maandag 18 april 2011

Opgewonden chef.

Hij heet Jansen en hij rookt zwijgend samen met zijn collega een sigaretje voor de deur. Hij huivert als er een zacht briesje door zijn haren strijkt. Angstig kijkt hij om zich heen, beducht op tekenen van gevaar. Zijn schouders hangen licht gebogen naar beneden. Als je hem per ongeluk aankijkt, dwaalt zijn blik weg.
“Laat me toch met rust”, lijkt hij met die droevige schrikogen van hem te willen zeggen.
Nergens voelt hij zich veilig. Er is geen plek waar hij zich verschuilen kan. Het liefst kruipt hij weg in een gat in de grond. Maar alle gaten zijn al door anderen bezet.
Die leuke mop over een chef die met zijn secretaresse een wipje aan het maken is wil hem niet goed te binnen schieten. Hij is een slecht moppenverteller. Bovendien houdt zijn collega misschien helemaal niet van vieze moppen. Zo goed kennen ze elkaar niet, al zitten ze toch zeker al zo’n jaar of tien samen bij elkaar op dezelfde afdeling.
Hij doet zijn sigarettenpeuk uit in de asbak, die men speciaal voor hen heeft neergezet. Zijn collega volgt zijn voorbeeld.
“We mogen weer”, zegt hij in een poging om amicaal te zijn. Zijn collega grinnikt.
Met de lift naar de vijftiende verdieping. Vanaf zijn werkplek heeft hij een mooi uitzicht over de stad.
Maar het doet hem niets. Vanaf de flat waar hij woont heeft hij dat ook.
Zijn telefoon gaat. Het is zijn chef. Of hij nu even bij hem langs wil komen. Ja, onmiddellijk.
Als hij de telefoon neer legt voelt hij zich onpasselijk worden. Zijn nog niet verteerde boterhammen met servelaat spelen op. Er vormt zich een beetje zuur speeksel in zijn mond.
“Nu geen paniek”, denkt hij. Wat zou er aan de hand zijn? Had hij soms een fout gemaakt? Of per ongeluk een vergissing begaan? Hij zoekt zijn geheugen af, maar kan niets vinden.
Na zijn handen te hebben gewassen en zijn mond te hebben gespoeld staat hij nu voor de deur van de werkkamer van zijn chef. Vreemd dat hij nu pas voor het eerst ziet dat er een verkeerd naambordje op zit. “De Bruyn” staat er geschreven. Zo heette zijn vorige chef, maar die was drie maanden geleden met pensioen gegaan. De nieuwe chef heette “De Bruin”. Misschien vond hij die ypsilon wel chique staan. Hij klopt aan en opent de deur. ”Kan ik binnen komen?”, vraagt hij.
De Bruin zit achter een groot bureau. Heel even kijkt hij op en gaat dan verder met wat hij aan het doen is. Voor hem ligt een grote stapel documenten . Telkens als hij er eentje van de stapel af haalt zet hij er met een strak gebaar een handtekening op. Na ongeveer twintig seconden wijst hij naar een stoel die voor het bureau staat. “Ga zitten”, is alles wat hij zegt, waarna hij verder gaat met het ondertekenen van de documenten.
“Waarom moest ik onmiddellijk komen als hij geen tijd voor me heeft”, denkt Jansen.
Hij ziet hoe het gezicht van De Bruin opeens vertrekt. Zijn ogen draaien weg. “Een hartaanval, een beroerte”, denkt hij. Er klinkt gekreun, gevolgd door een diepe zucht.
Dan hoort hij gestommel onder het bureau en verschijnt Judy, de nieuwe secretaresse. Ze heeft een hoogrode blos op haar wangen en ziet er opgewonden uit. De Bruin geeft haar een zakdoekje, dat zij langs haar lippen haalt.
“Jansen, je kunt wel weer gaan. Als ik je nodig heb dan weet ik je te vinden,” zegt de Bruin met heldere stem. En terwijl Jansen verbijsterd de deur achter zich dicht trekt ziet hij nog net hoe Judy weer onder het bureau verdwijnt.

dinsdag 5 april 2011

Marathon 2

Laatste nieuws:
Voor de Utrechtse marathon die eind april gelopen wordt zijn bewust geen buitenlandse lopers uitgenodigd. De organisatie wil namelijk enkel Nederlandse lopers een podium bieden. Het moet een echte ‘Nederlandse strijd’ worden, waarbij de lopers zich niet opgejaagd voelen door de snelle Afrikanen.

De snelle jongens en meisjes uit Afrika zijn dus niet welkom op de marathon van Utrecht. Begrijpelijk, want al jaren is er geen Hollander geweest die de Kenianen of Ethiopiërs heeft kunnen verslaan. Dus als je weer eens een echte Hollandse knul of meid op het podium wil krijgen nodig je die buitenlandse gasten gewoon niet uit. Het had zomaar een idee uit de koker van de PVV kunnen zijn.
Als ik dit soort artikelen lees of het betreffende onderwerp op tv bekijk verbaas ik me altijd weer over het gebrek aan gêne dat de voorstanders van dit soort beslissingen tonen. Het is allemaal zo vanzelfsprekend voor hen. Steeds maar weer zien hoe nota bene in eigen huis die mooie blanke mensen uit het rijke westen het onderspit delven tegen die nog veel mooiere atletische donkere mensen uit het arme zuiden doet natuurlijk pijn aan je ogen.
Misschien zouden we dit mooie initiatief door kunnen trekken naar andere sporten? Wie heeft er een suggestie?

maandag 4 april 2011

Marathon

De woerd schiet pijlsnel op de geelgroene fluim af die ik net van de brug in het water heb gespuugd. Het lekkere hapje valt hem tegen en hij laat het net zo snel weer los als hij het te pakken had.
Gatver, van Geenen. Kun je die vieze klodders niet net als iedereen gewoon op de keien laten spetteren, moet dat beest hebben gedacht.
Al ruim een week neem ik rochelend, snuivend en hoestend samen met duizenden andere Nederlanders afscheid van de winter. Maar het ergste heb ik volgens mij nu wel gehad.
Het weerhoudt me er niet van om door te gaan met mijn voorbereiding op de marathon in Leiden, die ik daar op 15 mei voor de tweede keer hoop te lopen.
Mijn conditie is slecht. Na drie uur rennen heb ik gisteren de nog resterende kilometertjes naar huis afgelegd met het OV. Mijn blessure uit december speelde op en de rest van de dag bewoog ik mij voort als de oude man die ik inmiddels al weer een tijdje ben. Al recupereer ik wel snel, want al voelde ik mij vanmorgen nog stram en stijf, daar heb ik nu geen last meer van.
Zondag gaat het los in Rotterdam. Ik zal er niet bij zijn. Hooguit om de lopers aan te moedigen.
Wat bezielt een mens eigenlijk om 42 kilometer en 195 meter achter elkaar te rennen?
Dat is niet gemakkelijk uit te leggen aan mensen die zelf niet hardlopen.
Het begint er natuurlijk mee dat je al een tijd voor je lol rent en dat je je grenzen wilt verleggen. Bij mij heeft het jaren geduurd voordat ik het zelfs maar durfde te overwegen om aan de marathon mee te doen. Eerst een paar keer 10 kilometer. En toen een paar keer de halve marathon. Pas in 1993 durfde ik het grote werk aan. Inmiddels wordt het nu mijn achtste.
Bij een marathon zijn voor een hobby-loper de eerste twintig tot vijfentwintig kilometer gewoon leuk. Dat zijn stukjes die je wel vaker loopt als voorbereiding op het grote werk. Maar hierna komt onvermijdelijk de man met de hamer. Niet altijd even meedogenloos, maar wel met pijn. Soms veel pijn. En als ik ergens een hekel aan heb…Juist. En door die pijn moet je heen. Want afhaken is geen optie.
Na al die jaren weet ik dat ik een goede keuze heb gemaakt.
Zeker, ik ben een flutloper. Alleen op de tien kilometer heb ik een redelijke snelheid. Afstanden boven de vijfentwintig kilometer loop ik op karakter. Ik verbijt mijn pijn en ga door met een blik op oneindig en mijn verstand op nul. En ik heb ontdekt dat dit bij mij hoort in het leven. Weten wanneer het nodig is om je verstand uit te schakelen en dan gewoon door te gaan.
En dan natuurlijk het gevoel van triomf als je over de finish gaat. Als je jezelf weer hebt overwonnen. Want ik denk dat dit de kern is, namelijk zelfoverwinning. Chapeau voor alle hardlopers.
In alle bescheidenheid (je kent me): petje af voor mezelf.