Hij heet Jansen en hij rookt zwijgend samen met zijn collega een sigaretje voor de deur. Hij huivert als er een zacht briesje door zijn haren strijkt. Angstig kijkt hij om zich heen, beducht op tekenen van gevaar. Zijn schouders hangen licht gebogen naar beneden. Als je hem per ongeluk aankijkt, dwaalt zijn blik weg.
“Laat me toch met rust”, lijkt hij met die droevige schrikogen van hem te willen zeggen.
Nergens voelt hij zich veilig. Er is geen plek waar hij zich verschuilen kan. Het liefst kruipt hij weg in een gat in de grond. Maar alle gaten zijn al door anderen bezet.
Die leuke mop over een chef die met zijn secretaresse een wipje aan het maken is wil hem niet goed te binnen schieten. Hij is een slecht moppenverteller. Bovendien houdt zijn collega misschien helemaal niet van vieze moppen. Zo goed kennen ze elkaar niet, al zitten ze toch zeker al zo’n jaar of tien samen bij elkaar op dezelfde afdeling.
Hij doet zijn sigarettenpeuk uit in de asbak, die men speciaal voor hen heeft neergezet. Zijn collega volgt zijn voorbeeld.
“We mogen weer”, zegt hij in een poging om amicaal te zijn. Zijn collega grinnikt.
Met de lift naar de vijftiende verdieping. Vanaf zijn werkplek heeft hij een mooi uitzicht over de stad.
Maar het doet hem niets. Vanaf de flat waar hij woont heeft hij dat ook.
Zijn telefoon gaat. Het is zijn chef. Of hij nu even bij hem langs wil komen. Ja, onmiddellijk.
Als hij de telefoon neer legt voelt hij zich onpasselijk worden. Zijn nog niet verteerde boterhammen met servelaat spelen op. Er vormt zich een beetje zuur speeksel in zijn mond.
“Nu geen paniek”, denkt hij. Wat zou er aan de hand zijn? Had hij soms een fout gemaakt? Of per ongeluk een vergissing begaan? Hij zoekt zijn geheugen af, maar kan niets vinden.
Na zijn handen te hebben gewassen en zijn mond te hebben gespoeld staat hij nu voor de deur van de werkkamer van zijn chef. Vreemd dat hij nu pas voor het eerst ziet dat er een verkeerd naambordje op zit. “De Bruyn” staat er geschreven. Zo heette zijn vorige chef, maar die was drie maanden geleden met pensioen gegaan. De nieuwe chef heette “De Bruin”. Misschien vond hij die ypsilon wel chique staan. Hij klopt aan en opent de deur. ”Kan ik binnen komen?”, vraagt hij.
De Bruin zit achter een groot bureau. Heel even kijkt hij op en gaat dan verder met wat hij aan het doen is. Voor hem ligt een grote stapel documenten . Telkens als hij er eentje van de stapel af haalt zet hij er met een strak gebaar een handtekening op. Na ongeveer twintig seconden wijst hij naar een stoel die voor het bureau staat. “Ga zitten”, is alles wat hij zegt, waarna hij verder gaat met het ondertekenen van de documenten.
“Waarom moest ik onmiddellijk komen als hij geen tijd voor me heeft”, denkt Jansen.
Hij ziet hoe het gezicht van De Bruin opeens vertrekt. Zijn ogen draaien weg. “Een hartaanval, een beroerte”, denkt hij. Er klinkt gekreun, gevolgd door een diepe zucht.
Dan hoort hij gestommel onder het bureau en verschijnt Judy, de nieuwe secretaresse. Ze heeft een hoogrode blos op haar wangen en ziet er opgewonden uit. De Bruin geeft haar een zakdoekje, dat zij langs haar lippen haalt.
“Jansen, je kunt wel weer gaan. Als ik je nodig heb dan weet ik je te vinden,” zegt de Bruin met heldere stem. En terwijl Jansen verbijsterd de deur achter zich dicht trekt ziet hij nog net hoe Judy weer onder het bureau verdwijnt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten