De dood was onverwachts gekomen en nu zweefde ze in een oneindig grote ruimte in de richting van een groot diffuus licht. Om haar heen zag ze duizenden anderen in dezelfde richting zweven.
Een eindeloze migratie van zielen.
Ze herkende een van de andere passagiers die in het verongelukte vliegtuig had gezeten en zwaaide naar hem. Hij zwaaide terug.
Aangemoedigd door zijn reactie probeerde ze wat aardigs te zeggen, maar ze had geen stem. Dus lachte ze een beetje schaapachtig om haar hulpeloosheid en haalde haar schouders op.
Ze keek eens goed om zich heen. Nu herkende ze meer gezichten. Het oude stelletje dat voorin aan het gangpad had gezeten. De man met de cowboyhoed. Hij had zijn lege glas nog in zijn handen.
De twee stewardessen die haar zo vriendelijk geholpen hadden. De piloot. Ze waren er allemaal.
Wat ze niet begreep was dat ze het gevoel had geen lichaam te hebben, terwijl ze dat van de anderen duidelijk kon zien. En de man had terug gezwaaid, dus hij moest haar gezien hebben.
“Misschien kon je wel de anderen zien en zagen zij jou, maar kon je alleen jezelf niet zien.”, dacht ze.
Bovendien golden hier andere wetten dan op aarde. Dat was duidelijk. Daar had zij nog nooit iemand gezien die kon zweven, terwijl het leek alsof dit hier het enige was wat men kon doen. Zweven en zwaaien. Hoe noemden ze dat ook al weer? Een alliteratie. Dat was het woord.
Dat ze dit zich nog kon herinneren. Wat kon ze zich trouwens nog herinneren?
Ze deed haar best om op haar naam te komen, maar dit lukte haar niet. En ze wist ook niet meer of ze vroeger getrouwd was geweest of kinderen had gehad. Ze ontdekte tot haar verbazing dat ze alles van voor haar dood bijna helemaal vergeten was. Alsof ze nooit had geleefd. Ze wist nog wel dat ze een vrouw was geweest, maar wat dit inhield wist ze niet meer. Maar ook het gevoel dat ze vroeger een vrouw was geweest begon te vervagen.
Ze zag dat de anderen om haar heen steeds meer uit elkaar zweefden. De grote groep leek zich te verspreiden. De vriendelijke man waarnaar ze gezwaaid had en die ze zo-even bijna had kunnen aanraken was uit haar gezichtsveld verdwenen. Ook de stewardessen waren bijna weg.
“We gaan allen onze eigen weg na de dood”, bedacht ze en liet de gedachte weer los.
Ze zweefde nu helemaal alleen door de ruimte. Deze was eerst kleurloos geweest, maar begon nu een rose teint aan te nemen. De laatste resten van haar gedachten leken te verdampen. Ze kon niet meer denken en had daar ook geen behoefte aan.
Nu was ze enkel nog maar een vaag hunkeren. Een verlangen naar licht en warmte.
Om haar heen was het rose overgegaan in een donker rood.
Het voelde alsof ze omsloten was door een vochtige massa, die steeds meer tegen haar aan drukte.
Alsof ze door een koker werd geperst. Het licht werd feller en was nu niet diffuus meer. Vanuit de verte klonken flarden van geluiden.
Het leek of ze viel. Ze gleed door een zachte vochtige tunnel het licht tegemoet.
Opeens was het er allemaal tegelijk. Het felle licht, de harde geluiden.
En toen alleen nog maar warmte en zacht gefluister. De reis was opnieuw begonnen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten