Een paar maanden eerder had ik mijn
werkmanskleren voorgoed aan de kapstok gehangen. Een overhemd dat ik iets te
vaak gedragen had en dat bij de boorden versleten was. Een uitgelubberde grijze
broek, die ik aanvankelijk op moest houden met een riem, maar die mij, nu ik al
drie maanden niet meer voor de klas had gestaan, twee maatjes te klein was
geworden. Mijn tas vol gaten en scheuren lag op zolder ergens in een hoek.
Alle boeken en verslagen die ik de afgelopen jaren bewaard
had, alle mappen en handleidingen die ik ooit geschreven had, heel de zooi had
ik weggeflikkerd.
Het goede leven dat mij bij mijn pensionering was beloofd
bleek te bestaan uit laat naar bed gaan, lang uitslapen, teveel eten, drinken
en blowen. Een teveel aan alles wat slecht voor mijn gezondheid en mijn
geestelijk welbevinden was. Het kostte me moeite om het mezelf toe te geven,
maar ik zat in een rouwproces.
Ik miste mijn fijne collega’s, mijn energieke en leuke
leerlingen en de ergernis over het management, dat mij nu niet meer gek kon
maken met zijn belachelijke eisen.
Ik bleek opeens volledig overbodig te zijn en daar treurde
ik over. Het schip waarop ik zo lang op gediend had zou zinken zonder mij,
terwijl de kapitein de bemanning en de passagiers optimistisch moed in zou blijven
spreken totdat de oceaan zich boven iedereen gesloten had.
Had ik niet beter aan boord kunnen blijven en mee naar de
kelder kunnen gaan? Was ik niet als een vuile rat bezweken voor de verleiding
van de zak met geld die mij beloofd was als ik gebruik zou maken van de ‘ouderenregeling’,
waardoor ik vervroegd met pensioen kon gaan?
Daar zat ik dan eenzaam aan het eind van mijn feestje.
Vandaag geen collega’s die mij feliciteerden en mij een fijne avond toewensten.
Geen leerlingen die mij toezongen. Dat was allemaal geweest.
25 september 2013 was het de laatste keer dat ik koeken van
de Hema trakteerde aan de mensen waarmee ik zij aan zij geknokt had voor betere
werkomstandigheden en beter onderwijs.
De laatste keer dat ik na een chronisch slaaptekort stond te
hakkelen voor de klas terwijl de leerlingen mij allen een fijne verjaardag toe wensten.
Ik voelde mij een verrader nu ik mijn collega’s en mijn
leerlingen zo had laten barsten. Ik trok nog eens een flesje open. Het kostte
me enige moeite want ik kon nog steeds niet erg goed tegen alcohol. Maar ik
voelde dat ik dat wel zou leren in de stille jaren die nu voor me lagen.