Nu ben ik dood. Het heeft even geduurd en ze hebben hard moeten slaan, maar het is ze uiteindelijk gelukt. Ze hebben me bij de anderen op de stapel gesmeten. Niet eens de moeite genomen om me gelijk fatsoenlijk in een kuil te gooien. Dat zullen anderen morgen moeten doen, want ik stink nu al en het is nog niet eens twaalf uur geleden dat het gebeurde.
Het zal ze zijn tegengevallen. Die dachten natuurlijk dat het een eitje was.
Wat zullen ze gebaald hebben alle drie. Vooral die grote. Die was altijd gewend het karwei in drie minuten te klaren. Slecht voor zijn reputatie. Ze zullen hem uitlachen. Hem een mietje noemen.
Maar wat hadden ze dan gewild? Dat ik had meegewerkt? Dat ik lijdzaam al mijn botten had laten breken?
Enige weerstand hadden ze vast wel verwacht. Maar dit niet.
Wat ging die baard tekeer toen ik hem in zijn neus beet. Het bloed spoot er uit. Dat zal straks een mooi litteken worden.
Maar die kale vond ik toch de grootste klootzak. Jammer dat hij er zo goed van af is gekomen.
Ik zag gelijk dat ik niet veel goeds van hem te verwachten had. Zoiets voel je aan.
Je moet altijd op de ogen letten.
Hij zag me niet met zijn lege blik. Voor hem was ik slechts een klus die gedaan moest worden.
Een vakman. Thuis zal hij zeggen dat er die dag niets bijzonders is gebeurd. Een dag als alle andere.
Wat baal ik van dit soort lui. Beleven hun werk als een sleur en weten er nooit enig genoegen uit te halen. En ik mijn best maar doen om het spannend te maken. Je kunt je net zo goed zonder verzet gelijk je hersens in laten slaan.
Denk niet dat ik nu de stoere bink uit hang. Maar toen het gebeurde besefte ik het niet onmiddellijk.
Eigenlijk heb ik het nooit beseft. Het drong gewoon niet tot me door.
Ze hadden me vaker afgeranseld. Zomaar, voor de lol.
Ik ga nu niet vertellen wat ze precies gedaan hebben. Dat is niet belangrijk.
Er was alleen een helse pijn. Tot het laatst had ik het gevoel in brand te staan.
Vreemd genoeg was ik niet bang. Ik had verwacht vreselijk bang te zijn. Dat zeggen ze toch? Dat je in doodsangst verkeert als het zover is. Het zal de vermoeidheid wel zijn geweest. Man, wat was ik moe. Dagenlang niet geslapen met het licht in mijn cel aan. Steeds dat huiveringwekkende geschreeuw van de anderen. En slecht gegeten. Ik denk dat ik wel tien kilo ben afgevallen. Ik moet er niet uit hebben gezien. Zoiets roept walging bij anderen op. En woede. Ik denk dat de woede heeft overheerst.
Dat zoiets zich nog mens durft te noemen, zullen ze gedacht hebben. En dan zich ook nog eens beroept op zijn rechten. Maar ik kon er toch ook niets aan doen dat ik er niet meer uit zag zoals zij? Dat ik voor hen in een onmens was veranderd? Een wangedrocht dat vernietigd moest worden.
Dat neem ik ze wel kwalijk. Ze toonden zo weinig begrip. Ze deden niet één keer een poging om de zaak van mijn kant te zien.
Zo’n lichaam is een vreemd iets. Nu is het niet meer van mij. Ik heb er niets meer mee te maken. Het heeft zijn werk gedaan. Ik moet er nog aan wennen dat het voorbij is. De anderen hebben dit ook.
We wachten maar op de dingen die komen gaan. Het heeft geen zin om je druk te maken. Dat deed ik vroeger niet dus waarom zou ik het nu wel doen.
We zijn met z’n tienen. De jongste is achttien, de oudste bijna zestig. Het zijn aardige kerels. Ik mag ze wel. Maar ik verwacht niet dat we bij elkaar zullen blijven ook al gooien ze ons samen in een kuil.
Totdat duidelijk is wat er gebeuren gaat moeten we er maar het beste van maken. Ook dit moment zal wel weer voorbij gaan. Zoals alles voorbij gaat. Ze zeggen dat de dood eeuwig is, maar hoe kan iets blijven duren? Nee, ook de dood gaat weer voorbij. En dan zien we wel weer verder.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten