Ma. 06-12-10
Gisteravond nog even bij Anja geweest. Had haar een week niet gezien. Gezellig zitten praten, wat gedronken, wippie gemaakt en beloofd dat ik haar wat foto’s op zal sturen van het feest bij Lowie vorige week. Ze gaf me haar slipje mee zodat ik aan haar zou blijven denken.
Om twee uur ’s nachts knetterstoned naar bed gegaan, negen uur er uit, want ik had ’s middags om twee uur een sollicitatiegesprek en dan moet je scherp zijn.
Mooi op tijd voor het gesprek, vriendelijke ontvangst door personeelsfunctionaris en afdelingschef.
Afdelingschef is snipverkouden, heeft geen zakdoek, ik geef hem de mijne maar dat blijkt het slipje van Anja te zijn, dat ik vanmorgen in mijn binnenzak gestopt had zodat ik er af en toe aan kon ruiken.
Chef heeft geen gevoel voor humor, einde gesprek.
Hierna gebeld naar contactpersoon bij UWV en afspraak gemaakt voor woensdag.
Vanavond de krant doorgespit naar vacatures. Niks gevonden. Behalve een vacature voor een praktijkdocent op een Mbo-opleiding. Die stond er vorige week ook in. Maar wie wordt er nou docent? Misschien als je het echt niet meer weet. Lijkt me een hondenbaan. Ik heb wel de juiste papieren, maar het schijnt dat die docenten tegenwoordig allemaal gestrest zijn door de werkdruk.
Straks nog een paar uurtjes tappen in ‘De cactus’. Zwart natuurlijk. Samen met m’n WW zit ik net boven mijn oude salaris. Zo hou ik het nog wel een paar maanden uit.
Di. 07-12-10
Het is nu drie uur. Ik ben net wakker. Gisteravond met jongens van ‘De cactus’ na sluitingstijd een paar uur gepokerd. Had één keer een Royal flush. Uiteindelijk €125,- verloren. Dus gisteravond voor niks getapt.
Wo. 08-12-10
Vandaag bij het UWV geweest. Ze vinden dat ik meer moet solliciteren. Ik ben nog geen drie maanden werkloos dus ik snap niet waarom ze zo moeilijk doen. Dat mens van het UWV toonde mij dezelfde vacature voor praktijkdocent als ik in de krant heb gezien. Ze vond me wel een type voor het onderwijs. Ik weet niet hoe ze daar bij komt. Ik heb niks met die kiddo’s en zelf heb ik ook niet zulke geweldige herinneringen aan school. Ik vond mijn leraren allemaal losers en dat waren ze ook.
En nou zou ik zelf voor de klas moeten gaan staan? Gaat toch weg. Daar is het leven veel tekort voor.
Do. 09-12-10
Ik ben zuur. De lul. De pineut. Hoe je het ook noemen wil, ik ben er bij. Dat mens van het UWV stapte gisteravond met een paar vriendinnen van haar ‘De cactus’ binnen. Ik zag haar pas toen ze een biertje bij me bestelde. Eerst dacht ik nog dat ze me niet herkend had al kon ik mij dat niet voorstellen. Pas toen ze weg ging vroeg ze me om haar vandaag even te bellen. “Je kent mijn naam en je hebt mijn nummer”, zei ze poeslief. Ik kreeg nog twee euro tip van haar.
Straks bel ik haar. Mijn uitkering zal wel beëindigd worden. Mooi shit. Misschien moet ik toch maar op die baan van praktijkdocent solliciteren.
Epiloog.
Ik zit nu bijna vijfentwintig jaar in het onderwijs. Er is veel veranderd sinds ik begon. Destijds wees alles er op dat ik moest solliciteren op de functie van praktijkdocent. Alsof het voorbestemd was.
Het is een rot baan, precies zoals ik had verwacht. Zeker twee maanden van het jaar ben ik ziek. Dan zit ik thuis op de bank een beetje appelig voor me uit te staren.
Veel van mijn werk doe ik vanuit huis. Dat is wel fijn. Maar het lijkt wel of het werk nooit af is.
Die kiddo’s vallen wel mee. Een enkele galbak uitgezonderd maar die kom je overal tegen. Het is allemaal wat anders gelopen dan ik had gedacht. Of dit sprookje een happy end heeft wacht ik maar af.
maandag 6 december 2010
zaterdag 4 december 2010
De eenzame boer.
Voor dit gruwelsprookje heb ik mij laten inspireren door een lekkere platte bak. Ik vond hem wel leuk en wou dat ik hem zelf had verzonnen.
Er was er eens een boer die tien koeien had. Hij was zeventig jaar en weduwnaar. Zijn naam was Krelis. Vroeger al, toen zijn vrouw nog leefde, kwam ik elke zaterdag bij hem langs voor een paar liter verse melk. Ik woon twee kilometer van zijn boerderij vandaan. De verse melk van zijn koeien is zo romig dat je geen andere melk meer wilt als je deze hebt geproefd.
Op zekere dag trof ik hem zuchtend op een bankje voor het huis. Ik groette en vroeg hem wat er aan de hand was. “Sommige dingen kun je niet uitleggen”, zei Krelis en staarde naar de punten van zijn klompen. Omdat ik hem vragend aan bleef kijken begreep hij dat hij nu wel verder moest met zijn verhaal. “Ik wilde zo-even Clara melken, maar ze was een beetje nukkig. Ze schopte telkens de emmer om met haar rechter achterpoot. Ik heb die poot toen vastgebonden.”
Hij zuchtte opnieuw en mompelde “Sommige dingen kun je niet uitleggen”.
Ik keek hem nog steeds niet begrijpend aan, waarop hij verder ging met zijn verhaal.
“Er zat net een bodempje melk in de emmer of ze schopt hem opnieuw om, maar deze keer met haar linker achterpoot. Die heb ik toen natuurlijk ook vastgebonden. Snap je?” Ik knikte. Maar wat was nu het probleem? “Sommige dingen kun je niet uitleggen”, zuchtte de boer.
“Ga eens verder met je verhaal”, drong ik aan.
“Goed, ik weer onder de koe. Begint ze met haar staart te zwiepen. Ik denk, die bind ik gewoon vast aan een balk. Dus ik pak een kruk, zet die achter de koe neer. Ik kijk of ik ergens een touw zie, maar dat is er niet en ik besluit om de riem van mijn broek te gebruiken. Dus ik de riem van mijn broek losgemaakt en de staart vastgebonden aan de riem. Ik klim op de kruk die achter de koe staat en gooi de riem over de balk en trek de staart omhoog. Ik sta nog steeds op de kruk achter de koe als plotseling mijn broek naar beneden zakt. Op hetzelfde moment komt mijn vrouw de stal in….Ik zei al, sommige dingen kun je niet uitleggen”.
Dit was tien jaar geleden. Krelis is nu al 5 jaar weduwnaar. Zijn leeftijd en de eenzaamheid beginnen hun tol te eisen. Erg goed kan hij niet meer voor zichzelf zorgen.
Ik kom nog steeds zaterdag mijn twee liter melk halen.
Hij had me laatst verteld dat hij van plan is om zijn koeien te laten slachten en de boerderij te verkopen. Van het geld wil hij een aanleunwoning kopen bij een verzorgingshuis. Dan kon hij toch zelfstandig blijven wonen en als het nodig was van de diensten van het verzorgingshuis gebruik maken.
Als ik bij hem het erf oprijd is het huis donker. Alleen de lamp bij het hek brandt, maar die gaat automatisch branden als de schemer invalt. Het is hartje winter en het heeft gevroren.
Krelis gaat nooit weg. Zou er soms iets aan de hand zijn?
Tarzan, de grote waakhond van Krelis die ik nog heb gekend als puppy, komt op me afgelopen.
Hij piept onrustig. Niets voor Tarzan. Hij loopt in de richting van de stal en begint voor de deur te janken. Ik doe de staldeur open. Het is donker. Links van de deur zit de lichtschakelaar. Ik doe het licht aan. De koeien van Krelis liggen op het hooi te herkauwen. Met hun grote bruine ogen kijken ze mij verbaasd aan, alsof ze willen zeggen “Wat moet jij hier?” Ik zie Krelis op de grond liggen. Zijn gezicht naar beneden. Zijn lichaam ziet er geknakt uit. Het is één grote bloederige massa. Zijn broek hangt om zijn enkels. Naast hem ligt een omgevallen krukje. Ik zie de drie touwen die hij vastgebonden heeft aan de balken van de stal. Twee aan de zijkanten en één aan een balk aan de vliering. De koeien herkauwen rustig door en storen zich niet aan Tarzan, die nieuwsgierig aan het lijk snuffelt. Er loopt een rilling over mijn rug. Tjonge, wat is het hier koud.
De koeien zijn de volgende dag opgehaald door een boer verderop. Die had nog ruimte in zijn stallen en was wel bereid om ze straks bij de afwikkeling van de nalatenschap over te nemen. Het waren mooie melkkoeien. Hij had ze vroeger al eens van Krelis willen kopen, maar die vroeg er teveel voor.
Tarzan heb ik in huis genomen. We kunnen goed met elkaar opschieten en anders had hij misschien naar het asiel gemoeten. Ja, de koeien van Krelis en zijn waakhond Tarzan leefden na de dood van Krelis in ieder geval nog lang en gelukkig.
Er was er eens een boer die tien koeien had. Hij was zeventig jaar en weduwnaar. Zijn naam was Krelis. Vroeger al, toen zijn vrouw nog leefde, kwam ik elke zaterdag bij hem langs voor een paar liter verse melk. Ik woon twee kilometer van zijn boerderij vandaan. De verse melk van zijn koeien is zo romig dat je geen andere melk meer wilt als je deze hebt geproefd.
Op zekere dag trof ik hem zuchtend op een bankje voor het huis. Ik groette en vroeg hem wat er aan de hand was. “Sommige dingen kun je niet uitleggen”, zei Krelis en staarde naar de punten van zijn klompen. Omdat ik hem vragend aan bleef kijken begreep hij dat hij nu wel verder moest met zijn verhaal. “Ik wilde zo-even Clara melken, maar ze was een beetje nukkig. Ze schopte telkens de emmer om met haar rechter achterpoot. Ik heb die poot toen vastgebonden.”
Hij zuchtte opnieuw en mompelde “Sommige dingen kun je niet uitleggen”.
Ik keek hem nog steeds niet begrijpend aan, waarop hij verder ging met zijn verhaal.
“Er zat net een bodempje melk in de emmer of ze schopt hem opnieuw om, maar deze keer met haar linker achterpoot. Die heb ik toen natuurlijk ook vastgebonden. Snap je?” Ik knikte. Maar wat was nu het probleem? “Sommige dingen kun je niet uitleggen”, zuchtte de boer.
“Ga eens verder met je verhaal”, drong ik aan.
“Goed, ik weer onder de koe. Begint ze met haar staart te zwiepen. Ik denk, die bind ik gewoon vast aan een balk. Dus ik pak een kruk, zet die achter de koe neer. Ik kijk of ik ergens een touw zie, maar dat is er niet en ik besluit om de riem van mijn broek te gebruiken. Dus ik de riem van mijn broek losgemaakt en de staart vastgebonden aan de riem. Ik klim op de kruk die achter de koe staat en gooi de riem over de balk en trek de staart omhoog. Ik sta nog steeds op de kruk achter de koe als plotseling mijn broek naar beneden zakt. Op hetzelfde moment komt mijn vrouw de stal in….Ik zei al, sommige dingen kun je niet uitleggen”.
Dit was tien jaar geleden. Krelis is nu al 5 jaar weduwnaar. Zijn leeftijd en de eenzaamheid beginnen hun tol te eisen. Erg goed kan hij niet meer voor zichzelf zorgen.
Ik kom nog steeds zaterdag mijn twee liter melk halen.
Hij had me laatst verteld dat hij van plan is om zijn koeien te laten slachten en de boerderij te verkopen. Van het geld wil hij een aanleunwoning kopen bij een verzorgingshuis. Dan kon hij toch zelfstandig blijven wonen en als het nodig was van de diensten van het verzorgingshuis gebruik maken.
Als ik bij hem het erf oprijd is het huis donker. Alleen de lamp bij het hek brandt, maar die gaat automatisch branden als de schemer invalt. Het is hartje winter en het heeft gevroren.
Krelis gaat nooit weg. Zou er soms iets aan de hand zijn?
Tarzan, de grote waakhond van Krelis die ik nog heb gekend als puppy, komt op me afgelopen.
Hij piept onrustig. Niets voor Tarzan. Hij loopt in de richting van de stal en begint voor de deur te janken. Ik doe de staldeur open. Het is donker. Links van de deur zit de lichtschakelaar. Ik doe het licht aan. De koeien van Krelis liggen op het hooi te herkauwen. Met hun grote bruine ogen kijken ze mij verbaasd aan, alsof ze willen zeggen “Wat moet jij hier?” Ik zie Krelis op de grond liggen. Zijn gezicht naar beneden. Zijn lichaam ziet er geknakt uit. Het is één grote bloederige massa. Zijn broek hangt om zijn enkels. Naast hem ligt een omgevallen krukje. Ik zie de drie touwen die hij vastgebonden heeft aan de balken van de stal. Twee aan de zijkanten en één aan een balk aan de vliering. De koeien herkauwen rustig door en storen zich niet aan Tarzan, die nieuwsgierig aan het lijk snuffelt. Er loopt een rilling over mijn rug. Tjonge, wat is het hier koud.
De koeien zijn de volgende dag opgehaald door een boer verderop. Die had nog ruimte in zijn stallen en was wel bereid om ze straks bij de afwikkeling van de nalatenschap over te nemen. Het waren mooie melkkoeien. Hij had ze vroeger al eens van Krelis willen kopen, maar die vroeg er teveel voor.
Tarzan heb ik in huis genomen. We kunnen goed met elkaar opschieten en anders had hij misschien naar het asiel gemoeten. Ja, de koeien van Krelis en zijn waakhond Tarzan leefden na de dood van Krelis in ieder geval nog lang en gelukkig.
donderdag 2 december 2010
Een eenvoudig man, deel 2.
“Jazeker”, antwoordde ik. “Ben je nog bij haar langs geweest?”
Theo grijnsde. “Zeker, ik kom mijn beloftes altijd na. Zodra ik kon ben ik naar haar toe gegaan om haar te vertellen dat het nooit mijn bedoeling was geweest om haar tot weduwe te maken. Ik bedoel, toen ik destijds haar man, ja hoe zal ik het zeggen, toen ik haar man dus een pak slaag gaf, had hij dat wel verdiend. Hoe kon ik weten dat hij een hartprobleem had? Ik wilde hem alleen duidelijk maken dat hij zijn verplichtingen na moest komen. En als hij dat niet deed dat hij daar een prijs voor zou moeten betalen.”
Ik herhaalde wat ik hem eerder al had verteld: “Ik weet dat je hem alleen maar wat fatsoen wilde bijbrengen. Daar hebben we het destijds vaak met elkaar over gehad.”
“Kijk, jij bent slimmer dan ik. Maar ik ben sterker”, ging Theo verder alsof hij me niet gehoord had. “Iedereen moet blij zijn met de talenten die hij van God heeft meegekregen. Toch? Dat is niet voor niets. Anders had je ze net zo goed niet kunnen hebben.”
Hij keek mij aan alsof hij tegenspraak van mij verwachtte.
“Je hebt helemaal gelijk Theo”, zei ik. “Als je niks met je talenten doet had je ze net zo goed niet kunnen hebben. We hebben het daar uitgebreid met elkaar over gehad. Jij had helemaal niet de bedoeling om die man dood te slaan. Hij had gewoon moeten betalen. Dat wist hij van tevoren.”
“Juist, het was gewoon pech. Niet dat ik het niet erg vond. Ik heb het er ook moeilijk mee gehad. Zeker toen ik hoorde dat hij nog een vrouw had. Maar ik heb je gezegd dat ik naar haar toe zou gaan om haar mijn verontschuldiging en mijn diensten aan te bieden.”
“Theo, ik heb er geen moment aan getwijfeld dat je dat zou doen. Ik weet dat voor jou eer heel belangrijk is en ik heb je altijd een man van eer gevonden. Dat weet je.”
“Ik herinner het mij goed Herman. Ik weet dat je me nooit hebt veroordeeld. Je hebt mij destijds erg geholpen door het allemaal te leren zien als pure pech. Maar goed, ik zal je iets vertellen….”
Theo lachte alsof hij op het punt stond om mij een goede mop te vertellen.
“Weet je, toen ik vrij kwam ben ik gelijk naar haar toe gegaan. Het bleek een prachtige vrouw te zijn. Wat zeg ik? Ze was bloedmooi. Ik wist niet wat ik zag. Ze was helemaal niet boos op me. Ze zei dat ik mijn werk gewoon had gedaan en dat het een ongeluk was geweest. Ik vond haar heel begripvol. Ik heb haar wat geholpen met wat geldzaken en weet je wat er gebeurde?”
Hij keek ondeugend. Ik haalde mijn schouders op. Geen idee.
“We werden verliefd op elkaar. Stom, hè? We werden steeds intiemer, gingen uit eten met elkaar en opeens vroeg ik haar zomaar ten huwelijk. Natuurlijk niet zomaar. Ik had er wel over nagedacht, maar ik had van mezelf niet verwacht dat ik dat zou doen. Het was natuurlijk wel een vreemde situatie.”
Hij pakte zijn portemonnee. Er zat een foto in van een vrouw met een kind op schoot.
Toen ik de foto zag schoot het bloed naar mijn hoofd. Dit kon niet waar zijn. Zij?
Wat ik nog niet verteld had was dat ik als vrijgezel zo af en toe naar een nachtclub ga. Ik mag dan wel niet veel waarde hechten aan spulletjes, maar ik spendeer maandelijks een flink bedrag aan mooie vrouwen. Voor nog geen € 100,- heb ik vaak een geweldige tijd. Ik herkende de vrouw van Theo onmiddellijk als iemand die ik vier maanden geleden nog gezien had in een gerenommeerde seksclub in leiden. Ik was drie keer naar de club geweest en zij was er altijd. Mooi en lief. Eerlijk gezegd was ik van plan geweest om vanavond weer te gaan, maar door de kou en de sneeuw was ik van gedachte veranderd. En zij was de vrouw van Theo?
“Mooie vrouw,” zei ik. “Doet zij ook nog wat voor de kost?”
“Ze werkt in een bar,” antwoordde Theo. “Ergens in Leiden. ’s Avonds gaan we vaak tegelijk de deur uit. Ik naar mijn nachtclub en zij naar haar bar. We hebben allebei een auto, dus dat is geen probleem.”
Ik luisterde maar met een half oor en probeerde mij het bizarre van de situatie voor te stellen. Hier zat ik met een oude gabber uit de bajes, die getrouwd was met de vrouw van de man die hij per ongeluk had dood geslagen. En ik ging met zijn vrouw plat zonder dat ik wist dat hij haar man was en hij wist niet dat zijn vrouw in een seksclub werkte en niet in een bar.
Zoals ik Theo kende had ze tot nu toe geluk gehad. Als hij hier achter kwam dan zou hij haar misschien de hersens in slaan. Maar het was natuurlijk ook niet goed dat hij niet wist dat zijn vrouw de hoer uit hing. Deed ze dit misschien uit wraak? Had ze dit altijd gedaan?
Moest ik Theo vertellen wat ik wist? Moest ik mijn mond houden? Ik wist het niet en eerlijk gezegd weet ik het nog niet. Wat moest ik doen?
In ieder geval besloot ik ter plekke dat ik haar niet meer zou bezoeken in Leiden.
“Wat vind je van haar?” vroeg Theo. “Mooie vrouw”, zei ik naar waarheid.
“Je zou eens bij ons moeten komen eten”, vervolgde hij. “Ze kan goed koken.”
Hij boog zich naar mij toe. “Ik weet niet wat ze in het eten doet. Maar als ze weer eens zo lekker heeft gekookt wil ik maar één ding.”
Hij keek me veelbetekenend aan. “Begrijp je?” Ik knikte. Waarom moest ik nu opeens aan mijn geld in Zwitserland denken. Aan een leven hier ver weg vandaan?
Het was goed om Theo weer eens te zien. En te weten dat hij zo gelukkig was. Maar voor mij werd het nu toch wel tijd om mijn plannen om eens een grote reis te maken om te zetten in daden. Zodat ook ik een lang en gelukkig leven zou hebben.
Theo grijnsde. “Zeker, ik kom mijn beloftes altijd na. Zodra ik kon ben ik naar haar toe gegaan om haar te vertellen dat het nooit mijn bedoeling was geweest om haar tot weduwe te maken. Ik bedoel, toen ik destijds haar man, ja hoe zal ik het zeggen, toen ik haar man dus een pak slaag gaf, had hij dat wel verdiend. Hoe kon ik weten dat hij een hartprobleem had? Ik wilde hem alleen duidelijk maken dat hij zijn verplichtingen na moest komen. En als hij dat niet deed dat hij daar een prijs voor zou moeten betalen.”
Ik herhaalde wat ik hem eerder al had verteld: “Ik weet dat je hem alleen maar wat fatsoen wilde bijbrengen. Daar hebben we het destijds vaak met elkaar over gehad.”
“Kijk, jij bent slimmer dan ik. Maar ik ben sterker”, ging Theo verder alsof hij me niet gehoord had. “Iedereen moet blij zijn met de talenten die hij van God heeft meegekregen. Toch? Dat is niet voor niets. Anders had je ze net zo goed niet kunnen hebben.”
Hij keek mij aan alsof hij tegenspraak van mij verwachtte.
“Je hebt helemaal gelijk Theo”, zei ik. “Als je niks met je talenten doet had je ze net zo goed niet kunnen hebben. We hebben het daar uitgebreid met elkaar over gehad. Jij had helemaal niet de bedoeling om die man dood te slaan. Hij had gewoon moeten betalen. Dat wist hij van tevoren.”
“Juist, het was gewoon pech. Niet dat ik het niet erg vond. Ik heb het er ook moeilijk mee gehad. Zeker toen ik hoorde dat hij nog een vrouw had. Maar ik heb je gezegd dat ik naar haar toe zou gaan om haar mijn verontschuldiging en mijn diensten aan te bieden.”
“Theo, ik heb er geen moment aan getwijfeld dat je dat zou doen. Ik weet dat voor jou eer heel belangrijk is en ik heb je altijd een man van eer gevonden. Dat weet je.”
“Ik herinner het mij goed Herman. Ik weet dat je me nooit hebt veroordeeld. Je hebt mij destijds erg geholpen door het allemaal te leren zien als pure pech. Maar goed, ik zal je iets vertellen….”
Theo lachte alsof hij op het punt stond om mij een goede mop te vertellen.
“Weet je, toen ik vrij kwam ben ik gelijk naar haar toe gegaan. Het bleek een prachtige vrouw te zijn. Wat zeg ik? Ze was bloedmooi. Ik wist niet wat ik zag. Ze was helemaal niet boos op me. Ze zei dat ik mijn werk gewoon had gedaan en dat het een ongeluk was geweest. Ik vond haar heel begripvol. Ik heb haar wat geholpen met wat geldzaken en weet je wat er gebeurde?”
Hij keek ondeugend. Ik haalde mijn schouders op. Geen idee.
“We werden verliefd op elkaar. Stom, hè? We werden steeds intiemer, gingen uit eten met elkaar en opeens vroeg ik haar zomaar ten huwelijk. Natuurlijk niet zomaar. Ik had er wel over nagedacht, maar ik had van mezelf niet verwacht dat ik dat zou doen. Het was natuurlijk wel een vreemde situatie.”
Hij pakte zijn portemonnee. Er zat een foto in van een vrouw met een kind op schoot.
Toen ik de foto zag schoot het bloed naar mijn hoofd. Dit kon niet waar zijn. Zij?
Wat ik nog niet verteld had was dat ik als vrijgezel zo af en toe naar een nachtclub ga. Ik mag dan wel niet veel waarde hechten aan spulletjes, maar ik spendeer maandelijks een flink bedrag aan mooie vrouwen. Voor nog geen € 100,- heb ik vaak een geweldige tijd. Ik herkende de vrouw van Theo onmiddellijk als iemand die ik vier maanden geleden nog gezien had in een gerenommeerde seksclub in leiden. Ik was drie keer naar de club geweest en zij was er altijd. Mooi en lief. Eerlijk gezegd was ik van plan geweest om vanavond weer te gaan, maar door de kou en de sneeuw was ik van gedachte veranderd. En zij was de vrouw van Theo?
“Mooie vrouw,” zei ik. “Doet zij ook nog wat voor de kost?”
“Ze werkt in een bar,” antwoordde Theo. “Ergens in Leiden. ’s Avonds gaan we vaak tegelijk de deur uit. Ik naar mijn nachtclub en zij naar haar bar. We hebben allebei een auto, dus dat is geen probleem.”
Ik luisterde maar met een half oor en probeerde mij het bizarre van de situatie voor te stellen. Hier zat ik met een oude gabber uit de bajes, die getrouwd was met de vrouw van de man die hij per ongeluk had dood geslagen. En ik ging met zijn vrouw plat zonder dat ik wist dat hij haar man was en hij wist niet dat zijn vrouw in een seksclub werkte en niet in een bar.
Zoals ik Theo kende had ze tot nu toe geluk gehad. Als hij hier achter kwam dan zou hij haar misschien de hersens in slaan. Maar het was natuurlijk ook niet goed dat hij niet wist dat zijn vrouw de hoer uit hing. Deed ze dit misschien uit wraak? Had ze dit altijd gedaan?
Moest ik Theo vertellen wat ik wist? Moest ik mijn mond houden? Ik wist het niet en eerlijk gezegd weet ik het nog niet. Wat moest ik doen?
In ieder geval besloot ik ter plekke dat ik haar niet meer zou bezoeken in Leiden.
“Wat vind je van haar?” vroeg Theo. “Mooie vrouw”, zei ik naar waarheid.
“Je zou eens bij ons moeten komen eten”, vervolgde hij. “Ze kan goed koken.”
Hij boog zich naar mij toe. “Ik weet niet wat ze in het eten doet. Maar als ze weer eens zo lekker heeft gekookt wil ik maar één ding.”
Hij keek me veelbetekenend aan. “Begrijp je?” Ik knikte. Waarom moest ik nu opeens aan mijn geld in Zwitserland denken. Aan een leven hier ver weg vandaan?
Het was goed om Theo weer eens te zien. En te weten dat hij zo gelukkig was. Maar voor mij werd het nu toch wel tijd om mijn plannen om eens een grote reis te maken om te zetten in daden. Zodat ook ik een lang en gelukkig leven zou hebben.
woensdag 1 december 2010
Een eenvoudig man, deel 1.
Er was er eens een eenvoudige man. Ik laat hem hier zijn verhaal vertellen, want dat kan hij beter dan ik.
Mijn naam is Herman, van beroep financieel adviseur, 35 jaar en sinds twee jaar gescheiden. Gelukkig zijn er geen kinderen en is mijn ex-vrouw zelf in staat om voor een inkomen te zorgen. Dat betekent dat we elkaar na de scheiding uit het oog zijn verloren.
U heeft mij vast wel eens gezien. Naast u in het openbaar vervoer, tegenover u aan tafel in de bibliotheek of gewoon ergens op straat. Ik zal u niet zijn opgevallen want ik zie er gewoontjes uit. Een doorsnee man, tenger gebouwd, normale lengte, bril en al wat kalend op mijn achterhoofd. Dat wist ik tot voor kort zelf niet, maar iemand heeft me er op gewezen. Eerst schrok ik natuurlijk, maar nu ben ik er aan gewend. Ik draag sindsdien wel een hoed.
Ik heb een klein adviesbureau en werk twee dagen per week als accountant voor een verzekeringsbedrijf. Mijn uitgaven zijn minimaal en ik overdrijf niet als ik zeg dat ik maandelijks een flink bedrag opzij kan zetten. Overigens interesseert het me niet zoveel hoeveel ik verdien. Sinds mijn scheiding leef ik alleen voor mezelf en ik heb niet veel nodig. Geldzorgen hebben lijkt mij in deze samenleving , waarin we omkomen in onze eigen overvloed, één van de ergste dingen. Misschien omdat ik weet dat ik veel van al die spulletjes kopen kan doe ik het niet. Mijn huis is dan ook eenvoudig ingericht en ik wil dit zo houden.
Sinds mijn scheiding ga ik naar de kroeg. Thuis word ik door de stilte naar buiten gejaagd.
Niet dat ik zo’n gezelligheidsmens ben. Integendeel. Ik heb mij in het gezelschap van mensen altijd onhandig gevoeld en dat heb ik nog steeds. Als ik in de kroeg zit dan word ik het liefst met rust gelaten. Ik kan dan rustig om mij heen kijken en naar de gesprekken luisteren die er worden gevoerd. Luisteren kan ik goed. Niets ontgaat me. Als kind al probeerde ik de gesprekken tussen mijn ouders te begrijpen. Tevergeefs, natuurlijk. Al kon ik aan de wijze waarop ze met elkaar praatten wel horen of ze ruzie met elkaar hadden of goed met elkaar waren. Meestal hadden ze ruzie. Mijn vader was een driftig man en kon zijn handen niet altijd thuis houden. Na de scheiding, ik was toen negen jaar, heeft mijn moeder mij alleen opgevoed. Broertjes of zusjes had ik niet. Misschien dat ik mij daarom onder de mensen altijd een beetje ongemakkelijk heb gevoeld.
Maar genoeg over mij. Ik wil u iets vertellen wat mij gisteravond is overkomen. Ik zit er een beetje mee en u bent misschien de enige die mij begrijpt en mij een advies zou kunnen geven.
Gisteren zat ik hier ook. Bijna op dezelfde plek. De barman had mij een wit biertje ingeschonken en ik zat rustig de te lezen toen er een schaduw over mijn krant viel. Ik keek opzij, recht in het bebaarde gezicht van een reus. Dat was tenminste mijn eerste indruk.
De man had een ernstige blik in zijn donkere ogen en keek mij vriendelijk aan.
“Herman?” vroeg hij. Ik herkende de stem onmiddellijk. “Theo?”. Er verscheen een brede grijns op zijn gezicht. Hij pakt mij bij de schouders en schudde mijn hand. Het leek of mijn arm er werd afgerukt.
“Hoe gaat het met je? Dat is lang geleden.”
“Zeker vijf jaar”, was mijn reactie.
“Vijf jaar? Ja, het zal wel. Alles goed?”
“Prima. Ja hoor , alles goed. En met jou?”
“Ook goed”. We stonden als kleine jongens te glunderen. Alsof we vroeger de grootste vrienden waren geweest. Dat was niet het geval, maar we deelden beiden wel een deel van ons leven. We zaten allebei gedurende zeker twee jaar bij elkaar in dezelfde cel. Toen ik vrij kwam moest Theo nog een jaartje zitten. Ik heb hem nog één keer opgezocht, maar hij begreep wel dat dat de laatste keer was.
Ik bestelde twee biertjes en Theo ging naast me op een lege kruk zitten. Zijn kolossale gestalte leek in de krappe ruimte van de cel wel twee keer zo groot, maar ook nu werd ik geïmponeerd door deze oersterke man, die zijn eigen krachten niet kende.
Ik hoorde van Theo dat hij tegenwoordig uitsmijter was bij een bekende nachtclub. Hij was getrouwd en had een zoon. Het leek er op dat hij zijn leven goed op de rails had gekregen na zijn gevangenisstraf.
Ik aarzelde met het stellen van een vraag die eigenlijk gelijk in mij opkwam toen ik hem had herkend. Misschien zou hij er zelf wel over beginnen.
“Nog steeds in geldzaken?” vroeg Theo aan me. Ik knikte. Ik vertelde hem dat ik een eigen bedrijfje had en een paar dagen in loondienst werkte. Bijna kwam ik in de verleiding om hem te vertellen van mijn nevenverdiensten, maar dit leek mij niet verstandig. Hoe minder mensen dit wisten des te beter.
Destijds hadden mijn illegale activiteiten mij ontzettend veel geld opgeleverd. Een groot deel daarvan stond nog steeds op een bank in Zwitserland, maar ook al was ik jaren vrij, ik durfde het niet op te nemen omdat ik het idee had dat ik nog steeds in de gaten werd gehouden. Wat ook zo was.
“Je zult je wel afvragen of ik nog contact heb opgenomen met die weduwe?” begon Theo opeens tot mijn verrassing. Het onderwerp kwam op zo’n natuurlijke manier ter sprake alsof we het er gisteren nog over hadden gehad.
Mijn naam is Herman, van beroep financieel adviseur, 35 jaar en sinds twee jaar gescheiden. Gelukkig zijn er geen kinderen en is mijn ex-vrouw zelf in staat om voor een inkomen te zorgen. Dat betekent dat we elkaar na de scheiding uit het oog zijn verloren.
U heeft mij vast wel eens gezien. Naast u in het openbaar vervoer, tegenover u aan tafel in de bibliotheek of gewoon ergens op straat. Ik zal u niet zijn opgevallen want ik zie er gewoontjes uit. Een doorsnee man, tenger gebouwd, normale lengte, bril en al wat kalend op mijn achterhoofd. Dat wist ik tot voor kort zelf niet, maar iemand heeft me er op gewezen. Eerst schrok ik natuurlijk, maar nu ben ik er aan gewend. Ik draag sindsdien wel een hoed.
Ik heb een klein adviesbureau en werk twee dagen per week als accountant voor een verzekeringsbedrijf. Mijn uitgaven zijn minimaal en ik overdrijf niet als ik zeg dat ik maandelijks een flink bedrag opzij kan zetten. Overigens interesseert het me niet zoveel hoeveel ik verdien. Sinds mijn scheiding leef ik alleen voor mezelf en ik heb niet veel nodig. Geldzorgen hebben lijkt mij in deze samenleving , waarin we omkomen in onze eigen overvloed, één van de ergste dingen. Misschien omdat ik weet dat ik veel van al die spulletjes kopen kan doe ik het niet. Mijn huis is dan ook eenvoudig ingericht en ik wil dit zo houden.
Sinds mijn scheiding ga ik naar de kroeg. Thuis word ik door de stilte naar buiten gejaagd.
Niet dat ik zo’n gezelligheidsmens ben. Integendeel. Ik heb mij in het gezelschap van mensen altijd onhandig gevoeld en dat heb ik nog steeds. Als ik in de kroeg zit dan word ik het liefst met rust gelaten. Ik kan dan rustig om mij heen kijken en naar de gesprekken luisteren die er worden gevoerd. Luisteren kan ik goed. Niets ontgaat me. Als kind al probeerde ik de gesprekken tussen mijn ouders te begrijpen. Tevergeefs, natuurlijk. Al kon ik aan de wijze waarop ze met elkaar praatten wel horen of ze ruzie met elkaar hadden of goed met elkaar waren. Meestal hadden ze ruzie. Mijn vader was een driftig man en kon zijn handen niet altijd thuis houden. Na de scheiding, ik was toen negen jaar, heeft mijn moeder mij alleen opgevoed. Broertjes of zusjes had ik niet. Misschien dat ik mij daarom onder de mensen altijd een beetje ongemakkelijk heb gevoeld.
Maar genoeg over mij. Ik wil u iets vertellen wat mij gisteravond is overkomen. Ik zit er een beetje mee en u bent misschien de enige die mij begrijpt en mij een advies zou kunnen geven.
Gisteren zat ik hier ook. Bijna op dezelfde plek. De barman had mij een wit biertje ingeschonken en ik zat rustig de te lezen toen er een schaduw over mijn krant viel. Ik keek opzij, recht in het bebaarde gezicht van een reus. Dat was tenminste mijn eerste indruk.
De man had een ernstige blik in zijn donkere ogen en keek mij vriendelijk aan.
“Herman?” vroeg hij. Ik herkende de stem onmiddellijk. “Theo?”. Er verscheen een brede grijns op zijn gezicht. Hij pakt mij bij de schouders en schudde mijn hand. Het leek of mijn arm er werd afgerukt.
“Hoe gaat het met je? Dat is lang geleden.”
“Zeker vijf jaar”, was mijn reactie.
“Vijf jaar? Ja, het zal wel. Alles goed?”
“Prima. Ja hoor , alles goed. En met jou?”
“Ook goed”. We stonden als kleine jongens te glunderen. Alsof we vroeger de grootste vrienden waren geweest. Dat was niet het geval, maar we deelden beiden wel een deel van ons leven. We zaten allebei gedurende zeker twee jaar bij elkaar in dezelfde cel. Toen ik vrij kwam moest Theo nog een jaartje zitten. Ik heb hem nog één keer opgezocht, maar hij begreep wel dat dat de laatste keer was.
Ik bestelde twee biertjes en Theo ging naast me op een lege kruk zitten. Zijn kolossale gestalte leek in de krappe ruimte van de cel wel twee keer zo groot, maar ook nu werd ik geïmponeerd door deze oersterke man, die zijn eigen krachten niet kende.
Ik hoorde van Theo dat hij tegenwoordig uitsmijter was bij een bekende nachtclub. Hij was getrouwd en had een zoon. Het leek er op dat hij zijn leven goed op de rails had gekregen na zijn gevangenisstraf.
Ik aarzelde met het stellen van een vraag die eigenlijk gelijk in mij opkwam toen ik hem had herkend. Misschien zou hij er zelf wel over beginnen.
“Nog steeds in geldzaken?” vroeg Theo aan me. Ik knikte. Ik vertelde hem dat ik een eigen bedrijfje had en een paar dagen in loondienst werkte. Bijna kwam ik in de verleiding om hem te vertellen van mijn nevenverdiensten, maar dit leek mij niet verstandig. Hoe minder mensen dit wisten des te beter.
Destijds hadden mijn illegale activiteiten mij ontzettend veel geld opgeleverd. Een groot deel daarvan stond nog steeds op een bank in Zwitserland, maar ook al was ik jaren vrij, ik durfde het niet op te nemen omdat ik het idee had dat ik nog steeds in de gaten werd gehouden. Wat ook zo was.
“Je zult je wel afvragen of ik nog contact heb opgenomen met die weduwe?” begon Theo opeens tot mijn verrassing. Het onderwerp kwam op zo’n natuurlijke manier ter sprake alsof we het er gisteren nog over hadden gehad.
Abonneren op:
Reacties (Atom)