Ik moest me haasten om mijn trein nog op tijd te halen. Anders
zou ik misschien een kwartier later thuis zijn en was het eten mogelijk verpieterd.
Maar na de hele dag nauwelijks wat gegeten te hebben had ik zo’n trek in wat lekkers dat ik nog
even snel de Hema in schoot en daar een zakje
Japanse Peanut Mix kocht. Van die
pinda’s met een knapperig beige korstje waarin wat sesamzaadjes verwerkt zijn.
Ze zeggen dat je er niet dik van wordt en het leek me een niet al te ongezonde
keuze.
Snel schoot ik na mijn kleine zonde de roltrap op waar een paar NS-controleurs
op het perron alle reizigers alvast op een geldig vervoersbewijs controleerden.
Aan hun chagrijnige koppen te zien hadden ze nog geen potentiele zwartrijders
kunnen betrappen. Je zag ze denken “Als ze allemaal netjes de reis betalen waar
hebben ze mij dan nog voor nodig?”
Dan rennen naar de trein die overvol zat, er nog net op tijd
inspringen en mezelf tussen drie dames
op de bank proppen, die met strakke gezichten naar het schermpje van hun
smartphones staarden.
En waar ik ook verder keek, iedereen was vertrokken naar
zijn eigen virtuele wereld en onbereikbaar geworden voor zijn medereizigers.
Daar zat ik dan. Afgezien van het gesnotter en gerochel om mij
heen was het doodstil. Blijkbaar was iedereen onbekend voor elkaar.
Zo’n scene heeft
iets absurds en intimiderends. Een grote groep stilzwijgende mensen die liever
anoniem een korte tijd dezelfde ruimte en aanwezige lucht met elkaar deelden dan
elkaar aanspraken om wat basale
informatie uit te wisselen. Dat deden ze alleen via Facebook.
Nu vind ik het ook niet gepast om in mijn eentje te gaan
zitten snoepen als ik met zoveel mensen bijeen zit. Maar toen ik al die lege, vermoeide en elkaar ontwijkende blikken zag werd ik opstandig en haalde het krakende plastiek zakje
met noten uit mijn tas. Dit trok bij sommigen gelijk de aandacht. En het werd
nog erger toen ik de pinda’s met het knapperige jasje tussen mijn kiezen brak.
Het klonk in mijn hoofd als een lege emmer die omvalt in een eveneens lege
kerk. Wat een kabaal geeft dat.
Meerder hoofden wendden zich mijn kant op. Om zich daarna
onmiddellijk weer af te wenden en de blik te richten op het plaatje voor zich.
Zouden ze zich gestoord voelen? Dachten ze misschien “He makker, dat kan wel
wat zachter. Kun je die nootjes niet gewoon opzuigen?” Dachten ze sowieso eigenlijk
wel wat?
En plotseling zag ik haar een paar meter van me vandaan naar
me lachen. Een jonge vrouw met een lieve lach. Dachten we allebei hetzelfde?
Hadden we op dit ene ondeelbare moment even contact en zagen we beiden het
absurde van de situatie in?
En weet je, dat ene mistige, korte maar wezenlijke contact
gaf me even het gevoel dat ik in een treincoupé zat met mensen en niet met
robots. Toen ik uitstapte en langs haar liep zag ik dat zij de enige was die
niet met een smartphone in haar handen zat maar met een gewoon boek. En omdat ik
vond dat ze er zo leuk uitzag maakte ik mezelf wijs dat het natuurlijk een boek
was van gerecycled papier.