maandag 28 maart 2011

Niets leuker dan les geven.

De les begint. Veel zin om een ingewikkeld verhaal voor de klas te houden over allerlei uitkeringen die te maken hebben met arbeidsongeschiktheid heb ik niet.
Hoewel mijn keel niet zo’n pijn meer doet ben ik nog steeds een beetje verkouden en bovendien heb ik gisternacht geen oog dicht gedaan.
Om dan anderhalf uur tegen een volkomen ongeïnteresseerde meute toekomstige dienstverleners aan te ouwehoeren is niet erg aantrekkelijk. En slim is het ook niet, want na zo’n tien minuten moet je ze verzoeken om niet met elkaar te kletsen, hun i-Phone uit te doen en ze daarna minstens drie keer per kwartier vragen om op te letten.
Dus ik maak een aantal groepjes en verzoek hen met elkaar zoveel mogelijk vragen te maken. Natuurlijk moeten ze de antwoorden voor zichzelf ook opschrijven. Na een half uur mogen ze de vragen aan de andere leerlingen stellen. Waarna we kunnen vaststellen wie de meeste antwoorden goed heeft.
Langzaam komen ze op gang. Ik zie aan hun blik dat ik bij sommigen al de drang tot competitie heb getriggerd. Al heb ik nog geen idee hoe deze zich zal uiten.
Het eerste half uur is voor mij. Zacht fluisterend met elkaar maken ze de vragen. Zo mag ik het graag zien.
Op het bord teken ik een schema met namen. Een streepje achter de naam laat zien hoeveel vragen iemand goed beantwoord heeft.
Als het half uur voorbij is begint de eerste groep. “Hoe lang kun je een ziektewetuitkering krijgen?”
Iedereen begint te roepen. ”Twee jaar. Honderdvier weken.” Ik wijs iemand aan, die het goede antwoord geeft en zet een streepje achter haar naam.
“Dat is niet eerlijk, ik wist het ook.” Ze schreeuwen en gillen allemaal door elkaar heen.
Vraag twee. “Welke twee uitkeringen kent de WIA?”
Ook een makkelijke. Iedereen roept en gilt. Ze willen bijna allemaal laten merken dat ze het antwoord weten. Als ze de kans niet krijgen om hun verhaal te doen worden sommigen zelfs boos. Een enkeling gaat staan om zijn woorden kracht bij te zetten.
Na een tijdje pas ik de spelregels aan. Degene die de vraag opleest moet iemand aanwijzen die mag antwoorden. Dan moet die ander wel eerst z’n arm opsteken.
Maar zover komt het niet. De vraag is nog niet gesteld of men begint weer met te roepen. Armen zwaaien door de lucht. ”Hier, ik weet het.” Men rent door de klas en achter mijn rug worden scores uitgewist of schrijft men er juist streepjes bij.
Als er dan besloten wordt dat als een vraag niet beantwoord kan worden de vragensteller een punt krijgt is het hek van de dam.
Een jongen stelt een vraag. Niemand begrijpt hem. Iedereen vraagt om verduidelijking, maar deze blijft uit. Men begint luidkeels af te tellen van negen naar een en barst in gejuich uit als er dan nog steeds geen antwoord gegeven is. Of ik nu maar even een streepje achter alle namen van de groep wil zetten waar de jongen in zit. Leerlingen lopen nu door de klas heen, maken elkaar uit voor valsspeler en passen de score op het bord aan in eigen voordeel. Ik ben al lang de regie kwijt. Vijf minuten voor tijd besluit ik dat de les voorbij is. Lachend en opgetogen gaat iedereen weg.
“Dit was leuk. De volgende keer weer, meneer?” zegt een meisje met glinsterende ogen. Snel zet ik vijf streepjes achter haar naam. “Natuurlijk”, antwoord ik en geef haar een vette knipoog.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten