar toe.
Maar hoe? Ik besloot eerst om de dikke laag marsepein van de ramen van de wagen weg te vegen. Dan kon ik immers wat zien. Met een ramenwisser haalde ik de lichtblauwe marsepein weg, die overal tegen het glas geplakt zat en at deze gelijk op. Want sinds ik wakker was had ik nog niets gegeten. Tjongejonge, wat smaakte dat lekker. Ik kroop hierna weer achter het stuur en moest zowaar een stevige boer laten.
Het autosleuteltje stak in het slot en ik startte de wagen. Na enig gerochel en gehoest sloeg de motor aan. Op het dashboard sloeg er een wijzertje uit en ik zag dat de tank vol zat…met limonade.
“Logisch. Een wagen van marsepein rijdt op limonade”, dacht ik nog. Daar is niets vreemds aan.
Voorzichtig reed ik de wagen door de tuindeur naar buiten. Het ging maar net, maar het ging.
Nu ik buiten stond voelde ik mij wat meer op mijn gemak. Ik denk dat iedereen die een auto in zijn kamer tegen zou komen een beetje in de war zou zijn.
De tuin was bedekt met een dikke laag blauwe marsepein. Het was dezelfde kleur als op de ramen van de wagen had gezeten. De zon scheen volop, maar aan de horizon zag ik donkere wolken waaruit een stevige regenbui viel. Plotseling verscheen er recht boven mijn hoofd een prachtige regenboog. Zo ontzettend mooi, dat er tranen van ontroering in mijn ogen sprongen. ‘Ontroering’ is het gevoel dat je hebt als je niet weet of je moet lachen of huilen van blijdschap. Daarom lachte ik, terwijl de tranen over mijn wangen liepen.
Ik besloot om gewoon de regenboog te volgen en reed via het tuinhek de weg op. Ook deze was van marsepein gemaakt. “Het lijkt wel of ik over een grote taart rijd”, dacht ik nog, want alle huizen om mij heen waren van marsepein. Als ik een vogel was geweest en ik had mezelf daar beneden in die Volkswagenbus gezien, dan had ik geweten dat dit niet zomaar een gedachte was. De hele wereld was in een marsepeinen taart veranderd en ik reed in mijn marsepeinen busje het avontuur tegemoet. Ik ging mijn Paula bevrijden uit de handen van een onzichtbaar monster zonder naam dat haar ontvoerd had naar “HIER BEN IK”. Want wie zou het anders gedaan hebben?

vrijdag 7 oktober 2011

Kleine man.

Vandaag voelde ik mij ongemeen blij. Bijna euforisch. Mogelijk omdat mijn keelpijn minder wordt en mijn verkoudheid aan het verdwijnen is. Dank voor alle goed adviezen. Van het slikken van pottertjes tot het maken van een dans bij volle maan in het bos, natuurlijk in mijn blote gat en met een veer in mijn reet. Dit laatste advies volg ik pas op als ik dan nog niet echt beter ben.
Ik denk dat de gemberdrank met citroen en thymhoning mij het meest geholpen heeft.
Nu het zulk lekker onstuimig weer is en winterse buien dagelijks het land en al het daar op zich bevindende krioeliserende mensenras geselen, verheug ik mij op de naderende winter. Ik hoop dat deze erg streng zal zijn, zodat ik mij ook weer kan verheugen op de komst van de lente.
Gisteravond trok ik een oude verzamelband van ‘Bres’ uit de boekenkast en vond daar tot mijn blije verrassing een artikel in over Wilhelm Reich, een bekende adept van Freud.
Maar die net als Jung later zijn eigen weg is gegaan en een grote invloed heeft gehad op het denken van hele generaties.
In Amerika was men niet zo blij met zijn opvattingen en nadat Reich in 1954 in de gevangenis was overleden werd op last van de federale regering een groot deel van zijn werken door de barbaren verbrand. Boekenverbranding in Amerika. Het was niet de eerste keer en het zou niet de laatste keer zijn.
Pas in de zestiger en zeventiger jaren, de tijd waarin ik ben opgegroeid, stond er een generatie op die hem naar juiste waarde wist te schatten. Geïnteresseerden raad ik aan om “Luister, kleine man” te lezen. Als je tijd hebt (En ook als je geen tijd hebt...) lees dan de volgende inleiding en het slot uit dit 'manifest', dat ik op internet vond. Lees het desnoods in twee of drie keren. De tekst is in een andere tijd geschreven. In een wereld die verdwenen is. Maar 'de kleine man' is er nog steeds. Geef hem een uurtje van je tijd. Het is minder, veel minder dan hij verdient. En hou hem in de gaten...

Ze noemen je 'de kleine man', 'de gewone man', 'common man'.
Ze zeggen dat jouw tijd gekomen is, het 'Tijdperk van de gewone man', 'The age of the common man'.
Dat zeg JIJ niet, kleine man. Dat zeggen ZIJ, vice-presidenten van grote naties, opgeklommen vakbondsleiders, berouwvolle zonen uit bourgeios-families, staatslieden en filosofen. Ze geven jou je toekomst maar vragen niet naar je verleden. Je bent erfgenaam van een afschuwelijk verleden. Je erfenis is een gloeiende diamant in je hand. Dat zeg ik je!
Iedere dokter, schoenmaker, monteur of opvoeder moet zijn tekortkomingen kennen als hij zijn werk wil doen en zijn brood verdienen. Enige tientallen jaren geleden ben je begonnen een heersende rol op deze aarde te spelen. Van jouw denken en handelingen hangt de toekomst van de mensen af. Maar je leermeesters en superieuren vertellen je niet hoe je echt denkt en bent; niemand durft die enige kritiek over jou te uiten die jou in staat zal stellen je lot in eigen handen te nemen en daarin te blijven volharden. Je bent slechts in één enkele betekenis 'vrij': vrij van de opvoeding je leven zelf te leiden, vrij van zelfkritiek!
Ik heb je nooit horen klagen: 'Je maakt me tot toekomstige meester over mijzelf en mijn wereld, maar je vertelt me niet hoe je meester over jezelf bent, en je vertelt me niet wat de fouten in mijn denken, doen en laten zijn.'
Je laat machthebbers macht 'voor de kleine man' opeisen. Maar jijzelf blijft zwijgen. Je geeft mensen aan de macht meer macht of machteloze mensen kwade bedoelingen om jou te vertegenwoordigen. Als het al te laat is ontdek je dat je steeds weer bedonderd wordt. Ik begrijp je wel. Want ik heb je vele duizenden keren lichamelijk en geestelijk naakt gezien, zonder masker, zonder partij, zonder stembiljet, zonder je 'populariteit'.
Naakt als een pas geborene, naakt als een veldmaarschalk in zijn ondergoed. Je hebt bij mij gehuild, geklaagd, je hebt over je verlangens gesproken, en je liefde en verdriet onthuld. Ik ken je en ik begrijp je.
Ik ga je vertellen hoe je bent, kleine man, want ik geloof oprecht in jouw grote toekomst. Die behoort aan jou, daar is geen twijfel aan. Dus kijk eens in de allereerste plaats naar jezelf. Zie jezelf zoals je werkelijk bent. Luister naar wat geen van je Führers en vertegenwoordigers je durft te zeggen:
Je bent een 'klein, gewoon mannetje'. Begrijp de dubbele betekenis van deze woorden: 'klein' en 'gewoon'...
Loop niet weg! Heb de moed naar jezelf te kijken!
'Welk recht heb je om mij de les te lezen?'
Ik kan deze vraag in je angstige ogen zien. Ik hoor deze vraag uit je onbeschaamde kleine mond komen, kleine man! Je bent bang naar jezelf te kijken, je bent bang voor kritiek, kleine man, precies zoals je bang bent voor de macht die ze je beloven. Je zou niet weten hoe die macht te gebruiken. Je durft er niet aan te denken dat je jezelf ooit anders zou kunnen ervaren: vrij inplaats van krom van angst; open in plaats van taktisch; in het volle daglicht liefhebbend in plaats van als een dief in de nacht. Je veracht jezelf, kleine man. Je zegt 'Wie ben ik dan om een eigen mening te hebben, mijn eigen leven te bepalen en te verklaren dat de wereld van mij is?' Je hebt gelijk: wie ben je om aanspraak te maken op je eigen leven?
Ik zal zeggen wie je bent:
Je verschilt in slechts een opzicht van de werkelijk grote man: de grote man was eens zelf ook een erg kleine man, maar hij ontwikkelde één belangrijke eigenschap: hij leerde zien waar hij klein en beperkt was in zijn denken en daden. Onder druk van de een of andere taak die hem na aan het hart lag leerde hij steeds beter voelen wanneer zijn bekrompenheid en kleingeestigheid een bedreiging vormden voor zijn geluk. De grote man weet dus wanneer en waarin hij klein is. De kleine man weet niet dat hij klein is en hij is bang het te weten. Hij verbergt zijn kleingeestesheid en beperktheid achter illusies van kracht en grootheid, van kracht en grootheid van anderen. Hij is trots op zijn grote generaals maar niet trots op zichzelf. Hij bewondert de gedachten die hij niet had en niet de gedachten die hij wel had. Hij gelooft des te dieper in dingen hoe minder hij ze begrijpt. En hij gelooft niet in de juistheid van die ideeën die hij het gemakkelijkst begrijpt.
Ik zal beginnen met de kleine man in mijzelf:
Vijfentwintig jaar pleit ik in woord en geschrift voor jouw recht op levensgeluk in deze wereld; beschuldig je van je onvermogen te nemen wat van jou is; veilig te stellen wat je hebt veroverd in de bloedige gevechten van de Parijse en Weense barrikades, met de Amerikaanse emancipatie of in de Russische revolutie.
Jouw Parijs eindigde met Pétain en Laval, jouw Wenen met Hitler, jouw Rusland met Stalin, en jouw Amerika zou kunnen eindigen met het regiem van een K.K.K.!
Je hebt beter begrepen je vrijheid te veroveren dan haar voor jezelf en anderen te beschermen. Ik wist dit allang. Wat ik niet kon begrijpen was waarom, telkens nadat je je aan het ene moeras had ontworsteld, je in een nog erger wegzonk.
Toen vond ik, heel geleidelijk, voorzichtg tastend als in het donker, wat van jou een slaaf maakt: JE BENT JE EIGEN SLAVENDRIJVER! Niemand anders - zo luidde de waarheid - dan jijzelf draagt de schuld voor jouw slavermij. Niemand anders, zeg ik!
Dit is nieuw voor je, nietwaar? je bevrijders vertellen je dat jouw onderdrukkers, Willem, Nikolaas, Paus Gregorius de 28e, Morgan, Krupp of Ford heten. En jouw bevrijders dragen de namen Mussolini, Napoleon, Hitler en Stalin.
Ik zeg je: alleen jijzelf kan je eigen bevrijder zijn!
Ik houd me vast aan deze zin. Ik beweer een strijder voor zuiverheid en waarheid te zijn. En nu, wanneer het erom gaat jou de waarheid over jezelf te vertellen aarzel ik omdat ik voor jou en je houding ten aanzien van de waarheid ben. De waarheid over jou te zeggen is gevaarlijk voor het leven.
Waarheid is ook levend-reddend, maar het wordt de vrijbuit van iedere boeventroep!
Als dat niet zo was zou je niet zijn waar je bent en wat je bent.
Mijn verstand zegt me: spreek de waarheid uit, tegen iedere prijs! De kleine man in mij zegt: het is dom jezelf aan de kleine man bloot te geven, jezelf in zijn macht te brengen. De kleine man wil de waarheid over zichzelf niet horen. Hij wil de grote verantwoordelijkheid die hem toekomt, die hij al dan niet tegen zijn zin heeft, niet. Hij wil een kleine man blijven, of een kleine grote man worden. Hij wil de grote verantwoordelijkheid die hem toekomt, die hij al dan niet tegen zijn zin heeft, niet. Hij wil een kleine man blijven, of een grote man worden. Hij wil rijk worden, of partijleider, of leider van de oorlogsveteranen, of sekretaris van de bond voor de verheffing van de openbare moraal. Maar hij wil niet de verantwoordelijkheid voor zijn werk, voor de voedselvoorziening, huisvesting, verkeer, opvoeding, onderzoek, adminsitratie of exploitatie van bodemschatten op zich nemen.
De kleine man in mij zegt:
"je bent een groot man geworden, ze kennen je in Duitsland, Skandinavië, Engeland, Amerika, Palestina; de kommunisten bestrijden je; de "redders van de kulturele waarden" haten je. Je studenten houden van je. Je voormalige patiënten bewonderen je. De pestlijders vervolgen je. Je hebt twaalf boeken en 150 artikelen over de misère van het leven, de misère van de kleine man geschreven. Je theorieën worden aan universiteiten gedoceerd; andere grote en eenzame mannen zeggen dat je een zeer groot man bent. Je wordt in één adem genoemd met de intellektuele reuzen. Je hebt de grootste ontdekking sinds eeuwen gedaan, want je hebt de kosmische levensenergie ontdekt en daarmee de wetten van het leven. Je hebt kanker begrijpelijk gemaakt. Ze hebben je daarom van land tot land verjaagd omdat je de waarheid zei. Rust nu uit! Geniet van je successen, van je roem! Over een paar jaar zal je naam op ieders lippen liggen. Je hebt genoeg gedaan. Blijf ook rusten en wijd je aan je functionele natuurwet!
Zo praat de kleine man in mij, die bang voor jou, kleine man, is.
Lange tijd had ik nauwe voeling met je omdat ik uit eigen ervaring je leven kende en omdat ik je wilde helpen. Ik bleef in nauw contact met je omdat ik zag dat ik je echt hielp en dat je mijn hulp graag en vaak met tranen in je ogen aannam.
Langzamerhand leerde ik zien dat je in staat was mijn hulp aan te nemen maar niet haar te verdedigen. Ik verdedigde haar en vocht, in jouw plaats, voor je. Toen kwamen jouw leiders en maakten mijn werk kapot. Jij bleef zwijgen en volgde hen. Ik hield nu het contact met je om te leren hoe je geholpen kon worden zonder aan jou als leider of als jouw slachtoffer kapot te gaan. De kleine man in mij wilde je veroveren, je 'redden', met hetzelfde ontzag door jou bekeken worden, dat je voor 'hogere wiskunde' hebt omdat je geen flauw idee hebt waar het allemaal omgaat. Hoe minder je begrijpt, hoe meer verering je bereid bent te tonen. Je kent Hitler beter dan Nietzsche, Napoleon beter dan Pestalozzi. Een koning betekent meer voor je dan Sigmund Freud. De kleine man in mij zou je graag willen veroveren op de voor jou gebruikelijke manier, met alle middelen die een leiderschap meebrengen. Ik ben bang voor je wanneer je de kleine man in mij graag tot de vrijheid zou willen 'voeren'. Je zou jezelf in mij en mij in jou kunnen ontdekken, bang kunnen worden en jou in mij doden. Daarom ben ik tot voor kort opgehouden om voor jouw vrijheid ieders slaaf te zijn, te willen sterven.
Ik weet dat je nog niet begrijpt wat ik net gezegd heb: 'vrijheid om ieders slaaf te zijn' is helemaal niet eenvoudig.
Om niet langer trouw slaaf van een enkele meester te zijn, om tot ieders slaaf bevorderd te worden moet je eerst die ene onderdrukker verslaan, laten we zeggen de tsaar. Deze politieke moord kan men niet zondere hoge vrijheidsidealen en revolutionaire motieven begaan. Er wordt dus een revolutionaire vrijheidspartij opgericht onder leiding van een werkelijk groot man, bv. Jezus, Marx, Lincoln of Lenin. De echte grote man meent het met jouw vrijheid doodernstig. Als hij haar in de praktijk wil doorzetten moet hij zich met vele kleine mannen omringen, hulpjes en handlangers, omdat hij het gigantische werk niet alleen af kan.
Bovendien zou je hem niet begrijpen en hem links laten liggen als hij niet kleine grote personen om zich heen verzameld had. Omringd door vele kleine groten verovert hij macht voor jou, of een stuk waarheid, of een nieuw beter geloof. Hij schrijft geloofsgetuigenissen, vaardigt vrijheidswetten uit en rekent op jouw hulp, serieusheid en hulpvaardigheid. Hij trekt je uit je sociale moeras waar je tot over je oren insteekt. Om de vele kleine grote personen bij elkaar te houden, om niet jouw vertrouwen te verliezen moet de echte grote man steeds een deel van zijn grootheid opofferen, die hij alleen in de diepste geestelijke eenzaamheid, ver weg van jou en je dagelijkse lawaai maar toch in nauw kontakt met jouw leven kon verwerven. Om jou te leiden moet hij dulden dat jij hem tot een ongenaakbare God verheft. Je zou geen vertrouwen in hem hebben wanneer hij eenvoudig de man was gebleven die hij was, die dus laten we zeggen van een meisje hield zonder trouwakte.
Op deze manier breng jijzelf je nieuwe meester voort. De grote man verliest, tot nieuwe meester bevorderd, zijn grootheid die uit oprechtheid, eenvoud, moed en echt kontakt met het leven bestond. De kleine grote personen de hun grootheid aan de grote man ontleenden nemen de hoge posten van financieën, diplomatie, bestuur, wetenschap en kunst op zich... en jij blijft waar je was, in de modder! Jij gaat verder in lompen gehuld terwille van de 'socialistische toekomt' of van het "Derde Rijk'. Je blijft in krotten met strodaken, waarvan de muren met koeiestront besmeurd zijn, wonen. Maar je bent trots op je paleis van volkskultuur. Je bent tevreden met de illusie dat jij regeert... Tot de volgende oorlog en de val van de nieuwe meesters.
In verre landen hebben kleine mannen jouw verlangen om ieders slaaf te zijn ijverig bestudeerd en eruit geleerd hoe men met weinig geestelijke inspanning een kleine grote man kan worden. Deze kleine mannen komen uit jouw midden, en niet uit de paleizen. Ze hebben honger gehad en geleden zoals jij. Ze verkorten het proces van het wisselen van de meester. Ze hebben geleerd dat honderd jaar van zware geestelijke arbeid voor jouw vrijheid, van zware persoonlijke offers voor jouw levensgeluk, zelfs het opofferen van het leven in het belang van jouw vrijheid veel te veel waren om het doel van een nieuwe slavermij te bereiken. Wat echte grote vrijheidsdenkers hebben uitgedacht en geleden in honderd jaar kon in de loop van nog geen vijf jaar vernietigd worden.
De kleine mannen uit jouw midden verkorten dus het proces: ze doen het openlijker en brutaler. Ja, ze zeggen je ronduit dat jij en jouw leven, je familie en je kinderen niets betekenen, dat je stom bent en volgzaam, dat men met je kan doen wat men wil. Ze beloven je geen persoonlijke vrijheid maar nationale vrijheid. Ze beloven je geen menselijk zelfrespect maar respect voor de staat, geen persoonlijke grootheid maar nationale grootheid. Omdat 'persoonlijke vrijheid' en 'grootheid' vreemde woorden voor je zijn, terwijl 'nationale vrijheid 'en 'staatsbelangen' je doen watertanden zoals een been dat bij een hond doet, bejubel je ze. Geen van deze kleine mannen betaalt de prijs voor echte vrijheid, die Giordano Bruno, Jezus, Karl Marx of Lincoln moest betalen. Ze verachten je, ze houden niet van je, omdat je jezelf veracht, kleine man. Ze kennen je precies, veel beter dan Rockefeller of de Tories je kennen. Ze kennen je grootste zwakheden zoals jij ze zou moeten kennen. Ze hebben jou opgeofferd aan een symbool en jij geeft ze macht over jou. Je meesters zijn door jou zelf aan de top gebracht en worden door jou gevoed hoewel of juist omdat ze alle maskers lieten vallen. Ze hebben het je vaak en duidelijk gezegd: je bent een minderwaardig mens zonder verantwoordelijkheid, en je zal zo blijven. En jij noemt ze "Nieuwe Verlossers" en juicht: Heil, Heil en Viva, Viva!
Daarom ben ik bang voor je, doodsbang. Want van jou hangt het lot van de mensheid af. Ik ben bang voor je omdat je voor niets zo erg vlucht als voor jezelf. je bent ziek, erg ziek, kleine man. Het is niet jouw schuld. maar het is jouw verantwoordelijkheid van deze ziekte af te komen. Je zou allang je ware onderdrukkers van je afgeschud hebben als je onderdrukking niet getolereerd en haar vaak ondersteund had. Geen politie ter wereld zou machtig genoeg zijn om je te onderdrukken als je alleen maar in het praktische dagelijkse leven een greintje zelfrespect zou hebben. Als je diep in je binnenste werkelijk zou weten dat zonder jou het leven nog geen uur verder zou gaan. Heeft jouw bevrijder je dat verteld? Hij noemde je de 'proletariërs aller landen' maar hij vertelde je niet dat jij, en alleen jij verantwoordelijk bent voor jouw leven en niet voor de 'eer van het vaderland'.
Je moet je er bewust van worden dat je jouw kleine mannen tot je eigen onderdrukkers verheven hebt en dat jij je ware grote mannen tot martelaren gemaakt hebt; dat je ze kruisigde, vermoordde en liet verhongeren; dat je je om hen en hun zorgen om jou niet bekommerde; dat je geen idee hebt aan wie je het weinige waarvan je geniet te danken hebt.
"Ik wil je levensfilosofie weten, voordat ik je vertrouw'.
Wannneer je mijn levensfilosofie hoort zal je naar je officier van justitie rennen, of naar het 'Komitee voor on-amerikaanse aktiviteiten' of naar de F.B.I. of naar de G.P.U., of de 'sensatiepers', of naar de K.K.K., of de enig ware "Leider aller proletariërs van de wereld", of je zal eenvoudig wegrennen.
Ik ben geen rode, of zwarte, of blanke, of gele. Ik ben geen Christen, en geen Jood en geen Mohammedaan en geen Mormoon, en geen polygamist en geen homosexueel en geen anarchist en geen bokser.

Ik neem een vrouw in mijn armen omdat ik van haar hou en naar haar verlang en niet omdat ik een trouwakte heb of omdat ik sexueel uitgehongerd rondloop.
Ik sla geen kinderen, ik vis niet en ik jaag niet op herten of konijnen, maar ik ben een goed schutter en hou ervan in de roos te schieten.
Ik speel geen bridge en geef geen party's om mijn theorieën te verspeiden.
Ik onderwerp mijn werk aan geen enkele kontrole van een gezondheidsinspekteur, wanneer hij het niet beter beheerst dan ik. En ik bepaal wie de kennis van mijn ontdekking bezit, en wie niet.
Ik hou me nauwkeurig aan ieder wettelijk voorschrift, wanneer het zinvol is, maar ik bestrijdt het, wannneer het niet langer nut heeft, of zinloos is. (Ren niet naar de officier van justitie, kleine man, want hij doet hetzelfde als hij een fatsoenlijk men is.)
Ik wil dat kinderen en jongeren hun lichamelijk liefdesgeluk ervaren en ongestoord genieten.
Ik geloof niet dat je, om religieus te zijn in de goede, ware zin, je liefdesleven kapot moet maken en lichamelijk en geestelijk rigide moet worden, moet verschrompelen en moet verrotten.
Ik weet dat wat jij 'god' noemt werkelijk bestaat, maar anders dan je denkt: als kosmische oerenergie in het universum, als de liefde in je lichaam, als je eerlijkheid en je gevoel van de natuur in je en buiten je.
Ik zou ieder mijn huis uitgooien, wie het ook mag zijn, die, onder welk vaag voorwendsel ook, mij mijn medische of opvoedkundige werk met de patient of het kind zou willen belemmmeren.
En ik zou hem in iedere rechtszaal een paar simpele en duidelijke vragen stellen, die hij niet zou kunnen beantwoorden, zonder zich voor altijd te schande te maken. Want ik ben een werkend mens die weet wat een mens werkelijk innerlijk is, die weet dat hij iemand is, en die wil dat het werk de wereld regeert en niet de opvatting over het werk. Ik heb mijn eigen opvatting, en ik kan de leugen van de waarheid onderscheiden, die ik ieder uur van de dag gebruik als een stuk gereedschap en die ik, na gebruik, schoonmaak en schoonhou.
Ik ben ontzettend bang voor je, kleine man. Dat is niet altijd zo geweest. Ikzelf was een kleine man, temidden van miljoenen kleine mannen. Toen werd ik een natuuronderzoeker en psychiater, en ik leerde zien, hoe erg ziek en hoe gevaarlijk jij in je ziekte bent. Ik leerde zien dat het jouw ernstige geestelijke stoornis is, en niet een niets ontziende macht van buitenaf, die jou ieder uur van de dag onderdrukt, ook in afwezigheid van uitwendige drang.
Je zou je tirannen allang overweldigd hebben als je innerlijk levend en gezond van zinnen geweest zou zijn. Je onderdrukkers stammen vandaag de dag uit je eigen rijen, zoals ze in het verleden uit de hogere lagen van de maatschappij stamden. Het zijn nog kleinere mannetjes dan jij, kleine man. Want er is een flinke hoeveelheid kleingeestigheid voor nodig jouw nood uit eigen ervaring te kennen en jou met deze kennis nog beter en nog sterker te onderdrukken.
Je hebt geen gevoel, geen oog voor de waarachtig grote man. Zijn wezen, zijn lijden, zijn verlangen, zijn zorgen, zijn strijd voor jou zijn verre vreemde zaken voor je. Je begrijpt niet dat er mannen en vrouwen zijn die niet in staat zijn je te onderdrukken of uit te buiten. Mannen en vrouwen die willen dat je vij bent, echt, waarachtig vrij. Je houdt niet van deze mannen en vrouwen, want ze zijn jou wezensvreemd. Ze zijn eenvoudig en eerlijk; voor hen is de waarheid wat voor jou levenstaktiek is. Ze zien door je heen, niet met minachting, maar met pijn over het menselijk lot; maar jij voelt dat er door je heen gekeken wordt en ervaart een gevaar. Je erkent ze pas dan, kleine man, wanneer vele andere kleine mannen je zeggen dat ze groot zijn. Je bent bang voor de grote man, zijn dicht bij het leven staan en zijn liefde voor het leven. En de grote man houdt simpel van je als een levend dier, als een levend wezen. Hij wil je niet zien lijden, zoals je al duizenden jaren lijdt. Hij wil je geen onzin horen praten, zoals je al duizenden jaren praat. Hij wil je niet als een werkpaard beleven, omdat hij van het leven houdt en het vrij van lijden en smart wil.
Je drijft de echte grote mannen ertoe, je te verachten, vol smart, voor jou en je kleinzieligheden weg te kruipen, je te mijden, en het ergste van alles, medelijden met je te hebben. Ben je, kleine man, toevallig psychiater, laten we zeggen een Lombroso, dan bestempel je de grote man tot een soort misdadiger of mislukt misdadiger, of psychische gestoorde.

Want de grote man ziet rijkworden of een huwelijk van stand voor zijn dochters, of een politieke carrière, of akademische titels niet als het doel van het leven, zoals jij. Je noemt hem daarom een 'genie' of een 'zonderling', omdat hij niet is zoals jij is. Hij is echter bereid te zeggen dat hij geen genie maar een gewoon levend wezen is. Je noemt hem asociaal wanneer hij liever met zijn gedachten alleen is, dan op jouw lege kletserige 'fuifjes'. Je noemt hem krankzinnig, wanneer hij zijn geld aan wetenschappelijk onderzoek uitgeeft, in plaats van het, zoals jij, in aandelen te beleggen. In je afgrond-diepe degeneratie waag je het de eenvoudige, eerlijke man als 'abnormaal' tegenover jezelf te plaatsen, het prototype van 'normaalheid'.
Je meet hem naar jouw kleingeestige maatstaven en je vindt dat hij niet voldoet aan de eisen van jouw normaliteit. Je ziet niet en weigert te weten, kleine man, dat je hem die vol liefde en en hulpvaardigeheid voor jou is, uit het sociale leven drijft, omdat je het onverdragelijk gemaakt hebt, zowel in de kroeg als in de feestzaal. Wie heeft hem gemaakt tot wat hij, na vele tientallen jaren dodelijk lijden, schijnt te zijn? Jij hebt hem zo gemaakt met je afschuwelijkheid, met je benauwdheid, je foute denken, je 'rotsvaste' overtuigingen die geen tien jaar sociale ontwikkeling lang meegaan. Denk maar even aan alles wat je alleen al in de jaren tussen de eerste en de tweede wereldoorlog beweerd en als juist gezworen hebt. Hoeveel heb je daarvan teruggenomen, eerlijk ervan ingezien dat het onjuist was? Helemaal niets, kleine man! Wel, de echte grote man denkt voorzichtig, maar ver in de tijd vooruit, wannneer hij eenmaal een gedachte gevormd heeft. Jij bent het, kleine man, die de grote man tot paria maakt, wannneer zijn gedachte juist en blijvend is, en jouw gedachte kleingeestig is en tekort schiet.
Terwijl; je hem tot paria maakt, plant je de verschrikkelijke kiem van de eenzaamheid in hem. Ik bedoel niet de kiem van de eenzaaamheid die grote daden voortbrengt, maar de kiem van de angst, door jou verkeerd begrepen en mishandeld te worden. Want jij bent 'het volk' 'de publieke opinie', 'het sociale geweten'.
Heb je, kleine man, ooit eerlijk erover nagedacht, welke reusachtige verantwoordelijkheid deze woorden inhouden? Heb je je ooit (wees nu eens eerlijk!) afgevraagd, of je, gezien vanuit het standpunt van het sociale gebeuren op lange termijn, of van de natuur, of van grote menselijke daden zoals bv. van Jezus, goed of fout denkt? Je hebt je niet afgevraagd, wat je buurman ervan zeggen zal, of, of je eerlijkheid je geld zal kosten. Dit, kleine man, en niets anders, heb je je afgevraagd.
Nadat je nu de grote man in de eenzaamheid gedreven hebt, ben je vergeten wat je hem aandeed. Je hebt zelfs nog eens onzinnigheid gezegd, nog eens een klein gemeenheidje uitgehaald, nog eens diep gekwetst. Jij vergeet, maar het behoort tot het wezen van de grote mensen, niet te vergeten, zich niet te wreken maar te BEGRIJPEN, WAAROM JIJ ZO LULLIG DOET. Ook dit is je vreemd, ik weet het. Maar geloof van me: Wanneer je honderden, duizenden, miljoenen keren pijn doet, wonden aanbrengt, die niet te helen zijn, ook wanneer je het in het ogenblik na de kleine misdaad niet meer weet, wat je deed, lijdt de grote mens in jouw plaats voor jouw misdaden, niet omdat ze groot, maar omdat ze kleingeestig zijn. Hij zou willen begrijpen, welke drijfveren je hebt om je huwelijkspartner te bezoedelen, wanneer hij of zij je teleurgesteld heeft, je kind te kwellen, omdat het niet aardig tegen de boze buurman is, je vriend te bedriegen, de vriendelijke mens spottend te bekijken en hem uit te zuigen, je voor de zweep te buigen, te nemen waar gegeven, en te geven waar geëist wordt, maar nooit te geven, waar liefdevol gegeven wordt; de gevallenen of de vallenden nog een laatste trap na te geven; te liegen, waar de waarheid op zijn plaats is, en de waarheid i.p.v. de leugen te vervolgen. Je staat altijd aan de kant van de vervolger, kleine man, om jouw waardeloze vriendschap te verwerven, moet de grote mens zich aan jou aanpassen, jou naar de mond praten, zich met jouw deugden tooien. maar hij zou niet groot en waar zijn en eenvoudig, wanneer hij jouw deugden, jouw taal, jouw vriendschap zou hebben!! Je kan je er makkelijk van overtuigen, dat je vrienden die je naar de mond praten, nooit grote mensen waren: ik bewijs wat ik net gezegd heb.
Je gelooft het niet, dat jouw vriend iets groots zou kunnen presteren. Je veracht jezelf in het geheim, ook dan, en juist dan wanneer je je waardigheid toont; en daar je jezelf veracht, kan degeen die je vriend is niet achten. Je kan niet geloven dat zomaar iemand met wie je aan tafel zat of in een huis samenwoonde een grote prestatie kan leveren. Daarom waren alle grote mensen eenzaam. In jouw nabijheid kan je niet goed denken, kleine man.
Alleen over jou en om jou kan je denken. Niet met jou. Want jij verstikt iedere grote, vergaande gedachte. Als moeder zeg je tegen je kind dat nadenkt: 'Dat is niets voor kinderen."Als professor in de biologie zeg je: 'Dit is niets voor behoorlijke studenten! Twijfelen? Aan de kiemen in de lucht?' Als leraar zeg je: 'Kinderen moeten stil en braaf en niet eigenwijs zijn.'
Als echtgenote zeg je: 'Ontdekking! Een ontdekking heb je gedaan? Waarom ga je niet netjes naar kantoor en verdien je het levensonderhoud voor je gezin!' Maar wanneer het in de krant staat, kleine man, geloof je het, of je het nu bgrijpt of niet.
Ik zeg je, kleine man: je hebt het gevoel voor het beste in je verloren. Je hebt het verstikt, en je vermoordt het, overal waar je het in anderen ontdekt, in je kinderen, in je vrouw, je man, je vader en je moeder. Je bent klein en je wilt klein blijven, kleine man.
Je vraagt, hoe ik dit alles weet? Ik zal het je zeggen: ik heb je meegemaakt, met je meegemaakt, jou in mezelf meegmaakt, je als dokter van je kleinzieligheden bevrijd, je als opvoeder vaak op het pad van de openheid en eerlijkheid geleid. Ik weet hoezeer je tegen de openheid was, welke doodsangst je overvalt wanneer je je echte aard volgen moet.
Je bent niet alleen maar klein, kleine man. Je hebt, ik weet het, je 'grote ogenblikken' in het leven, je kent 'verheffing' en 'verlichting'. Maar je hebt de volharding niet, steeds hoger en hoger te stijgen, door je 'verlichting' steeds hoger te worden gedragen. Je bent bang om te stijgen, je bent bang voor hoogte en diepte. Dat heeft Nietzsche je al veel beter dan ik gezegd. Maar Nietzsche zei je niet waarom je zo bent. Hij wilde je tot 'Übermensch' verheffen, om boven het menselijke in je uit te stijgen. Zijn Übermensch werd tot jouw Führer Hitler. En jij bleef de 'Üntermensch'.
Ik wil dat je ophoudt Untermensch te zijn en dat je jezelf wordt. 'Jezelf', zeg ik!
Niet de krant, die je leest, niet de mening van de boze buurman, die je hoort, maar 'jezelf'. Ik weet en jij weet niet, wat en hoe je werkelijk in het diepst van je wezen bent. Je bent heel diep wat een ree, je God, je dichter, je wijze man is. Maar jij gelooft alleen dat je lid van de vereniging van oorlogsveteranen, van de kegelklub of van de K.K.K. bent. En omdat je dat gelooft, handel je zoals je doet. Ook dit heeft Heinrich Mann in Duitsland je vijfentwintig jaar geleden al gezegd; dit hebben Upton Sinclair en Don Passos in Amerika je gezegd.
Maar jij hebt noch Mann, nog Sinclair gekend. Je kent alleen de bokskampioen en Al Capone. Als je voor de keuze wordt gesteld om een bibliotheek of een knokpartij te bezoeken, zal je ongetwijfeld de knokpartij kiezen,
Je bedelt om geluk in het leven, maar zekerheid is belangrijker voor je, ook wannneer het je ruggegraat, ja, je hele leven kost. Omdat je nooit geleerd hebt geluk te scheppen, te genieten, te beschermen, ken je de moed van de oprechten niet. Je wilt weten, kleine man, hoe je bent? Je luistert naar de reclame voor laxeermiddelen of voor tandpasta of voor schoensmeer of voor deodorants op de radio. Maar je hoort de muziek van de propaganda niet. Je hoort de bodemloze domheid en de walgelijke smakeloosheid van de loktonen niet, die bestemd zijn jouw oor te bereiken. Heb je ooit aandachtig de grappen gehoord, die de grappenmaker in de nachtklub over je maakt? Over jou, over zichzelf, over jouw hele, kleine, miserable wereld? Luister naar je laxeermiddelen-reklame en je zal vernemen wie en hoe je bent.
Luister, kleine man: De ellende van het menselijk bestaan wordt door iedere kleingeestige misdaad van jou extra benadrukt. Elk van jouw kleingeestigheden laat de hoop op verbetering van je lot nog een stukje meer vervliegen. Dit is een aanleiding voor verdriet, kleine man, tot diepe, hartversheurende droefheid. Om dit verdriet niet te voelen, maak je kleine, idiote moppen, en je noemt het 'volkshumor'.
Je hoort de mop over jou, en je lacht hartelijk mee. Je lacht niet omdat je vol humor met jezelf spot. Je lacht om de kleine man, maar je vermoedt niet dat je om jezelf lacht, dat men om jou lacht. En de miljoenen kleine mensen weten niet dat men om ze lacht. Waarom lacht men om jou, kleine man, zo hartelijk, zo vaak, zo vol leedvermaak en al die eeuwen lang? Is het je wel eens opgevallen, hoe belachelijk men het volk in de film voorstelt?
Ik zal je zeggen, kleine man, waarom men om je lacht, want ik neem je zeer, zeer serieus!
Je denkt altijd een eeuwig aan het ware voorbij zoals een speelse scherpschutter steeds weer haarscherp naast de roos van de schietschijf schieten kan. Je ontkent dat je dat doet? Ik lever het bewijs:
Je zou je allang tot meester van je bestaan verheven hebben, wanneer je in de richting van de waarheid zou denken. maar jij denkt zo: De joden zijn van alles de schuld' 'Wat is een jood?' vraag ik je.
Mensen die joods bloed hebben', is je antwoord. 'Hoe onderscheidt je joods bloed van een ander bloed'? Deze vraag overbluft je. Je aarzelt, raakt in de war en antoordt:
'Ik bedoel het joodse ras'. 'Wat is ras?' vraag ik. 'Ras? Dat is toch heel duidelijk! Zoals er een Duits ras bestaat, bestaat er ook een joods ras'. 'Welke kenmerken heeft het joodse ras?' 'Een jood is donker, heeft een lange kromme neus en scherpe ogen. De joden zijn gierig en kapitalistisch.' 'Heb je ooit een Zuidfransman of een Italiaan met een jood samen gezien? Kan je ze van elkaar onderscheiden?' '...Nee, eigenlijk niet...
'Wat is nou een jood? Wat het bloed betreft is er geen verschil met ander menselijk bloed. Naar uiterlijk bestaat er gen verschil met fransen of italianen. En heb je wel eens Duitse joden gzien?' 'Ze zien er als Duitsers uit.' 'En wat is een Duitser?' 'Een Duitser hoort tot het noord-arische ras.' 'Zijn Indiërs Ariërs?' 'Ja' 'Zijn ze noords?' 'Nee' 'Zijn ze blond?' 'Nee.' 'Zie je, je weet niet wat een Duitser en wat een jood is.' 'Maar er zijn toch joden!' 'Zeker er zijn joden zoals er christeren en mohammedanen zijn.'
'Ik bedoel de joodse religie.' 'Was Roosevelt een Hollander?' 'Nee.'
'Waarom noem je dan een afstammeling van David een jood, wannneer je Roosevelt geen Hollander noemt?' 'Met de joden ligt het anders.' Wat is anders?' 'Wat is anders?' 'Ik weet het niet.'
Zo zwam je, kleine man. uit je geklets vorm je gewapende formaties en deze formaties doden 10 miljoen mensen als 'joden', hoewel je niet weet aan te duiden, wat een jood is. Daarom lacht men je uit, mijdt men je, wanneer men ernstige dingen te doen heeft, daarom steek je tot je nek in de modder. Wanneer je 'jood' zegt, voel je je verheven. Je voelt je meer, omdat je je ellendig voelt. Je voelt je ellendig, omdat jezelf precies dat bent, wat je in de zogenaamde joden uitmoordt.
Dat is maar een klein stukje waarheid over jou, kleine man.
Je voelt je kleingeestigheden minder, als je verachtelijk of hoogmoedig 'jood' zegt. Dat heb ik pas kortgeleden ontdekt. Je noemt alleen die geen 'jood' die jou teveel of te weinig respekt betoont. En je wil geheel eigenmachtig, als door een hogere macht, als door een hogere macht naar de aarde gezonden, bepalen, wie 'jood' is. Maar ik ontzeg jou dat recht, kleine ariër en jood. Ik ben de enige op de wereld die te bepalen heeft, wie ik ben en niemand anders. Ik ben biologisch en kultureel van gemengd ras en ik ben er trots op het geestelijk en lichamelijk resultaat te zijn van alle klassen en rassen en naties, en niet zuiver van ras zoals jij, noch zuiver van klasse zoals jij, nog chauvinistisch zoals jij, kleine fascist van alle naties, rassen en klassen. Ik hoorde dat je een joodse techicus niet in Palestina wilde hebben, omdat hij niet besneden was. Ik heb bijgevolg ook met de joodse fascist niets, totaal niets gemeen. Ik raak niet bewogen door de joodse taal, de joodse goderij en joodse cultuur. Ik geloof evenmin in de joodse als in de christlijke of indische god, maar ik begrijp waar jij je god vandaan haalt. Ik geloof niet dat het joodse volk het 'enige' of 'uitverkoren' volk van god is.
Ik geloof dat het joodse volk zich eens in de massa mensdieren van deze planeet zal verliezen, in zijn eigen voordeel en dat van zijn kleinkinderen. Dat hoor je nou niet graag, kleine joodse man, want je geeft zo hoog op van je jodendom, omdat jij jezelf als JOOD veracht, en ieder die je nastaat. De ergste jodenhater is de jood zelf. Dit is een oude waarheid. Toch veracht ik je niet en haat ik je niet. Ik heb alleen met jou niets gemeen, of niet meer gemeen dan een chinees met een wezel in Amerika, namelijk de gemeenschappelijke oorsprong uit het heelal. Waarom ga je maar tot Sem en niet tot het protoplasma terug, kleine jood? Voor mij begint het leven met de plasma beweging, en niet met jouw rabbinaat.
Het duurde vele miljoenen jaren om jou van een zeekwal in een viervoetig landdier te ontwikkelen. Jou biologische afwijking in de vorm van rigiditeit duurde slechts zesduizend jaar. Het zal honderd of vijfhonderd of vijfduizend jaar duren, totdat je de zeekwal in je ontdekt.
Ik heb de zeekwal in je ontdekt en haar in klare taal beschreven. Toen je dit voor de eerste keer hoorde, noemde je me een genie. Je herinnert je nog goed, het was in Skandinavië toen je naar een nieuwe Lenin zocht. Ik had echter belangrijker dingen te doen en liet het afweten. Je hebt me ook tot een nieuwe Darwin, of Marx, of Pasteur of Freud uitgeroepen. Ik zei toen al tegen je, dat je precies zo spreken en schrijven kon als ik, wanneer je niet steeds Heya, heya, heyaya riep, jij uitverkorene! Want dit overwinningsgebrul doodt je geest en verlamt je scheppende natuur...

De slotpagina's
Zeg ze, dat je geen tijd hebt voor hun oorlog, dat je belangrijker dingen te doen hebt. Baken bij iedere grote stad op aarde een veld af met hoge bakstenen eromheen en laat de diplomaten en maarschalken elkaar persoonlijk neerknallen. Dit, kleine man, zou je moeten doen eigenlijk als je niet meer Heya, heya, heyaya schreeuwen zou en niet meer geloven zou dat je helemaal niemand bent en geen eigen mening hebt, en wie zou je dan wel zijn, om...!
Het ligt allemaal in jouw hand, je leven, en dat van je kinderen net zo goed als je hamer of je stehoskoop! Ik weet, je schudt je hoofd, gelooft dat ik een utopist ben... of wel een 'rooie'?
Je vraagt wanneer jouw leven goed en zeker zal zijn, kleine man; het antwoord is jou wezensvreemd.
Jouw leven zal goed en zeker zijn als het leven meer voor je betekenen zal dan zekerheid, liefde meer dan geld, je vrijheid meer dan partijmening of de openbare mening; als de stemming van de muziek van Beethoven of Bach de stemming van jouw totale bestaan wordt (je hebt haar in je, kleine man, ergens diep verborgen in een hoekje van je wezen!); als je denken in harmonie, en niet meer in tegenspraak met je gevoel zal funktioneren; als je je gaven bijtijds begrijpen en je ouder worden bijtijds erkennen zal; als je naar de gedachten van de grote wijzen en niet langer naar de wandaden van grote krijgers zal leven; als de leraren van je kinderen en niet de politici door jou beter beloond zullen zijn, als je een trouwboekje niet langer hoger zal schatten dan de liefde tussen man en vrouw; als je je denkfouten bijtijds, en niet te laat zoals nu, erkennen zult; als je verlichting bij het aanhoren van waarheden, en afgrijzen bij de aanblik van formailiteiten zult voelen; als je met je kollega's in vreemde landen direkt en niet meer via diplomaten kontakt zal hebben; als het liefdesgeluk van je opgroeiende dochter je hart van vreugde zal doen zwellen en niet meer zoals nu van woede zal doen beven; als je alleen maar hoofdschuddend aan de tijd waarin men de kleine kinderen het aanraken van hun geslachtsorganen verbood en bestrafte zal kunnen denken; als de gezichten op de straten vrijheid, bewegelijkheid, vreugde en niet meer droefheid en ellende zullen uitdrukken; als hun lichamen niet meer zoals nu met teruggetrokken, verstijfde bekkens en koudgeworden geslachtsorganen op deze aarde zullen wandelen.
Je wilt leiding en advies, kleine man. Je had leiding en advies voor duizenden jaren heen, zowel goede als kwade. Het lag niet aan de kwade adviezen maar aan jouw kleinheid dat je nog steeds in de ellende zit. Ik zou je goede adviezen kunnen geven maar jij zou niet in staat zijn, zoals je denkt en bent, om ze ook daadwerkelijk tot het welzijn van allen om te zetten.
Raadde ik je soms aan alle diplomatie opeens te stoppen en in haar plaats jouw vak en persoonlijke broederschap met alle schoenmakers, smeden, schrijvers, machinisten, technici, artsen, opvoeders, meubelmakers, journalisten, administrateurs, mijnwerkers en boeren van Engeland, Duitsland, Rusland, Amerika, Argentinië, Brazilië, Palestina, Arabië, Turkije, Scandinavië, Tibet, Indonesië, enz. te zetten, alle schoenmakers van de wereld zich laten beraden over de vraag, hoe men op zijn best de Chinese kinderen van schoenen voorziet; alle mijnwerkers zelf laten uitvinden, hoe men overal het bevriezen van mensen uitroeit; de opvoeders van alle landen laten begrijpen, hoe men alle pasgeborenen voor latere impotentie en geestesziekten behoedt enz.; wat zou je dan doen, kleine man, gekonfronteerd met deze vanzelfsprekendheden van een menselijk leven?
Je zou mij met zekerheid zelf of door de mond van een of andere vertegenwoordiger van jouw partij- kerk- regerings- of vakorganisatie tegenhouden (als je me niet direkt als 'rooie' zou opsluiten)
'Wie ben ik dan wel om het internationale diplomatieke verkeer door het internationale verkeer van de arbeid en van de sociale prestatie te vervangen?'
Of:
'Wij kunnen nationale verschillen in de ontwikkeling van de ekonomie en kultuur niet opheffen!'
Of:
"Moeten we ons met de fascistische Duiters of Japanners en met de kommunistische Russen of met de kapatilistische Amerikanen inlaten?'
Of:
'Ik ben allereerst een in mijn Russische, Duitse, Amerikaanse, Engelse, Joodse en Arabische vaderland geïntresseerd burger.'
Of:
'Ik heb genoeg aan mijn hoofd met het ordenen van mijn eigen leven met mijn kleermakers vakbond. Laat iemand anders voor de kleermakers van ander naties zorgen.'
Of :
'Luister niet naar deze kapitalisten, bolsewieken, fascisten, trotzkisten, internationalisten, seksualisten, dromers, utopisten, opstokers, fantasten, dwazen, individualisten en anarchisten! Hebben jullie dan geen Amerikaans, Russisch, Duits, Engels of Joods zelfbewustzijn?"
Je zou met absolute zekerheid één van deze of andere slagzinnen gebruiken voor je gebrek aan verantwoordelijkheid voor het menselijk verkeer.
'Ben ik dan helemaal niets waard? Je laat geen enkele fatsoenlijke karakertrek aan mij bestaan! Je trapt me tot moes. Ik ben toch een mens die hard werkt, zijn vrouw en zijn kinderen voedt, zijn leven fatsoenlijk probeert vorm te geven, zijn land dient! Zo heel slecht kan ik dus niet zijn!'
Ik weet dat je een fatoenlijk, solidair, werkzaam levend wezen bent zoals een bij of een mier. Ik heb ook alleen de kleine man in je onthuld, die je leven kapot breekt en door de duizenden jaren heen kapot brak. Je bent GROOT, kleine man, als je niet klein en kleingeestig bent. Je grootheid, kleine man, is de enige joop, die ons overblijft. Je bent groot, als je je handwerk doet, het liefdevol bedrijft, vreugde vindt in het houtsnijden, in het bouwen en schilderen en dekoreren en het zagen en in de hemel en in het blauw en in de zee en in de morgendauw en in de muziek en dans, in je opgroeienden kinderen en in mooie lichamen van je vrouw en van je man; als je naar het planetarium gaat, om jouw sterrenhemel te begrijpen, naar een bibliotheek om te horen wat andere mannen en vrouwen over het leven denken. Je bent groot als je als bejaarde grootvader je kleinkind op je schoot houdt en hem uit verre voorbije tijden vertelt; als je met zijn lieve kinderlijke nieuwsgierigheid in de ongewisse toekomst kijkt. Je bent groot, moeder, als je je pasgeborene in slaap neuriet; als je met tranen in je ogen diep uit je hart voor het geluk van zijn toekomst bidt, als je ieder uur aan deze toekomst van je kind bouwt, door de jaren heen.
Je bent groot, kleine man, als je de goede, warme volksliederen zingt, of als je op de klank van een harmonika in een kring draait, want de volkliederen zijn goed en heilzaam en ze zijn overal op deze aarde gelijk. En je bent groot, als je tegen je vriend zegt:
'Ik dank mijn lot dat het mij vergund was om mijn leven vrij van vuil en begerigheid te leven, het groeien van mijn kinderen, hun eerste stamelen, grijpen, lopen, spelen, vragen, lachen en minnen te beleven; dat ik mijn gevoel voor de lente en zijn milde wind, voor het ruisen van de beek thuis en het zingen van de vogels in het bos zuiver en vrij bewaarde; dat ik me verre hield van het gezwam van boze buren; dat ik in de omarming van mijn echtgenote gelukkig was en de stroom van het levende in mijn lichaam voelde; dat ik het levende in mijn lichaam voelde; dat ik in verwarde tijden de richting van mijn wezen niet verloor en dat mijn leven zin en bestendigheid had. Want ik heb altijd naar mijn binnenste geluisterd en ik heb steeds de zachte manende stem gevolgd, die me zei: 'Er is niets buiten dit: het leven dat goed en gelukkig is om te leven! Volg je hart, ook als het je van het pad van beschroomde zielen afleidt. Word niet hard, ook als het leven je eens kwelt. En als ik op stille avonden, na gedane arbeid, met mijn geliefde, of mijn kind op het erf voor mijn huis zit, het ademen van de natuur voel, dan stijgt het lied in mij op, dat ik zo graag hoor, het lied van de velen, het lied van de toekomst: ... Ik omarm je, miljoenen...!' Dan smeek ik dit leven om op zijn rechten te staan, de verharden en de angstigen te bekeren die de muziek van de kanonnen laten klinken. Ze doen het alleen maar, omdat het leven hun ontvlood. En ik omarm mijn kleinzoon die mij vraagt: 'Vader! De zon is ondergegaan! Waarheen is de zon ondergegaan? Zal ze spoedig terugkomen?' En ik zeg hem: 'Ja, mijn zoontje, de zon zal spoedig terugkomen en ons vriendelijk verwarmen".

Ik ben aan het slot van mijn gesprek met jou gekomen, kleine man, maar wat ik je nog te zeggen heb is zonder eind. Als je mijn rede eerlijk en opmerkzaam hebt gelezen, zal je je ook daar als kleine man ontdekken, waarheen ik je niet gevoerd heb. Want het is altijd dezelfde toon, die al je kleingeestige handelingen en gedachten doortrekt.
Wat je mij nu altijd hebt aangedaan, of nog zal aandoen, of je me nu als redder aanbidt of als spion hangt of radbraakt, vroeger of later zal je uit nood begrijpen, dat ik de wetten van het levende ontdekte, en je het gereedschap gaf om je leven met wil en doel te besturen zoals je tot nu toe alleen machines kon besturen.
Ik was een trouw ingenieur van je organisme voor je. Je kindskinderen zullen mijn sporen volgen en goede ingenieurs van de menselijke natuur zijn. Ik heb het oneindig uitgestrekte rijk van het levende in je, van je kosmische wezen voor je geopend. Dit is mijn grote beloning.
De diktators en tirannen echter, de sluwen en de giftigen, de mestkevers en de hyena's roep ik de woorden van een oude wijze toe:
Ik plantte de banier van het heilige woord in
aarde.
Als de palmboom allang verdord is, de rots
ineengestort, als allang de stralende monarchen als
verrot gebladerte in stof uiteenwaaien:
Dragen door iedere zondvloed duizend arken mijn
woord: het zal standhouden!



dinsdag 4 oktober 2011

Ziek zijn

Natuurlijk is het gezeik. Al dat geleuter over je gezondheid. Maar wie houdt mij tegen?
Als je partner je er op wijst dat je net de rol keukenpapier in de ijskast hebt gezet is er iets aan de hand. Waar bemoeit zij zich tenslotte mee? Het papier waar ik net mijn neus in heb gesnoten heb ik immers keurig in de keukenla gegooid.
Eerder op de dag heeft echter ook een bezorgde collega je voorzichtig gepolst of je misschien niet te hard werkt. Omdat je na twee weken nog steeds met een hese keel rond loopt en je jezelf blijkbaar geen rust gunt om weer helemaal beter te worden.
En het is waar. Het zou kunnen zijn dat ik mezelf even te weinig rust gun. Maar hoe zou het anders moeten? Het schooljaar is nog geen maand oud en ik zou me nu al ziek moeten melden? Ga toch weg.

Toch heb ik er vandaag voor het eerst over nagedacht om eens een bezoekje te brengen aan de dokter. Mijn keel deed zo’n fucking pijn dat ik even bang was om weer mijn stem te verliezen.
Natuurlijk ben ik inmiddels van dit idee af gestapt. Ik wil niet eens weten wie mijn dokter is. Ik heb haar nooit gezien en heb hier ook geen behoefte aan.
Om nu net nadat ik zestig geworden ben toe te geven aan het aftakelproces dat nu zichtbaar begin te worden, vind ik een zwaktebod.
Daarom ben ik aan een intensief zelfmedicatietraject begonnen. Voor alle doe-het-zelvers die van hun keelpijn of verkoudheid af willen volgen hier enige adviezen.
1. Niet meer dat ene stickie opsteken voor het naar bed gaan. Hiermee wachten tot je weer opgeknapt bent.
2. Veel koude dranken drinken, maar zonder alcohol.
3. Waterijsjes eten
4. Kippensoep nuttigen.
5. Thijmhoning nemen
6. Gemberwortelsap maken en opdrinken met honing
7. Appel raspen, kaneel er over en thijmhoning, hierna met kleine hapjes opsnoepen
8. Stomen tot je een ons weegt
9. Heet water met citroen en een paracetamolletje nemen
9. Vroeg naar bed.

Inmiddels loopt mijn neus spontaan leeg over het toetsenbord. Helaas moet ik nog één toetsje maken. Vijf heb ik er al klaar. Mijn lessen voor morgen moet ik nog voorbereiden. Dat gaat ook wel lukken. Ik stort een ander keertje wel in.

zondag 2 oktober 2011

De barricaden op?

Wat was het een heerlijk zonnig dagje. Met uitzondering van degenen die moesten werken, in de gevangenis zitten, een zonneallergie hebben, depressief thuis zitten, vast hebben gezeten in de file, degenen die dit weekend de kinderen ter verzorging hadden en dus noodgedwongen naar de dierengaarde of een pretpark moesten en hen die ziek of stervend op bed liggen heeft iedereen een mooie dag gehad.
Helaas moest ik werken. Toetsen maken en nakijken. Maar gelukkig heb ik een uurtje gevonden om even met een Mojito op het heetst van de dag in de tuin te zitten.
Nadeel hiervan was wel dat alle anderen de schaduw hadden opgezocht en ik de klussende buren, het luidruchtige geklets om mij heen en muziek die mijn smaak niet is moest missen en mij dus niet kon ergeren. Dus het werd een saai uurtje bakken op mijn ligbed. Zo saai dat ik moest uitkijken om niet in slaap te vallen. En dat is riskant, want in een uur kun je flink verbranden.

Met een duf hoofd kroop ik later achter de computer en zag dat er in Amerika een volksbeweging op gang gekomen lijkt te zijn tegen het oppermachtige Wallstreet.
Ik was gelijk klaarwakker. Ik betoog wel vaker dat ons monetaire systeem niet klopt en dat wat mij betreft onze Kapitalistische Visie zijn langste tijd heeft gehad. Allemaal onredelijk ongenuanceerd en vooral ingegeven door mijn boosheid over wat wij het milieu en elkaar aan doen. Zeker, ik leef er goed van en heb geen alternatief. Dat heeft niemand. En dat maakt de problematiek er niet makkelijker op.
En nu beginnen ze opeens, zo lijkt het, te koeren over het terug dringen van de macht op Wallstreet. Dit muisje gaat een flink staartje krijgen. Of zou ik er weer naast zitten met mijn voorspellingen?
De symptomen van een cultuur die in een grote crisis zit zijn inmiddels overal te zien. Je kunt wel naar Scheveningen gaan en je kop in het strand steken, maar het blijft geen mooi weer. Ja, spannend allemaal.
Het is van alle tijden. Of het nu de Maya's zijn, Nostradamus of John v Geenen: in de toekomst kijken kunnen ze geen van allen. Tenzij de kosmische tijd inderdaad niet lineair maar op een andere wijze verloopt. Uhuh? Laat maar voor dit ogenblik. Ik hou mijn hersenspinsels nog even voor me tot ik ze goed onder woorden brengen kan.
Zoals Robert Long vroeger zong: Als de zon schijnt lijkt de wereld stukken beter
Maar de rottigheid gaat onverminderd voort.

zaterdag 1 oktober 2011

Eenzaamheid en huisdieren.

De week van de eenzaamheid is geloof ik voorbij. Ik voel me in ieder geval de laatste paar uren niet eenzaam meer. Gisteren zat ik nog peinzend uit het raam te staren. Ik had weer eens besloten dat ik mij eenzaam moest voelen.


Ik neem dat soort besluiten altijd als het gevoel van eenzaamheid weer te lang uitblijft. Als ik er dus te lang op moet wachten. Toegegeven, het is niet eerlijk tegenover de vele miljoenen om mij heen die zich spontaan eenzaam voelen, maar zij hebben daar een reden voor. Ik niet. Ik voel mij alleen eenzaam als het in de mode is. Want ik heb geen zin om anders te zijn dan zij (en zeker niet in 'de week van de eenzaamheid') en over enige tijd is eenzaamheid beslist weer 'not done'. Het mag dan wel zo zijn dat eind oktober de zeven miljardste aardbewoner wordt verwelkomd, maar wat heb ik daar aan? De wetenschap dat zelfs de aanwezigheid van zeven miljard anderen mijn eenzaamheid niet vermag te verdrijven maakt het alleen maar erger.

Eenzaamheid is erg. De momenten dat ik ook spontaan eenzaam kon worden heb ik diep weg geduwd in mijn herinneringen. Vaag weet ik wel dat het een kutgevoel was.
Nu blijkt dat het hebben van een huisdier als een uitstekend middel tegen de eenzaamheid wordt gezien. Sommige mensen zijn zo teleurgesteld in hun medemens dat ze nog wel een hond of kat om zich heen dulden maar geen andere mensen. Ze bouwen een intens sterke band met het dier op, dat misschien in andere landen gewoon op het menu staat.
Daar heeft 'hondenbrokken' een andere betekenis dan hier.
En als Fikkie of Miloes dan uiteindelijk toch de laatste adem uit blaast zijn hun baasjes ontroostbaar. Het door ouderdom afgetakelde karkas gaat niet naar een destructiebedrijf maar wordt onder de grond gestopt of gecremeerd.
Een foto van het dier op het dressoir moet de verdrietige eigenaar herinneren aan betere tijden. Fikkie is er niet meer, maar de herinnering aan zijn trouwe hondenogen en kwispelende staart wordt in ere gehouden.
Mocht de eigenaar onverhoopt eerder dood gaan, dan laat hij soms tot schrik van de erfgenamen een deel van zijn vermogen na aan de hond, die als erfgenaam nu tenminste verzekerd is van een verzorgde oude dag en niet zijn laatste dagen hoeft te slijten in het asiel.

Het is al weer enkele jaren geleden dat we zelf thuis een hond hadden. Natuurlijk ook tegen de eenzaamheid. Mijn kinderen waren eenzaam, Paula was het en waarschijnlijk was ik de meest eenzame van allemaal. Dus kochten we een hond.
Zo’n beest wordt deel van de familie. En evenmin als je gelijk je partner na diens dood inruilt voor een ander doe je dit met je huisdier als deze is overleden. Al zullen er altijd uitzonderingen zijn.
Als je echter het uitlaten van je hond zo vreselijk mist is er gelukkig een alternatief. Dat bewijst het volgende filmpje dat ik vandaag op internet vond.