De les begint. Veel zin om een ingewikkeld verhaal voor de klas te houden over allerlei uitkeringen die te maken hebben met arbeidsongeschiktheid heb ik niet.
Hoewel mijn keel niet zo’n pijn meer doet ben ik nog steeds een beetje verkouden en bovendien heb ik gisternacht geen oog dicht gedaan.
Om dan anderhalf uur tegen een volkomen ongeïnteresseerde meute toekomstige dienstverleners aan te ouwehoeren is niet erg aantrekkelijk. En slim is het ook niet, want na zo’n tien minuten moet je ze verzoeken om niet met elkaar te kletsen, hun i-Phone uit te doen en ze daarna minstens drie keer per kwartier vragen om op te letten.
Dus ik maak een aantal groepjes en verzoek hen met elkaar zoveel mogelijk vragen te maken. Natuurlijk moeten ze de antwoorden voor zichzelf ook opschrijven. Na een half uur mogen ze de vragen aan de andere leerlingen stellen. Waarna we kunnen vaststellen wie de meeste antwoorden goed heeft.
Langzaam komen ze op gang. Ik zie aan hun blik dat ik bij sommigen al de drang tot competitie heb getriggerd. Al heb ik nog geen idee hoe deze zich zal uiten.
Het eerste half uur is voor mij. Zacht fluisterend met elkaar maken ze de vragen. Zo mag ik het graag zien.
Op het bord teken ik een schema met namen. Een streepje achter de naam laat zien hoeveel vragen iemand goed beantwoord heeft.
Als het half uur voorbij is begint de eerste groep. “Hoe lang kun je een ziektewetuitkering krijgen?”
Iedereen begint te roepen. ”Twee jaar. Honderdvier weken.” Ik wijs iemand aan, die het goede antwoord geeft en zet een streepje achter haar naam.
“Dat is niet eerlijk, ik wist het ook.” Ze schreeuwen en gillen allemaal door elkaar heen.
Vraag twee. “Welke twee uitkeringen kent de WIA?”
Ook een makkelijke. Iedereen roept en gilt. Ze willen bijna allemaal laten merken dat ze het antwoord weten. Als ze de kans niet krijgen om hun verhaal te doen worden sommigen zelfs boos. Een enkeling gaat staan om zijn woorden kracht bij te zetten.
Na een tijdje pas ik de spelregels aan. Degene die de vraag opleest moet iemand aanwijzen die mag antwoorden. Dan moet die ander wel eerst z’n arm opsteken.
Maar zover komt het niet. De vraag is nog niet gesteld of men begint weer met te roepen. Armen zwaaien door de lucht. ”Hier, ik weet het.” Men rent door de klas en achter mijn rug worden scores uitgewist of schrijft men er juist streepjes bij.
Als er dan besloten wordt dat als een vraag niet beantwoord kan worden de vragensteller een punt krijgt is het hek van de dam.
Een jongen stelt een vraag. Niemand begrijpt hem. Iedereen vraagt om verduidelijking, maar deze blijft uit. Men begint luidkeels af te tellen van negen naar een en barst in gejuich uit als er dan nog steeds geen antwoord gegeven is. Of ik nu maar even een streepje achter alle namen van de groep wil zetten waar de jongen in zit. Leerlingen lopen nu door de klas heen, maken elkaar uit voor valsspeler en passen de score op het bord aan in eigen voordeel. Ik ben al lang de regie kwijt. Vijf minuten voor tijd besluit ik dat de les voorbij is. Lachend en opgetogen gaat iedereen weg.
“Dit was leuk. De volgende keer weer, meneer?” zegt een meisje met glinsterende ogen. Snel zet ik vijf streepjes achter haar naam. “Natuurlijk”, antwoord ik en geef haar een vette knipoog.
maandag 28 maart 2011
zondag 27 maart 2011
Van de hak op de tak
Half negen. De warme avondgloed heeft zich teruggetrokken uit de spaarzame wolken, die nu donkergrijs boven de horizon hangen.
“Er ruikt niets zo spannend als het zadel van een damesfiets” type ik, maar de rest van de woorden wil niet komen. Waarschijnlijk niet omdat ik geen idee heb hoe het zadel van een damesfiets ruikt. En om hier nu een empirisch onderzoek naar te doen lijkt me overdreven.
Het maken van een aantal vulgaire liedjes stel ik dus maar opnieuw uit. Als ik op een ander moment de emmer met rommel waarmee mijn hoofd is gevuld leeg gooi heb ik misschien meer geluk.
Vanmorgen toen ik ging rennen vergat ik mijn waterflesje mee te nemen. Na bijna twee uur zat ik er wel doorheen. Het zweet gutste uit al mijn poriën. Man, wat had ik een dorst. En toen reed er een mooie meid op een racefiets voorbij met een prachtige bos haar. Ze leek wel een engel. Een stukje verderop zorgde een verhoging op het fietspad er voor dat het waterflesje dat in de bidonhouder zat er uit vloog en op het fietspad terecht kwam. Ik riep haar nog na, maar ze hoorde me niet. Het nog volle flesje was een geschenk van de goden. Daar heb ik altijd een goede relatie mee gehad.
Mijn keel voelt sinds gisteren scherp aan. Alsof ik een hoer met chlamydia gebeft heb. Waar ik in principe op tegen ben. Ik hou van schoon en rein.
Maar verkouden ben ik wel. Het beste is om straks weer te gorgelen met wat warm water waar wat zout is in opgelost. Helpt altijd.
Ik besef dat ik van de hak op de tak spring. Tot het schrijven van een coherent verhaal voel ik me even niet geroepen. Net zo min als tot het dagelijks schrijven in mijn weblog. Dat ik zoals te verwachten was danig verwaarloosd heb. Acht, er zijn naast schrijven ook nog veel andere leuke dingen. Zoals gitaar spelen en zingen. Al doet dit laatste mij erg pijn. En doet het eerste pijn aan de oren van de buren.
Hardlopen is ook leuk. Maar dat heb ik vandaag al gedaan en bovendien is het nu donker buiten. Ik mag wel zeggen pikdonker, want als ik naar buiten kijk zie ik geen moer.
Ik kan nog een zooi andere zaken opnoemen die leuk zijn, maar dat doe ik wel een andere keer.
“Er ruikt niets zo spannend als het zadel van een damesfiets” type ik, maar de rest van de woorden wil niet komen. Waarschijnlijk niet omdat ik geen idee heb hoe het zadel van een damesfiets ruikt. En om hier nu een empirisch onderzoek naar te doen lijkt me overdreven.
Het maken van een aantal vulgaire liedjes stel ik dus maar opnieuw uit. Als ik op een ander moment de emmer met rommel waarmee mijn hoofd is gevuld leeg gooi heb ik misschien meer geluk.
Vanmorgen toen ik ging rennen vergat ik mijn waterflesje mee te nemen. Na bijna twee uur zat ik er wel doorheen. Het zweet gutste uit al mijn poriën. Man, wat had ik een dorst. En toen reed er een mooie meid op een racefiets voorbij met een prachtige bos haar. Ze leek wel een engel. Een stukje verderop zorgde een verhoging op het fietspad er voor dat het waterflesje dat in de bidonhouder zat er uit vloog en op het fietspad terecht kwam. Ik riep haar nog na, maar ze hoorde me niet. Het nog volle flesje was een geschenk van de goden. Daar heb ik altijd een goede relatie mee gehad.
Mijn keel voelt sinds gisteren scherp aan. Alsof ik een hoer met chlamydia gebeft heb. Waar ik in principe op tegen ben. Ik hou van schoon en rein.
Maar verkouden ben ik wel. Het beste is om straks weer te gorgelen met wat warm water waar wat zout is in opgelost. Helpt altijd.
Ik besef dat ik van de hak op de tak spring. Tot het schrijven van een coherent verhaal voel ik me even niet geroepen. Net zo min als tot het dagelijks schrijven in mijn weblog. Dat ik zoals te verwachten was danig verwaarloosd heb. Acht, er zijn naast schrijven ook nog veel andere leuke dingen. Zoals gitaar spelen en zingen. Al doet dit laatste mij erg pijn. En doet het eerste pijn aan de oren van de buren.
Hardlopen is ook leuk. Maar dat heb ik vandaag al gedaan en bovendien is het nu donker buiten. Ik mag wel zeggen pikdonker, want als ik naar buiten kijk zie ik geen moer.
Ik kan nog een zooi andere zaken opnoemen die leuk zijn, maar dat doe ik wel een andere keer.
zondag 6 maart 2011
Een avondje bij Manie en Depri.
Gisteravond eindelijk weer eens op bezoek geweest bij professor Manie en zijn vrouw Depri. Het was als vanouds gezellig. Zij gevoelig en kwetsbaar uitgestrekt op de zwarte bank, herstellende van een lange ziekteperiode maar nog steeds niet helemaal opgeknapt. Hij in zijn laboratorium, experimenterend met tal van exotische geluiden en het ontleden en opnieuw vorm geven aan enkele sculpturen, die hij reeds eerder had gemaakt, maar waarover hij nog niet helemaal tevreden was.
Het ruimteschip waarin wij ons bevonden vloog op lichtsnelheid door de jaren zeventig.
De wanden er van waren gecapitonneerd met flakkerende displays, romige schilderijen, glanzende snaarinstrumenten, geraffineerde toetsenborden, doorgeschoven schuifknoppen en ondoorgrondelijke mengpanelen. Wierook en geuren van wiet vulden de ruimten.
Professor Manie, die voor deze gelegenheid een glimmende zwarte carbon fiber motorhelm droeg, toonde mij een paar grote ogen die hij op sterk water had staan in een klein jampotje. “Gekregen van het oogheelkundig lab. Daar stonden ze in het depot zielig voor zich uit te staren. Ze zijn van een zelfmoordenaar geweest die het niet meer zag zitten.” Hij grijnsde en viste met een theelepeltje een oog uit het potje. “Steek je hand eens uit”, sprak hij gebiedend.
Ik stak mijn rechterhand naar voren en hij legde het oog in de palm. “Nu heb jij het derde oog”, grinnikte hij. Het oog staarde mij koud en leeg aan. Echt het oog van een zelfmoordenaar.
Professor Manie, die behalve om zijn deskundigheid ook bekend staat om zijn creatieve en speelse geest, pakte een rode ballon uit zijn zak. Ik moest hem het oog terug geven, dat hij voorzichtig met het hoornvlies naar voren en de oogzenuw naar achteren in de hals van de ballon plaatste. Toen blies hij langzaam de ballon op, er voor zorgend dat het oog op zijn plaats bleef en de lucht er langs heen liep. “Voilà!” Wat ik voor een ballon had aangezien bleek een condoom te zijn, dat mij nu met een groot glanzend bloeddoorlopen oog aanstaarde.
Het andere oog werd in de opening van een tweede condoom gestopt. Een oud Afrikaans masker, dat gedeeltelijk schuil ging achter een zwart rubberen gasmasker en waar uit de mond een vurig rode tong stak, werd door de professor van de muur gehaald.
Hij liet de condooms een beetje leeg lopen en stak toen de ogen via de achterkant door het masker, dat er nu opeens erg levendig, maar nog griezeliger uit zag dan voorheen.
“Dit had de vorige eigenaar nooit kunnen dromen”, zei de professor wijzend op de ogen die het masker tot leven hadden gebracht. “Aliquando et insanire iucundum est”, zei hij lachend.
Waarin ik hem gelijk gaf, al had ik geen idee wat hij zei, daar ik immers het Latijn niet machtig ben.
Terwijl de professor verder ging met zijn experimenten verpoosde ik enige tijd in het aangename gezelschap van Depri, die mij verhaalde van haar niet aflatende kwalen.
Zij was mogelijk besmet geraakt met de ESBL-bacterie, waardoor de antibioticakuurtjes die zij had gekregen van haar arts bij haar niet aansloegen. Een trieste geschiedenis.
Ik kreeg echter niet de kans om mijn medeleven te tonen, want de professor riep mij bij zich.
Ik kreeg een gitaar in mijn handen geduwd en hij verzocht mij om hem na te spelen. Na enkele verwoede pogingen gaf ik het op. “Speel dan de toonladder maar in C”, gebood hij mij. Nadat hij me had voor gedaan hoe dit moest, was het mijn beurt. En toen ik eenmaal in een goed strak ritme zat gooide Manie er de ene na de andere riff virtuoos over heen. Zo klonk het resultaat als het blèrend kind van een autist en psychoticus. Niet onverdienstelijk dus.
Ik mag niet vergeten te vertellen dat de professor eerder op de avond gezorgd had voor een voortreffelijke maaltijd met oesters en champagne. Iets waar hij zijn gasten wel vaker op trakteert.
Zelf houdt hij niet zo van oesters en van zijn geloof mag hij geen alcohol hebben. Maar als hij anderen er een plezier mee kan doen is hij beslist niet kleinzielig en komt er een mandje met huîtres de Belon op tafel met een lekkere Vicomte de Moulliac.
Het was een gezellige avond en met het huiswerk op zak dat de prof mij opgaf (toonladder in Am oefenen, elke dag een uurtje) spraken wij af om over een maandje de draad weer op te pakken.
Het ruimteschip waarin wij ons bevonden vloog op lichtsnelheid door de jaren zeventig.
De wanden er van waren gecapitonneerd met flakkerende displays, romige schilderijen, glanzende snaarinstrumenten, geraffineerde toetsenborden, doorgeschoven schuifknoppen en ondoorgrondelijke mengpanelen. Wierook en geuren van wiet vulden de ruimten.
Professor Manie, die voor deze gelegenheid een glimmende zwarte carbon fiber motorhelm droeg, toonde mij een paar grote ogen die hij op sterk water had staan in een klein jampotje. “Gekregen van het oogheelkundig lab. Daar stonden ze in het depot zielig voor zich uit te staren. Ze zijn van een zelfmoordenaar geweest die het niet meer zag zitten.” Hij grijnsde en viste met een theelepeltje een oog uit het potje. “Steek je hand eens uit”, sprak hij gebiedend.
Ik stak mijn rechterhand naar voren en hij legde het oog in de palm. “Nu heb jij het derde oog”, grinnikte hij. Het oog staarde mij koud en leeg aan. Echt het oog van een zelfmoordenaar.
Professor Manie, die behalve om zijn deskundigheid ook bekend staat om zijn creatieve en speelse geest, pakte een rode ballon uit zijn zak. Ik moest hem het oog terug geven, dat hij voorzichtig met het hoornvlies naar voren en de oogzenuw naar achteren in de hals van de ballon plaatste. Toen blies hij langzaam de ballon op, er voor zorgend dat het oog op zijn plaats bleef en de lucht er langs heen liep. “Voilà!” Wat ik voor een ballon had aangezien bleek een condoom te zijn, dat mij nu met een groot glanzend bloeddoorlopen oog aanstaarde.
Het andere oog werd in de opening van een tweede condoom gestopt. Een oud Afrikaans masker, dat gedeeltelijk schuil ging achter een zwart rubberen gasmasker en waar uit de mond een vurig rode tong stak, werd door de professor van de muur gehaald.
Hij liet de condooms een beetje leeg lopen en stak toen de ogen via de achterkant door het masker, dat er nu opeens erg levendig, maar nog griezeliger uit zag dan voorheen.
“Dit had de vorige eigenaar nooit kunnen dromen”, zei de professor wijzend op de ogen die het masker tot leven hadden gebracht. “Aliquando et insanire iucundum est”, zei hij lachend.
Waarin ik hem gelijk gaf, al had ik geen idee wat hij zei, daar ik immers het Latijn niet machtig ben.
Terwijl de professor verder ging met zijn experimenten verpoosde ik enige tijd in het aangename gezelschap van Depri, die mij verhaalde van haar niet aflatende kwalen.
Zij was mogelijk besmet geraakt met de ESBL-bacterie, waardoor de antibioticakuurtjes die zij had gekregen van haar arts bij haar niet aansloegen. Een trieste geschiedenis.
Ik kreeg echter niet de kans om mijn medeleven te tonen, want de professor riep mij bij zich.
Ik kreeg een gitaar in mijn handen geduwd en hij verzocht mij om hem na te spelen. Na enkele verwoede pogingen gaf ik het op. “Speel dan de toonladder maar in C”, gebood hij mij. Nadat hij me had voor gedaan hoe dit moest, was het mijn beurt. En toen ik eenmaal in een goed strak ritme zat gooide Manie er de ene na de andere riff virtuoos over heen. Zo klonk het resultaat als het blèrend kind van een autist en psychoticus. Niet onverdienstelijk dus.
Ik mag niet vergeten te vertellen dat de professor eerder op de avond gezorgd had voor een voortreffelijke maaltijd met oesters en champagne. Iets waar hij zijn gasten wel vaker op trakteert.
Zelf houdt hij niet zo van oesters en van zijn geloof mag hij geen alcohol hebben. Maar als hij anderen er een plezier mee kan doen is hij beslist niet kleinzielig en komt er een mandje met huîtres de Belon op tafel met een lekkere Vicomte de Moulliac.
Het was een gezellige avond en met het huiswerk op zak dat de prof mij opgaf (toonladder in Am oefenen, elke dag een uurtje) spraken wij af om over een maandje de draad weer op te pakken.
Abonneren op:
Reacties (Atom)