dinsdag 10 december 2013

Boek

Ik moest me haasten om mijn trein nog op tijd te halen. Anders zou ik misschien een kwartier later thuis zijn en was het eten mogelijk verpieterd. Maar na de hele dag nauwelijks wat gegeten te hebben  had ik zo’n trek in wat lekkers dat ik nog even snel de Hema in schoot en daar een zakje  Japanse Peanut Mix kocht.  Van die pinda’s met een knapperig beige korstje waarin wat sesamzaadjes verwerkt zijn. Ze zeggen dat je er niet dik van wordt en het leek me een niet al te ongezonde keuze. 
Snel schoot ik na mijn kleine zonde de roltrap op waar een paar NS-controleurs op het perron alle reizigers alvast op een geldig vervoersbewijs controleerden. Aan hun chagrijnige koppen te zien hadden ze nog geen potentiele zwartrijders kunnen betrappen. Je zag ze denken “Als ze allemaal netjes de reis betalen waar hebben ze mij dan nog voor nodig?”
Dan rennen naar de trein die overvol zat, er nog net op tijd inspringen  en mezelf tussen drie dames op de bank proppen, die met strakke gezichten naar het schermpje van hun smartphones staarden.
En waar ik ook verder keek, iedereen was vertrokken naar zijn eigen virtuele wereld en onbereikbaar geworden voor zijn medereizigers.
Daar zat ik dan. Afgezien van het gesnotter en gerochel om mij heen was het doodstil. Blijkbaar was iedereen onbekend voor elkaar. 
Zo’n scene heeft iets absurds en intimiderends. Een grote groep stilzwijgende mensen die liever anoniem een korte tijd dezelfde ruimte en aanwezige lucht met elkaar deelden dan elkaar aanspraken  om wat basale informatie uit te wisselen. Dat deden ze alleen via Facebook.
Nu vind ik het ook niet gepast om in mijn eentje te gaan zitten snoepen als ik met zoveel mensen bijeen zit. Maar toen ik al die lege, vermoeide en elkaar ontwijkende blikken zag werd ik opstandig en haalde het krakende plastiek zakje met noten uit mijn tas. Dit trok bij sommigen gelijk de aandacht. En het werd nog erger toen ik de pinda’s met het knapperige jasje tussen mijn kiezen brak. Het klonk in mijn hoofd als een lege emmer die omvalt in een eveneens lege kerk. Wat een kabaal geeft dat.
Meerder hoofden wendden zich mijn kant op. Om zich daarna onmiddellijk weer af te wenden en de blik te richten op het plaatje voor zich. Zouden ze zich gestoord voelen? Dachten ze misschien “He makker, dat kan wel wat zachter. Kun je die nootjes niet gewoon opzuigen?” Dachten ze sowieso eigenlijk wel wat?
En plotseling zag ik haar een paar meter van me vandaan naar me lachen. Een jonge vrouw met een lieve lach. Dachten we allebei hetzelfde? Hadden we op dit ene ondeelbare moment even contact en zagen we beiden het absurde van de situatie in?

En weet je, dat ene mistige, korte maar wezenlijke contact gaf me even het gevoel dat ik in een treincoupé zat met mensen en niet met robots. Toen ik uitstapte en langs haar liep zag ik dat zij de enige was die niet met een smartphone in haar handen zat maar met een gewoon boek. En omdat ik vond dat ze er zo leuk uitzag maakte ik mezelf wijs dat het natuurlijk een boek was van gerecycled papier.

zaterdag 7 december 2013

Frustratie.

Vanmiddag liep ik bij ons in het winkelcentrum toen ik Truus tegen kwam. Truus is een oud-collega van Paula en is net als zij een tijdje geleden met pensioen gegaan. Truus kwam in het verleden wel bij ons langs, maar de laatste twee jaar had ik haar niet meer gezien.
Belangstellend informeerde ze naar Paula en ik kon haar naar eer en geweten zeggen dat Paula echt van haar pensioen genoot en dat het verder goed met haar ging. Afgezien dan van wat kleine gezondheidsprobleempjes.
Al pratend over ditjes en datjes kwam het kunstwerk ter sprake dat sinds kort de gevel van het verzorgingstehuis in onze wijk siert. Volgende week zou de wethouder het officieel komen onthullen. Iedereen in de wijk had een uitnodiging ontvangen om er bij aanwezig te zijn. Speech waarin de kunstenaar zou worden geroemd en vastgesteld zou worden dat het geld goed was besteed, hapje en drankje en een zoen van de juffrouw. Zo ongeveer luidde het programma.
Nee, ik zou niet bij de onthulling aanwezig zijn, want ik vond het kunstwerk spuuglelijk. Ik dacht aanvankelijk dat het een soort kerstversiering was waarvan alleen de lampjes ontbraken en dat het slechts tijdelijk tegen de gevel was gespijkerd. Toen ik later hoorde dat het een kunstwerk was, was ik hoogst verbaasd.
Paula zou er ook niet zijn, want ze had jaren voor de thuiszorg in het verzorgingstehuis spreekuur gehouden en de mensen verzorgd en ze had geen zin om door hen aangesproken te worden. Ze vond hen allemaal erg lief, maar was blij dat ze hen niet meer behoefde te zien. Sommigen van hen hadden haar vroeger zo geclaimd dat ze hen als het even kon zelfs trachtte te ontlopen in het winkelcentrum. Zij is immers niet het type dat met de boodschappentas naast zich een half uur lang de wereldgeschiedenis van onze wijk gaat doornemen, zoals dit wel gedaan wordt door vele andere vrouwen hier.
Truus fronste verbaasd haar wenkbrauwen. Ook zij had namens de thuiszorg in het verzorgingstehuis gewerkt, maar ze zag er juist naar uit om door een van haar vroegere patiënten te worden aangesproken. 
“Ik zou ze gelijk vertellen waar het op staat. Ik bedoel, ik heb er altijd graag gewerkt, maar wat een zeikerds waren die oudjes vaak. Vergis je niet in die grijze duiven met hun mooie permanentje. Ze mogen er dan kwetsbaar uit zien, maar wat heb je er een paar vreselijke galbakken tussen. Als een van die troela’s, die mij vroeger als een soort sloofje behandelden, mij zou aanspreken zou ik haar de wind van voren geven. Ik zou haar zeggen dat de slavernij al meer dan honderd jaar geleden is afgeschaft. Dat ik blij ben dat ik er niet meer werk. Dat ze niet zo moesten zeuren. Dat het meeste geld toch maar mooi bij de senioren zit en dat ze geboft hebben dat ze terecht konden in een verzorgingstehuis en niet gelijk werden opgenomen in een verpleegtehuis.
Dat ze, als ze nog geen alzheimer hadden, grote kans liepen om dat alsnog te krijgen. Dat ze niet zo moesten vitten op hun kinderen die nooit wat van zich lieten horen, want dat die daar vast wel een reden voor hadden.”
Ik was verbaasd over de felheid waarmee Truus sprak. Maakte ze nu een grapje of kwamen opeens al haar frustraties van jaren geleden naar boven?
“Die Marja, je weet wel mijn leidinggevende destijds, die kwam ik laatst tegen. Eerst wilde ik gewoon aan haar voorbij lopen, maar ze sprak me aan en vroeg me poeslief hoe het met me ging. Ze was zeker vergeten dat ze destijds het bloed onder mijn nagels vandaan haalde door me te behandelen als een klein kind. Ik heb haar gevraagd of ze nog steeds haar baantje had of dat ze er inmiddels op het hoofdkantoor waren achter gekomen dat ze behalve een bruine tong en eelt op haar ellenbogen geen grammetje verstand van leidinggeven in haar bovenkamer had. Ik zei haar dat ik vond dat ze destijds door gebrek aan gewicht naar boven was komen drijven en dat ze met haar bemoeienissen menig collega de ziektewet had in gewerkt. Je had haar moeten zien. Dat had ze niet van me verwacht. Je denkt toch niet dat ik destijds alleen maar met pensioen ben gegaan omdat ik het werk zat was? Haar was ik ook meer dan zat en ik zag er tegen op om haar nog een paar jaar om me heen te hebben.
Nee, hoor. Ik ga gewoon naar de onthulling van dat kunstwerk. Ja, ik vind er ook niets aan, maar ik heb wel zin om een paar van die oudjes de stuipen op het lijf te jagen. Ze maken toch nooit wat mee. Hebben ze tenminste iets om over te praten met elkaar. Ze mogen me wel dankbaar zijn.”
Verbouwereerd  nam ik afscheid van Truus, die beloofde om binnenkort weer eens bij ons lang te komen.
Ik moest nadenken over wat ze had gezegd. En over haar ongewone felheid. 
Ik herkende het wel. Net als in het onderwijs zouden sommige managers en leidinggevenden in de zorg veel meer oog moeten hebben voor hun personeel. Zij zijn vaak debet aan veel leed op de werkvloer en krijgen alle ruimte om hun gezag te doen gelden naar eigen gebrek aan inzicht. Niet zo vreemd dat ze soms van een ex-werknemer te horen krijgen dat ze zulke leeghoofden en bemoeials zijn. Je oogst immers wat je zaait.
Gelukkig maar dat ik straks mijn flitsende carrière afsluit met de herinnering aan een weliswaar chaotische maar menselijke leidinggevende.
Het was misschien wel lullig van Truus om zo over die oudjes te praten, maar helemaal ongelijk kon ik haar ook niet geven. Ik herkende de verhalen immers. Waarom zouden er onder oudere mensen minder zeurpieten zitten dan onder hun jongere leeftijdgenoten?
Ik moest glimlachen om haar laatste woorden. “Ze mogen me wel dankbaar zijn”. Uitgemaakt worden voor rotte vis en dan dankbaar zijn. Aan de andere kant zou de anekdote waarschijnlijk een langer leven beschoren zijn dan het gevoel van irritatie dat ze met haar woorden zou oproepen. En als je daarmee je leven in de ogen van anderen wat interessanter maken kunt? 


vrijdag 6 december 2013

Verrassing.

Wat doen net gepensioneerden meestal als eerste zodra zij weer een beetje op adem zijn gekomen? Juist, zij gaan de rommel opruimen die zij al die jaren hebben verzameld en waarvan zij, meestal uit sentimentaliteit, nooit afstand hebben kunnen doen.
Hoewel ik nog een paar maanden wachten moet voor ik mezelf gepensioneerd mag noemen heeft dit mij er niet van weerhouden om alvast eens naar mijn eigen rommelverzameling te kijken.
Die heeft de laatste jaren uit het zicht een paar vierkante meter van de bovenverdieping in beslag genomen, maar is nu na een kleine verbouwing tevoorschijn gekomen. Wat niet de bedoeling was.

Slechts door het open maken van één doos besefte ik dat dit opruimen straks om een lange adem vraagt. Pennen, pasjes, knijpers, batterijen, brieven, foto’s, munten en een grote hoeveelheid ongedefinieerde rotzooi. Allemaal kriskras door elkaar. Zoals bijvoorbeeld een ketting met het boze oog, zo’n veertig jaar geleden gekregen van Peggy, mijn Amerikaanse vriendin. En nog een andere ketting. Gemaakt van paardenhoefnagels.  Deze was van haar zus Sally, die mij toefluisterde dat de hoefnagels mij zouden openrijten mocht ik Peggy ooit ontrouw zijn. Dat de nagels mij met rust hebben gelaten is het bewijs dat ik haar waarschuwing serieus heb genomen. Ik heb de kettingen naast elkaar aan de muur gehangen, schuin boven het messing Jezuskruis van mijn overleden moeder.  Zij heeft Peggy nog gekend en zou dit wel gewaardeerd hebben.
Toen ik de doos weer wilde sluiten viel mijn oog op een zwarte glanzende steen. Nee, dit kon niet waar zijn. Voorzichtig pakte ik de steen op en legde hem in de palm van mijn hand. Het was alsof ik een zacht galmende vrouwenstem hoorde die vanuit een diepe put zijn weg zocht naar de oppervlakte. Zo’n bibberende stem uit een goedkope B-film van iemand die vanuit gene zijde contact met je zoekt.
Ik zag me weer op Rhodos op het strand van Lindos zitten onder een licht bewolkte hemel. Een zacht najaarsbriesje stuwde het zeewater tussen de grote brokken puinsteen, die mogelijk in een ver verleden door een flinke vulkaanuitbarsting hier naar beneden waren gekomen en overal verspreid lagen. Ik zat hier in mijn eentje en volgde met mijn ogen een schip dat langzaam aan de horizon voorbij vaarde. Zo geconcentreerd zat ik te kijken dat ik niet in de gaten had dat zij naast me was komen staan. Ik schrok op uit mijn gedachten toen ze zacht “Hallo” zei.
Twintig zal ze zijn geweest. Niet veel ouder. Ik werd getroffen door het diepe blauw van haar ogen, die vanuit een volmaakt symmetrisch gezicht naar me keken. Haar schoonheid was zo overweldigend dat ik aanvankelijk geen woord kon uitbrengen en haar stom bleef aanstaren.
Ze stelde zichzelf voor als Kalista en vroeg mij wie ik was en wat ik hier deed. Ik noemde mijn naam en vertelde dat ik op weg was naar Israël. We raakten aan de praat en ze kwam naast me zitten op het zand. Kalista kwam uit Athene en was hier met vakantie. Dit was haar laatste dag op Rhodos.
We deelden wat verhalen met elkaar en opeens, na een korte stilte,  vertelde ze me dat ze in de toekomst kon zien. Ze vroeg me of ze mijn hand mocht lezen. Na afloop vertelde ze me wat ze had gezien en vreemd genoeg zijn diverse van haar voorspellingen uitgekomen.
Toen stond ze op om afscheid te nemen. Ik wist dat ik haar nooit meer zien zou en gaf haar een hand. Ik voelde hoe ze er iets in legde wat glad en hard was. Ze sloot mijn vingers er om heen.

“Als je van je omzwervingen weer thuis komt, bewaar dan deze steen op een plek die je moet vergeten. Als je oud bent zul je hem onverwachts weer terug vinden. Vanaf dat moment zul je beginnen aan de laatste fase van je leven waarin je een vermogend man zal worden. De fantastische geschenken van de Kosmos zullen je verbazen.” Ik keek naar de glimmende zwarte steen die ze me in mijn hand had gedrukt en hoorde slechts vaag wat ze me zei. Toen drukte ze even haar lippen zacht op de mijne en liep zonder om te kijken van me weg in de richting van Lindos.

donderdag 5 december 2013

Snotter-John.

Met een dikke keel en verstopte neus zit ik achter mijn computer en voel me prima. Alleen al de gedachte dat ik morgen niet om zes uur hoef op te staan is voldoende om te vergeten dat ziek zijn ook een  keerzijde heeft. Al een week zit ik thuis te snotteren en te sputteren. Eerst nog met een lichte hoofdpijn en koorts, maar inmiddels alleen nog maar snuivend en rochelend.
Nee, de mens ziet er niet bepaald fraai uit als hij verkouden is. En zeker niet deze mens.
De hele dag loop ik rond in een donkerblauwe fluweelzachte kamerjas, die hoognodig eens in de was moet. Met sloffen aan mijn voeten uit het jaar nul, die nog net niet helemaal versleten zijn maar die ik blijf dragen omdat ze zo lekker zitten.
Paula vindt het zowaar gezellig dat ik de deur niet uit hoef en verheugt zich net als ik al op de dag dat ik als loonslaaf mijn vrijheid weer terug krijg. En dat is over nog geen drie maanden.
Ja, ik mag dan nog zo veel van mijn werk houden, er gaat toch maar niets boven baas over jezelf zijn.
Zo’n twintig jaar heb ik met veel plezier voor de klas gestaan. Pas de laatste maanden begonnen de ketenen me te knellen. De maatregelen die er zijn genomen om de organisatie weer gezond te maken hebben het werk er immers niet leuker op gemaakt.
Niet voor het personeel en niet voor de leerlingen. Bovendien heb ik er eerlijk gezegd niet veel vertrouwen in dat ze op langere termijn effectief zullen blijken te zijn.
Door de jaren heen heb ik de kwaliteit van het onderwijs achteruit zien hollen. Ondanks dat het personeel harder is gaan werken. Maar als stuurlui aan de wal het voor het zeggen krijgen loopt het schip vroeg of laat averij op. Dat kan een kind bedenken.
Geld is er niet. Visie heb ik nergens gezien. De twee elementen die een organisatie succesvol kunnen maken.
Zo is het met de middelen om goed onderwijs te kunnen verzorgen droevig gesteld.
De training in telefoneren geef ik bijvoorbeeld met behulp van twee walkietalkies aan zo’n vijftig leerlingen en daar heb ik tien uur de tijd voor. In nog eens tien uur moet ik hen leren om baliegesprekken te voeren. Een trieste zaak. En frustrerend voor mij en de leerlingen.
Het is makkelijk om dit voorbeeld met nog meer voorbeelden aan te vullen maar ik laat het hierbij.  
Er zijn zoveel ergere dingen.
Nee, ik doe er verstandiger aan om vooruit te kijken. Plannen te maken voor een eigen praktijk als S&O psycholoog, me te verdiepen in perma-cultuur en vierkante meter tuintjes, HDR-fotografie, wandelingen die ik maken wil, mijn schrijven dat ik op een hoger niveau wil brengen net als het spelen op mijn gitaar. En nog veel andere zaken waarover ik hier niet verder wil uitweiden.
Hoe bizar is het lot dat juist door het toedoen van een slecht functionerende bestuurder ik straks met een gouden handdruk op mijn luie reet mag gaan liggen. Want zonder reorganisatie had ik zeker nog drie jaar moeten werken.
Paula verwoordde het simpel: “we zitten onder het gat van de duvel.” Die schijt immers altijd op de grote hoop en dat heeft hij wel vaker bij ons gedaan.

Het hagelt en er staat een harde wind. Morgenochtend draai ik me nog eens een paar keer om en stel me voor dat ik al gestopt ben met werken. Nu ga ik eerst nog even lekker stomen en een warme douche nemen. Misschien ben ik overmorgen, net als het weekend begint, weer helemaal beter.